Belastingen ontwijken voor beginners: basistips

09/02/2015
Onze fiscaliteit is in de afgelopen decennia een gedrocht geworden van fiscale koterijen met tal van uitzonderingsregimes die afwijken van de normale fiscale regels. Op dat vlak kunnen we gerust stellen dat België ook een kampioenenrol vervuld. Elk jaar wordt er voor 100 miljard euro aan belastingen geheven in ons land, maar daar tegenover staat een kostprijs van 59 miljard euro aan fiscale gunstregimes. Deze situatie is grotendeels het gevolg van wat we gerust de Belgische lobbyfiscaliteit kunnen noemen. Verschillende lobbygroepen slagen er keer op keer in om de regering te overtuigen dat de belastingdruk van de groep die zij vertegenwoordigen te hoog is en dat een fiscaal uitzonderingsregime verantwoord is. Het valt op met welk sprekend gemak dit vaak gebeurt.

Tip 1: start een lobby en dwing een gunstregime af

   
Een mooi voorbeeld van hoe de fiscale lobby’s functioneren is de discussie geweest rond de verhoging van de roerende voorheffing eind 2012. Om de begroting op orde te krijgen werd door de regering Di Rupo beslist om de roerende voorheffing op te trekken van 15% naar 25%. Volgens toenmalig minister van financiën Steven Van Ackere zou deze verhoging alle inkomsten treffen die aan roerende voorheffing onderhevig zijn, dat wil zeggen intresten, dividenden en auteursrechten. De woorden van de minister waren nog niet koud of er reeds onmiddellijk groot protest uit de culturele sector die eiste dat deze maatregel ongedaan zou worden gemaakt. Twee dagen later kondigde minister Van Ackere aan dat de roerende voorheffing op auteursrechten op 15% zou behouden blijven. Fantastisch nieuws voor onze auteurs, minder goed nieuws voor Jan Modaal die zijn interesten en dividenden voortaan wel aan 25% ziet belast worden.
 
En zo hebben we talrijke fantastische voorbeelden in ons fiscaal stelsel.  De interesten van de Leterme-staatsbon en van de volkslening, de dividenden van de Geens-aandelen, het loon van gelegenheidswerkers in de horeca, vrijwilligers bij de brandweer, sporters, wetenschappelijke onderzoekers, de forfaitaire beroepskosten van burgemeesters en schepenen zijn allemaal voorbeelden van fiscale verworvenheden die onder druk van de fiscale lobby’s zijn tot stand gekomen. En ook in de vennootschapsbelasting is de invloed van de fiscale lobbyisten vrij frappant. Denk maar aan het tax shelter-regime die een aftrek van 150% op investeringen toestaat, het regime voor de aftrek octrooi-inkomsten, geschreven op het lijf van de farma-industie, die 80% van de inkomsten uit octrooien fiscaal vrijstelt, de notionele interestaftrek die bij gebrek aan bijvoorbeeld investeringsvoorwaarde fantastische opportuniteiten biedt voor de multinationals.
De boodschap van dit alles is vrij duidelijk. Indien u fiscaal wil scoren dan moet u zich organiseren in een lobby. Wie zich niet kan organiseren in een lobby blijft met lege fiscale handen achter en moet uiteindelijk het fiscaal gelag betalen. Het is nu eenmaal een budgettaire wetmatigheid dat de fiscale cadeau’s van de enen moeten worden opgevuld met een hogere belastingdruk voor de anderen. Op het einde van de dag moet de budgettaire rekening nog altijd kloppen. 
 

Tip 2: Migreer naar een land/gewest/gemeente met een fiscaal gunstiger klimaat


Dat de belastingdruk in België ongemeen hoog is, is een open deur intrappen. U kan als u dat wil echter perfect aan deze perfide belastingdruk ontsnappen door te emigreren. Zowel in de inkomstenbelastingen als in de successierechten is de belastingheffing immers gekoppeld aan het “rijksinwonerschap”. Kort gezegd komt dit er eigenlijk op neer, dat iedereen die in België zijn woonplaats heeft gevestigd aan de Belgische belastingheffing wordt onderworpen. U kan simpel weg aan deze belastingheffing ontsnappen door uw woonplaats over te brengen naar een land met een gunstiger fiscaal klimaat dan het onze. Indien u daadwerkelijk en niet enkel op papier fiscaal emigreert.
 
En het moet gezegd, dat u met wat fiscale creativiteit vaak zeer veel belastingen kan uitsparen door een buitenlandse omweg te maken. Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat heel wat van onze topsporters zoals Tom Boonen, Justine Henin, Stefan Everts, Axel Merckx, Philippe Gilbert en met hen ongeveer 800 andere Belgen fiscale gemoedsrust hebben gezocht in Monaco. In Monaco worden immers enkel Franse staatsburgers op hun inkomen belast. Personen met een andere nationaliteit betalen evenwel in Monaco geen belasting op hun persoonlijk inkomen. Naast Monaco zijn er ook nog andere uitwijkmogelijkheden om zich als particulier fiscaal te gaan vestigen. Ierland bijvoorbeeld is een ware fiscale buitenkans voor kunstenaars, roman- en muziekschrijvers en beeldhouwers. Dankzij de ‘artist exemption’ worden zij in Ierland nietbelast op het inkomen dat zij uit de verkoop van hun creaties halen. In Liechtenstein en in Zwitserland kun je dan weer onder bepaalde voorwaarden onderhandelen over een persoonlijk belastingstelsel, een zogenaamde ‘Pauschalregelung’, hetgeen altijd handig is als je van plan bent naar deze landen fiscaal te emigreren. In Zwitserland kunnen buitenlandse inwoners die hun inkomen alleen buiten Zwitserland genereren, genieten van een bijzonder fiscaal regime waarbij zij worden belast op basis hun uitgaven in plaats van op hun wereldwijd inkomen.
 
Fiscale emigratie is overigens niet enkel interessant om te besparen op uw inkomen. Ook om ervoor te zorgen dat uw erfgenamen geen of veel minder successierechten zullen moeten betalen, kan fiscale emigratie een optie zijn. De keuze van de laatste woonplaats is dus ook een belangrijk instrument van successieplanning. In Italië bijvoorbeeld zijn de successierechten afgeschaft, hetgeen op termijn perspectieven kan bieden voor de blauwe nageslachten van Guy Verhofstadt en Karel  Gucht. Ook in Monaco en in bepaalde kantons in Zwitserland zoals het kanton Wallis zijn er geen of nauwelijks nog successierechten verschuldigd. In Spanje kijkt men voor de successierechten naar de woonplaats van de erfgenamen. Woont en sterft de erflater in Spanje en wonen zijn kinderen in België, dan zijn er geen successierechten verschuldigd, niet in België (want de erflater is geen rijksinwoner), niet in Spanje (want de erfgenamen wonen niet in Spanje). Maar opletten is ook hier de boodschap. Indien u fiscaal emigreert maar nog onroerende goederen aanhoudt in België dan zullen uw erfgenamen steeds successierechten moeten betalen in België, ook als u bijvoorbeeld in Italië woont.
 
Bovendien hoeft u niet per sé naar het buitenland te verhuizen om een fiscaal voordeel te bekomen. Dit kan ook perfect in eigen land. Dit is het grotendeels het gevolg van de fiscale regionalisering waarbij de federale overheid heel wat belastingen heeft afgestaan aan de gewesten. Zo zijn de gewesten momenteel bevoegd voor het regelen van de registratierechten op de verkoop van onroerende goederen en van de successierechten en dit heeft geleid tot een ware fiscale concurrentieslag.
 
Wat de registratierechten betreft op de aankoop van een onroerend goed zijn er al wezenlijke verschillen op het vlak van de tarieven. Op de aankoop van een onroerend goed
 
Ook voor de successierechten kunt u gaan shoppen bij de gewesten, zij het dat uw erfgenamen pas van een gunstiger gewestelijk belastingregime zullen kunnen profiteren als u als erflater tijdens de laatste 5 jaar van uw leven uw fiscale woonplaats het langst hebt gevestigd in het gewest van uw fiscale keuze. Ook deze keuze kan belangrijke fiscale consequenties hebben. Voor wat de tarieven betreft tussen ouders en hun kinderen en tussen echtgenoten kunnen de successierechten in Vlaanderen oplopen tot 27 % tegenover 30 % voor de andere regio's. In andere gevallen zijn de tarieven veel hoger. Voor de erfgenamen die bijvoorbeeld geen enkele band hebben met de overledene liggen de successierechten, volgens de verschillende belastingschijven, respectievelijk tussen de 45% en 65 % in het Vlaams Gewest, tussen de 40% en 80 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en tussen de 30% en 80 % in het Waals Gewest. En ook de fiscale vrijstellingsregimes verschillen wezenlijk. In het Vlaams Gewest bijvoorbeeld is de gezinswoning volledig van successierechten vrijgesteld. Dit is niet het geval in het Brussels Gewest waar een tariefverlaging geldt en in het Waals Gewest waar de successierechten op de gezinswoning apart worden berekend.
 
En ook op het vlak van de personenbelasting kan de fiscaliteit van de ondergeschikte besturen een doorslaggevende rol spelen. Ingevolge de zesde staatshervorming zijn de gewesten vanaf 2014 bevoegd om een aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting te heffen. De gewesten bepalen in beginsel vrij de omvang van deze aanvullende belasting, ook wel opcentiemen genaamd. Bij het ter perse gaan van dit boek was nog niet bekend welke opcentiemen de gewesten gaan toepassen in 2014, maar feit is wel dat er op termijn verschillen tussen de gewesten gaan ontstaan wat betreft deze opcentiemen. U zal dus in beginsel kunnen bepalen waar u fiscaal het liefste gaat wonen.
 
Hetzelfde fenomeen doet zich ook voor op gemeentelijk vlak. Gemeenten hebben net als de gewesten de bevoegdheid om een aanvullende belasting te heffen op de personenbelasting. Het overzicht van de gemeenten per provincie kunt u terugvinden op de website van de Fod Financiën. (http://financien.belgium.be/nl/particulieren/belastingaangifte/gemeentebelasting/#q3 ) De meeste aanvullende gemeentebelasting betaalt u in de West-Vlaamse gemeenten Heuvelland en Mesen en de Limburgse gemeenten Peer en Riemst. Deze gemeenten heffen 9% aanvullende gemeentebelasting. Het goedkoopst bent u af in de kustgemeenten De Panne, Knokke en Koksijde waar er helemaal geen aanvullende gemeentebelasting wordt geheven. Dit kan toch wel een niet te onderschatten fiscaal verschil maken. Een doorsnee gezin van tweeverdieners die 40.000 euro aan personenbelasting moet betalen zal in Peer nog eens 3.600 euro extra aan de gemeente moeten betalen tegenover 0 euro in De Panne. Dit kan toch al tellen.
 
Tot slot kan niet genoeg worden benadrukt dat een fiscale emigratie niet fictief mag zijn en aan de realiteit moet beantwoorden. Indien dit niet het geval is, dan is er sprake van domiciliefraude en daar kunt u lelijk mee in de problemen komen.
 

Tip 3: Word rijk, want vermogen en inkomsten uit vermogen worden nauwelijks belast


Het is een dooddoener van formaat, maar rijk worden  nog altijd een van de meest performante tips om uw belastingdruk te temperen. In de personenbelasting worden de hoge tarieven aangezien eigenlijk enkel toegepast op inkomsten uit arbeid en op ondernemingswinsten. Deze inkomsten worden dan ook nog eens progressief belast, dat wil zeggen dat het tarief stijgt naarmate het inkomen stijgt. Het tarief gaat aldus van 25% naar 50% voor de inkomsten boven de 35.000 euro. Vermogen en inkomsten uit vermogen worden echter niet of zeer laag belast in vergelijking met inkomsten uit arbeid. Dit vermindert serieus de individuele belastingdruk. Uit een artikel uit het Laatste Nieuws van 17 augustus 2011 blijkt dat in 2009 in totaal 503 landgenoten op hun aangifte een inkomen van meer dan 1 miljoen euro hebben aangegeven, maar daar gemiddeld slechts 25,4% belasting op hebben betaald. Dit is louter het gevolg van het feit dat het gros van de inkomsten van deze mensen niet uit arbeid, maar wel uit vermogen afkomstig is.
 
Het ontbreken van een significante belastingheffing op vermogen en inkomsten uit vermogen is trouwens de reden waarom ons land zo populair is als nieuwe fiscale residentie voor onze noorder- en zuiderburen. Indien je het geluk hebt om van uw interesten of van uw dividenden van uw aandelen te kunnen leven, dan bedraagt uw belastingdruk in België respectievelijk 15% of 25%, en dit ongeacht de omvang van het inkomen. Een grootaandeelhouder van AB-INBEV die een paar miljoen euro dividend per jaar ontvangt, ziet zijn inkomsten aan hetzelfde tarief belast worden als de kleine spaarder die een paar aandelen AB-INBEV in zijn bescheiden portefeuille heeft zitten. En indien aandelen worden verkocht met een serieuze meerwaarde, dan is er in beginsel geen belasting verschuldigd, tenzij de fiscus speculatie kan aantonen wat niet evident is.
 
En ook voor onroerend inkomen is de belastingdruk in de personenbelasting bijzonder laag te noemen. Onroerende goederen die privé worden verhuurd, worden niet belast op basis van de werkelijk ontvangen huurinkomsten, maar enkel op basis van het kadastraal inkomen, dat is een fictief inkomen dat door de fiscus wordt geschat en helemaal niet overeenstemt met de werkelijke huurinkomsten. Voor het berekenen van het kadastraal inkomen baseert men zich immers op de huurwaarden van 1 januari 1975, jawel 1975. Als u een huis met een kadastraal inkomen van 1.000 euro verhuurt en u dit huis voor 1.000 euro per maand verhuurt, dan hebt u op jaarbasis bekeken 12.000 euro ontvangen. De fiscus zal u echter niet op 12.000 euro belasten maar wel op het verhoogd kadastraal inkomen, hetzij 2.289 euro.
 
Ook als u onroerend goed als belegging zou kopen kan u fiscaal gouden zaken doen. Indien u 5 jaar wacht om uw onroerend goed te verkopen, dan is de meerwaarde fiscaal volledig vrijgesteld. Verkoopt u binnen de 5 jaar, dan is de meerwaarde wel belastbaar, maar u hebt recht op een fiscale aftrek waardoor u meer dan 25% meerwaarde moet realiseren alvorens echt belastbaar te zijn.
 

Tip 4: Hou rekening met de fiscale gevolgen bij uw keuze voor trouwen of samenwonen


In België bestaan er verschillende samenlevingsvormen, m.n. het huwelijk, de wettelijke samenwoning en de feitelijke samenwoning. U kunt in beginsel vrij uw samenlevingsvorm kiezen, maar aan die keuze zijn belangrijke juridische en fiscale consequenties verbonden. Algemeen kan worden gesteld dat een huwelijk nog altijd een veel ruimere juridische bescherming biedt aan de partners dan de samenleving. Dit betreft in het bijzonder de verdeling van de inkomsten en bezittingen van de partners en de verdeling van het vermogen na het overlijden van een van de partners. Bij een huwelijk is de vermogensrechtelijke regeling vrij goed geregeld. Er is een wettelijk huwelijksvermogensstelsel voorzien voor wie geen huwelijkscontract opstelt. Bondig gesteld behoren de inkomsten van na het huwelijk tot het gemeenschappelijk vermogen. Bezittingen van voor het huwelijk, erfenissen en schenkingen behoren tot het eigen vermogen van de partners. Wie echter wil afwijken van deze wettelijke spelregels, kan hiervoor een huwelijkscontract laten opstellen en bijvoorbeeld opteren voor een stelsel van scheiding van goederen op van algehele gemeenschap van goederen. Voor wettelijke samenwoners, hetgeen betekent dat u en uw partner een verklaring tot wettelijk samenwonen hebben afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, is er in de wetgeving een beperkt stelsel van scheiding van goederen. Een wettelijk samenwonende partner behoudt zijn beroepsinkomsten en de goederen waarvan hij de eigendom kan bewijzen. De goederen waarvan het niet mogelijk is de exclusieve eigendom aan te tonen, worden geacht in onverdeeldheid aan de partners toe te behoren. Bij een feitelijke samenwoning waar de partners gewoon met elkaar samen worden op eenzelfde adres is er geen wettelijke vermogensrechtelijke bescherming voorzien in de wetgeving. Feitelijke samenwoners, kunnen echter net als wettelijke samenwoners een samenlevingscontract afsluiten om onderling hun situatie te regelen.
 
Wat het erfrecht aangaat, zullen zowel gehuwden als wettelijke samenwoners automatisch van elkaar erven. Feitelijke samenwoners zullen echter een testament moeten opstellen als ze elkaar willen bevoordelen bij een overlijden. Bij een huwelijk erft de langstlevende echtgenoot het wettelijk vruchtgebruik op alle roerende en onroerende bezittingen van de overledene. Bij een wettelijke samenwoning erft de langstlevende alleen het vruchtgebruik van de gezinswoning en de aanwezige huisraad. Wettelijke samenwoners kunnen elkaar echter ook door een testament of een schenking onterven. Gehuwden daarentegen kunnen elkaar slechts in heel uitzonderlijke omstandigheden onterven.
 

De fiscale gevolgen van uw samenlevingsvorm

De keuze voor een bepaalde vorm van samenleven heeft ook belangrijke fiscale consequenties. Zowel op het vlak van de inkomstenbelastingen, de schenkingsrechten en de successierechten zijn er wezenlijke verschillen merkbaar. Ook de manier waarop u uw huwelijksvermogen hebt georganiseerd is hierbij van belang.
De inkomstenbelastingenOp het vlak van de inkomstenbelastingen is bij de belastingheffing een merkelijk voordeel voor gehuwden en wettelijk samenwonenden. In beginsel worden gehuwden en wettelijk samenwonenden nog steeds gezamenlijk belast in de personenbelasting. Deze gezamelijke belastingheffing heeft echter geen invloed op de berekening van de belasting. Bij de berekening van de belasting worden de inkomsten van de beide partners immers gedecumuleerd, dwz apart belast zelfs als de partners zijn gehuwd onder een stelsel van gemeenschap. Indien een echtpaar bijvoorbeeld gezamenlijk een onroerend goed bezit, dan zijn de inkomsten uit dat onroerend goederen eigenlijk gemeenschappelijk, maar zij worden voor de helft belastbaar bij elke echtgenoot. Op dat vlak verschilt de situatie van echtgenoten en wettelijk samenwonenden eigenlijk niet van dat van feitelijk samenwonenden.
Waar de fiscale wetgeving op het vlak van de inkomstenbelasting echter wel een verschil maakt is de regeling rond het huwelijksquotient en de meewerkende echtgenoot. Indien één van de partner geen beroepsinkomsten heeft of een  slechts beperkt beroeps­inkomen, dan wordt het systeem van het huwelijksquotient toegepast. Dit systeem komt erop neer dat 30% van het beroepsinkomen van de werkende echtgenoot bij de berekening van de belasting wordt toebedeeld aan de andere echtgenoot met een maximum van 10.090 euro (aanslagjaar 2014). Dit is belangrijk want daardoor verdwijnt een deel van de inkomsten van de werkende echtgenoot uit de berekeningsbasis en dat leidt tot een lagere belastingheffing. Door het verschuiven van 30% van het inkomen naar de andere echtgenoot komt men immers in lagere belastingschijven terecht en dat heeft een positieve invloed op de belastingdruk van het koppel. Zoals gezegd is het systeem van het huwelijksquotiënt enkel van toepassing in gezinnen waar er slechts een van de partners een beroepsinkomen heeft. In dit geval wordt dus 30% van de netto beroepsinkomsten van de werkende partner toegekend aan de andere niet werkende partner. Indien beide partners werken, maar één van de partners een laag beroepsinkomen heeft beneden 10.090 euro ( aanslagjaar 2014 ), kan het huwelijksquotiënt ook nog in beperkte mate worden toegepast. Feitelijk samenwonenden kunnen echter nooit gebruik maken van het systeem van het huwelijksquotiënt. Dat is natuurlijk enkel maar nadelig als één van beide partners weinig of geen beroeps­inkomsten heeft. Wat geldt voor de regeling van het huwelijksquotiënt, geldt ook voor de regeling van de meewerkende echtgenoot. Een zelfstandige (ondernemer of vrije beroeper) kan aan zijn echtgenoot ook een bezoldiging als meewerkende echtgenoot toekennen. Deze bezoldiging moet overeenstemmen met een normale bezoldiging en is begrensd op 30% van het netto beroepsinkomen van de zelfstandige partner, met een plafond van 13.100 euro (aanslagjaar 2014)  

Anderzijds zijn er ook belangrijke voordelen verbonden aan het louter feitelijk samenwonen. Vooreerst kunnen feitelijk samenwonenden vrij bepalen welke partner bepaalde fiscaal aftrekbare kosten ten laste neemt. Bij gehuwden en wettelijk samenwonenden moeten deze kosten meestal worden verdeeld over de beide partners, waardoor er niet steeds optimaal fiscaal kan worden gepland. Feitelijk samenwonenden hebben deze verplichting niet en kunnen dus perfect beslissen om de gemaakte kosten fiscaal ten laste te leggen van de partner met het hoogste beroepsinkomen wat hen dan een groter voordeel heeft. Giften aan goede doelen en de kosten voor kinderopvang bijvoorbeeld kunnen dan het best worden aangeven bij de partner met het hoogste inkomen en dus ook het hoogste belastingtarief. Gehuwden en wettelijk samenwonenden kunnen echter niet kiezen. De kosten die zij maken worden immers automatisch evenredig verdeeld over beide partners
 
Daarnaast hebben feitelijk samenwonenden ook een voordeel bij toekenning van de “belastingvrije som”, dat is het deel van het inkomen dat van belastingheffing is vrijgesteld. Deze vrijstelling die wordt toegekend aan elke belastingplichtige wordt verhoogd als er kinderen ten laste zijn. Alleenstaande ouders krijgen echter nog een extra verhoging van de belastingvrije som van  1.490 euro (aanslagjaar 2014). Aangezien feitelijk samenwonenden door de fiscus eigenlijk worden beschouwd als “alleenstaanden” kunnen zij ook van deze extra verhoging genieten. Als u feitelijk samenwonend bent, dan kunt u kiezen bij wie van de twee partners u de kinderenfiscaal ten laste legt. Deze partner zal dan ook kunnen genieten van de hogere belastingvrije som laat genieten. De partner die het kind fiscaal ten laste neemt moet wel de natuurlijke ouder zijn van het kind, ofwel minstens voor de helft bijdragen in de kosten van onderhoud voor het kind.
 
Tot slot is er ook een niet te onderschatten voordeel voor feitelijk samenwonenden op het vlak van de invordering van de belastingschuld. Bij gehuwden en wettelijk samenwonenden worden de beide partners gezamenlijk belast. Dat wil eigenlijk zeggen dat de belastingschuld van de beide echtgenoten in één en dezelfde fiscale aanslag op naam van de beide partners wordt belast. Dit is belangrijk voor de invordering van de belasting. Indien gehuwden of wettelijk samenwonenden de belasting niet spontaan betalen, dan kan de fiscus de verschuldigde belastingen verhalen op alle eigen goederen en op alle gemeenschappelijke goederen van beide partners. Dit betekent eigenlijk dat een belastingschuld van één van de partners ook verhaalbaar is op het vermogen van de andere partner. Dit is niet het geval bij feitelijk samenwonenden. Hier kan de fiscus de belastingschuld enkel verhalen op het vermogen van de partner ten laste van wie de belastingschuld bestaat. Zijn of haar partner blijft dan altijd buiten schot van de fiscus. Dit kan belangrijk zijn als één van de partners zou hebben gefraudeerd. In geval van een huwelijk of wettelijke samenwoning wordt de andere partner dan altijd meegesleurd in het verhaal en wordt deze partner ook verantwoordelijk voor de betaling van de belastingschuld. Bij feitelijke samenwoning stelt zich dat probleem niet.
 

Gevolgen voor de schenkings- en successierechten in Vlaanderen


Ook op het vlak van de schenkings- en successierechten zijn er nog steeds verschillen merkbaar tussen de verschillende vormen van samenleven.  Hierbij moet ook worden opgemerkt dat de schenkings- en successierechten geregionaliseerd zijn, dit wel zeggen dat dit tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. De schenkings- en successierechten verschillen dus van gewest tot gewest en kunnen dus een parameter zijn bij de keuze van de locatie van uw woonplaats. 
 

Huwen en samenleven in het Vlaams gewest

 
In Vlaanderen worden gehuwden en wettelijk en feitelijk samenwonenden voor de toepassing van de schenkings- en successierechten met elkaar gelijkgesteld. Dit is belangrijk aangezien de tarieven van de schenkings- en successierechten verschillen in functie van de bloed- en aanverwantschap. Voor feitelijk samenwonenden zijn er wel  voorwaarden.  Zij worden pas met gehuwden gelijkgesteld indien ze sinds minstens één jaar feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Opmerkelijk hierbij is dat deze regeling niet beperkt is tot twee personen. Met andere woorden iedereen die minstens één jaar feitelijk samenwonen op hetzelfde adres en “een gemeenschappelijke huishouding” voert, komt voor deze regeling in aanmerking. Wie in Vlaanderen een harem sticht kan dus van deze fiscale regeling profiteren, net als samenwonende broers en zusters, kloosterzusters en holebi’s.
 
Door de gelijkstelling kunnen wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden net als gehuwden genieten van de laagste toepasbare tarieven  en ook van de gesplitste berekening van de successierechten. In Vlaanderen wordt de nalatenschap bij de berekening van de successierechten tussen gehuwden (en samenwonenden) immers opgesplitst in een roerend gedeelte (met roerende goederen zoals geld, juwelen, enz.) en een onroerend gedeelte (met onroerende goederen zoals een woning, een grond, enz.) zodat men dus eigenlijk twee keer het lage tarief kan genieten.
 
Ook kunnen wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden net als gehuwden genieten van de fiscale vrijstelling bij het erven van de gezinswoning, zij het  dat feitelijk samenwonenden voor deze vrijstelling minstens drie jaar ononderbroken met de erflater moeten hebben samengewoond én een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Bovendien mag de ervende samenwonende geen bloedverwant in rechte lijn zijn van de erflater, want dan geldt de vrijstelling ook niet.  De vrijstelling geldt dus bijvoorbeeld niet voor de inwonende vader/moeder of zoon/dochter, ook al kunnen zij in principe onder de definitie van feitelijk samenwonenden vallen.
 
Voorbeeld Vlaams Gewest
 
Els en Bart wonen sinds 2005 samen in Vlaanderen. Bart sterft in 2014 en Els erft de gemeenschappelijke gezinswoning (waarde 400.000 euro) een appartement aan zee eigendom van Bart ( waarde 300.000 euro) en een effectenportefeuille eigendom van Bart ( waarde 100.000 euro ) Ongeacht de gekozen samenlevingsvorm zal Els in Vlaanderen volgende successierechten verschuldigd zijn:
 
50% van de gezinswoning:                               Vrijstelling
 
Aparte berekening successierechten op het roerend en het onroerend vermogen:
 
Appartement aan zee:                                  3% op schijf 0 – 50.000 euro:                      1.500 euro
                                                                9% op schijf 50.000 – 250.000 euro:           18.000 euro
                                                               27% op schijf boven 250.000 euro:             13.500 euro
                                                                                                                              33.500 euro
 
Effectenportefeuille:                                     3% op schijf 0 – 50.000 euro:                   1.500 euro
                                                                 9% op schijf 50.000 – 100.000 euro:         4.500 euro
                                                                                                                              6.000 euro
 
Els zal 600.000 euro erven  ( 50% gezinswoning + appartement aan zee + effectenportefeuille ) en zal in totaal 39.500 euro successierechten betalen op de nalatenschap.                                             
 
De gelijkschakeling van gehuwden en wettelijk en feitelijk samenwonenden geldt in Vlaanderen ook voor de toepassing van de schenkingsrechten. Ook daar gelden dus de laagste tarieven indien gehuwden of  wettelijk en feitelijk samenwonenden aan elkaar schenken. Voor de schenking van roerende goederen is er dan een vast tarief van 3% voorzien en voor de schenking van onroerende goederen  gelden progressieve tarieven. Ook kunnen zij genieten van de verlaagde schenking bij de schenking van bouwgronden. Dit komt verder in dit boek aan bod.
 

Huwen en samenleven in het Brussels Hoofdstedelijk gewest

 
In het Brussels Hoofdstedelijk gewest worden enkel de wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met echtgenoten inzake de tarieven van schenkings- en successierechten. Voor hen zijn de laagste tarieven van toepassing, maar deze tarieven zijn van toepassing op de volledige nalatenschap. Er is dus geen aparte berekening voorzien voor het roerende en het onroerende vermogen uit de nalatenschap. Wel is er een aparte berekening voorzien voor de gezinswoning. Feitelijk samenwonenden kunnen in Brussel dus niet genieten van de tarieven tussen echtgenoten. Voor hen worden de toepasselijke schenkings- en successietarieven nog steeds bepaald in functie van hun verwantschapsband met de schenker of de overledene. Dit kan vrij zware financiële consequenties hebben aangezien de tarieven kunnen oplopen tot 80%.
 
Voorbeeld Brussels Hoofdstedelijk Gewest
 
Els en Bart wonen sinds 2005 samen in Brussel . Bart sterft in 2014 en Els erft de gemeenschappelijke gezinswoning (waarde 400.000 euro) een appartement aan zee eigendom van Bart ( waarde 300.000 euro) en een effectenportefeuille eigendom van Bart ( waarde 100.000 euro )
 
 Indien Els met Bart was gehuwd of wettelijk samenwonend zijn volgende successierechten verschuldigd:
 
50% van de Gezinswoning:                               Vrijstelling
 
Rest van het roerend en onroerend vermogen ( appartement + portefeuille):
 
                                                                  3% op schijf 0 – 50.000 euro:                   1.500 euro
                                                                  8% op schijf 50.000 – 100.000 euro:         4.000 euro
                                                                  9% op schijf 100.000 – 175.000 euro:       6.750 euro
                                                                18% op schijf 175.000 - 250.000 euro:       13.500 euro
                                                                24% op schijf 250.000 – 400.000 euro:       36.000 euro
                                                                                                                              61.750 euro
 
Els zal 600.000 euro erven en zal in totaal 61.750 euro successierechten betalen op de nalatenschap.
 
Indien Els met Bart louter feitelijk samenwonend was dan zijn volgende successierechten verschuldigd:
 
                                                                  40% op schijf 0 – 50.000 euro:                 20.000 euro
                                                                  55% op schijf 50.000 – 75.000 euro:         13.750 euro
                                                                 65% op schijf 75.000 – 175.000 euro:       65.000 euro
                                                                 80% op schijf 175.000 - 600.000 euro:    340.000 euro
                                                                                                                             438.750 euro
 
Els zal 600.000 euro erven en zal in totaal 438.750 euro successierechten betalen op de nalatenschap.
 
De gelijkschakeling van gehuwden en wettelijk samenwonenden geldt in Brussel ook voor de toepassing van de schenkingsrechten. Feitelijk samenwonenden vallen ook hier uit de boot. Ook in Brussel gelden dus de laagste tarieven indien gehuwden of  wettelijk samenwonenden aan elkaar schenken. Voor de schenking van roerende goederen is er dan een vast tarief van 3% voorzien en voor de schenking van onroerende goederen  gelden progressieve tarieven. Ook kunnen zij genieten van de verlaagde schenking bij de schenking van de gezinswoning. Dit komt verder in dit boek aan bod.
 

Huwen en samenleven in het Waals gewest

 
Net als in Brussel, worden in het Waals gewest enkel de wettelijk samenwonenden gelijkgesteld met echtgenoten inzake de tarieven van schenkings- en successierechten. Voor hen zijn de laagste tarieven van toepassing, maar deze tarieven zijn van toepassing op de volledige nalatenschap. Er is ook geen aparte berekening voorzien voor het roerende en het onroerende vermogen uit de nalatenschap, zoals dat in Vlaanderen wel het geval is. Wel is er ook een aparte berekening voorzien voor de gezinswoning. Feitelijk samenwonenden kunnen in het Waals Gewest net zoals in Brussel dus niet genieten van de lagere successietarieven tussen echtgenoten. Voor hen worden de toepasselijke schenkings- en successietarieven nog steeds bepaald in functie van hun verwantschapsband met de schenker of de overledene. Ook in het Waals gewest kunnen de tarieven oplopen tot 80%.
 
Voorbeeld Waals Gewest
 
Els en Bart wonen sinds 2005 samen in Wallonië. Bart sterft in 2014 en Els erft de gemeenschappelijke gezinswoning (waarde 400.000 euro) een appartement aan zee eigendom van Bart ( waarde 300.000 euro) en een effectenportefeuille eigendom van Bart ( waarde 100.000 euro )
 
 Indien Els met Bart was gehuwd of wettelijk samenwonend zijn volgende successierechten verschuldigd:
 
50% van de Gezinswoning:                              1% op schijf 0 –25 .000 euro:                      250 euro
                                                                  2% op schijf 25.000 – 50.000 euro:               500 euro
                                                                   5% op schijf 50.000 – 175.000 euro:          6.250 euro
                                                                   12% op schijf 175.000 - 200.000 euro:       3.000 euro
                                                                                                                               10.000 euro
 
Rest van het roerend en onroerend vermogen ( appartement + portefeuille):
 
                                                                    3% op schijf 0 – 12.500 euro:                      375 euro
                                                                    4% op schijf 12.500 – 25.000 euro:              500 euro
                                                                    5% op schijf 25.000- 50.000 euro:             1.250 euro
                                                                    7% op schijf 50.000 – 100.000 euro:          3.500 euro
                                                                  10% op schijf 100.000 – 150.000 euro:        5.000 euro
                                                                  14% op schijf 150.000 - 200.000 euro:        7.000 euro
                                                                  18% op schijf 200.000 – 250.000 euro:        9.000 euro
                                                                  24% op schijf 250.000 – 400.000 euro:      36.000 euro
                                                                                                                                62.625 euro
 
Els zal 600.000 euro erven en zal in totaal 72.625 euro successierechten betalen op de nalatenschap.
 
Indien Els met Bart louter feitelijk samenwonend was dan zijn volgende successierechten verschuldigd:
 
                                                                    30% op schijf 0 – 12.500 euro:                  3.750 euro
                                                                   35% op schijf 12.500 – 25.000 euro:           4.375 euro
                                                                   60% op schijf 25.000 – 75.000 euro:         30.000 euro
                                                                  80% op schijf 175.000 - 600.000 euro:     340.000 euro
                                                                                                                             378.125 euro
 
Els zal 600.000 euro erven en zal in totaal 378.125 euro successierechten betalen op de nalatenschap.
 
De gelijkschakeling van gehuwden en wettelijk samenwonenden geldt in Wallonië ook voor de toepassing van de schenkingsrechten. Feitelijk samenwonenden vallen dus ook hier uit de boot. Ook in Wallonië gelden dus de laagste tarieven indien gehuwden of  wettelijk samenwonenden aan elkaar schenken. Voor de schenking van roerende goederen is er dan een vast tarief van 3% voorzien en voor de schenking van onroerende goederen  gelden progressieve tarieven. Ook kunnen zij genieten van de verlaagde schenking bij de schenking van de gezinswoning. Dit komt verder in dit boek aan bod.
 

Tip 5: Een vennootschap of toch niet?


Bij ondernemers en zelfstandigen is een veel gestelde vraag of het fiscaal verstandig is om met een vennootschap te werken of niet. Op het eerste zicht lijkt deze vraag zeer eenvoudig te beantwoorden. In de vennootschapsbelasting bedraagt het maximumtarief 33,99% tegenover 50% (plus gemeentebelasting) in de personenbelasting. Het fiscaal regime van de vennootschapsbelasting is dus opmerkelijk voordeliger dan dat van de personenbelasting. Het probleem is echter dat wie met een vennootschap werkt, ook centen uit zijn vennootschap moet halen om zelf te kunnen leven en privé-uitgaven te doen. De zaakvoerder van een vennootschap zal zichzelf dus een loon moeten uitkeren en dat loon zal dan weer belastbaar zijn aan de zware tarieven van de personenbelasting, waardoor het voordeel van een belastingheffing in de vennootschapsbelasting deels teniet wordt gedaan. Hoe meer loon de zaakvoerder uit zijn vennootschap gaat halen, hoe kleiner het voordeel wordt. Dit probleem kan deels worden ondervangen door te voorzien in alternatieve meer fiscaalvriendelijke vormen van bezoldiging zoals dividenden, voordelen in natura en een groepsverzekering, maar dit blijft wel een probleem, te meer de regering Di Rupo de fiscaliteit op dividenden en voordelen in natura substantieel heeft opgetrokken.
 
De fiscale keuze voor een vennootschap hangt dan ook nauw samen met de eigen persoonlijke financiële behoeften. Een goede oefening is voor uzelf nagaan wat het budget is dan u zelf nodig heeft om van te leven. Levert uw activiteit als zelfstandige voldoende winst op zodat u naast uw persoonlijke financiële behoeften nog een substantieel bedrag over houdt, dan valt een vennootschap zeker te overwegen. De winst die u zelf kunt missen zal dan belast worden in de vennootschapsbelasting, maar kan ook worden gebruikt om via de vennootschap te gaan investeren en om onroerend goed aan te kopen of te verbouwen.
 

Tip 6: Fraudeer, maar met mate.

 
Hoe absurd onze overheid met fiscaliteit omgaat blijkt ook uit het fiscaal sanctiesysteem, dat tot op zekere hoogte fraude zelfs gaat aanmoedigen. In de Inkomstenbelastingen kan de fiscus u een belastingverhoging opleggen wanneer u geenaangifte hebt ingediend of indien uw aangifte  onvolledig of onjuiste is. Het percentage van deze belastingverhoging wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding en kan variëren tussen 10% en 200% van de belasting die is verschuldigd op het niet aangegeven inkomen. Belangrijk hierbij is wel dat de regering eind 2012 het sanctiesysteem heeft gewijzigd door een bepaling in de wetgeving in te schrijven stellende dat er geen belastingverhoging wordt toegepast indien het niet aangegeven inkomen lager is dan 2.500 euro. De regering heeft hiermee eigenlijk aan elke belastingplichtige een soort van vrijgeleide gegeven om tot 2.500 euro niet aan te geven in zijn belastingaangifte. Pittig detail is dat deze bepaling ook reeds voor 2012 reeds bestond, maar in de oude bepaling was het bedrag beperkt tot 620 euro. Omwille van het feit dat dit bedrag reeds jaren niet was aangepast heeft de regering in 2012 beslist om dit bedrag als het ware te indexeren tot 2.500 euro. Onbegrijpelijk maar waar. Vooraleer u echter op slechte gedachten zou komen, toch een minpunt. De fiscus kan u bij een niet-aangifte of een foutieve aangifte ook een boete geven. Deze boete varieert tussen 50 euro en 1.250 euro, maar indien de fiscus uw kwade trouw niet kan bewijzen kan ze enkel de minimumboete van 50 euro opleggen.