De fiscus en uw inkomen uit vermogen: kapitaal

16/06/2015
Wat de inkomsten uit kapitaal betreft, is het België nog steeds de regel dat deze inkomsten niet worden onderworpen aan de progressieve tarieven van de personenbelasting, maar wel aan vaste tarieven. Het algemeen geldende principe dat op fiscaal vlak in België de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, gaat dus niet op voor wie inkomen uit kapitaal en roerende goederen heeft verkregen. De belastingheffing van inkomen uit kapitaal en roerende goederen is onder Di Rupo echter fors gestegen, maar desondanks is de belasting op inkomsten van kapitaal nog steeds merkelijk voordeliger dan de belastingheffing op uw arbeidsinkomen. Enerzijds zijn er nog steeds een aantal inkomsten die volledig van belastingheffing zijn vrijgesteld, en anderzijds voor de inkomsten die wel belastbaar zijn bedraagt het tarief maximaal 25% en dit ongeacht de omvang van het inkomen.
 
 

Geval 1: De spaar- en termijnrekening


Belgen zijn spaarders. In maart 2014 hadden de Belgen maar liefst 250 miljard euro op een spaarboek geparkeerd. Gelet op het beperkte rendement van de spaarboekjes is dat eigenlijk verwonderlijk, maar fiscaal is dat zeker een goede zaak. Op het vlak van spaarfiscaliteit zijn spaarboekjes zeer interessant. De intresten van uw spaarrekening zijn immers vrijgesteld tot een bedrag van 1.880 euro (aanslagjaar 2014) per persoon. Boven deze grens zijn de interesten wel belastbaar, maar slechts aan een tarief van 15%.  Dit betekent dat men als gezin al over een kapitaal aan spaargeld van ongeveer 250.000 euro mag beschikken alvorens men belast gaat worden.
 
De vrijstelling geldt voorlopig wel enkel voor intresten verkregen van Belgische financiële instellingen. Dit is niet naar de zin van het Europees Hof van Justitie die België heeft veroordeeld wegens het discrimineren van de Belgische belastingplichtigen die ook intresten hebben verkregen op een spaarrekening in een andere Europese lidstaat. Ondertussen werkt de regering aan een voorste om de vrijstellingsregeling ook tot de Europese spaarrekeningen uit te breiden.
 
Bij termijnrekeningen, dat wil zeggen rekeningen waarvoor een vaste termijn op opzeggingstermijn geldt, liggen de zaken fiscaal anders. Termijnrekening mogen dan wel vaak een hoger rendement opleveren dan de spaarrekening, fiscaal worden de intresten van een termijnrekening ook zwaarder belast. Om te beginnen is de vrijstelling van 1.880 euro (aanslagjaar 2014) niet van toepassing op deze vorm van sparen en daarenboven is ook het tarief hoger, m.n. 25%.
 

Geval 2: Kasbons en obligaties


De intresten die men verkrijgt op de traditionele kasbons en obligaties en soortgelijke effecten zijn thans belastbaar aan een roerende voorheffing van 25%. Een uitzondering op deze regel vormen de zogenaamde “Letermebons”, dit zijn staatsbons die zijn uitgegeven tijdens de periode van 24 november 2011 tot 2 december 2011 en waarop in dezelfde periode werd ingeschreven. De intresten van deze staatsbon blijven onderworpen aan een vast tarief van 15% gedurende de volledige looptijd.

 
Geval 3: De volkslening


Vanaf  januari 2014 kan iedereen ook beleggen via de zogenaamde “volkslening”. De volkslening is een lening onder de vorm van een kasbon of termijnrekening met een looptijd van minstens 5 jaar waarbij het de bedoeling is om kapitaal te verzamelen om publieke projecten te realiseren. Daarbij horen klassiekers als ziekenhuizen, rusthuizen, scholen, culturele centra en bibliotheken. Om het succes van dit project te garanderen werd ook voorzien in een fiscaal gunstregime. De intresten die men op een dergelijke lening verkrijgt zijn niet belastbaar aan 25%, maar wel aan 15% roerende voorheffing.

 
Geval 4: Spaarverzekeringen


De laatste jaren zijn ook de spaarverzekeringen, de zogenaamde tak 21 en tak 23 verzekeringen, bijzonder populair onder beleggers. Een tak 21-verzekering wordt gekenmerkt door een gewaarborgd rendement verhoogd met een variabele winstdeelname. Een tak 23-verzekering heeft geen gewaarborgd rendement en is gekoppeld aan één of meer beleggingsfondsen. Het succes van deze spaarverzekeringen heeft opnieuw voornamelijk te maken met de fiscaliteit. Onder bepaalde voorwaarden is de opbrengst van een dergelijke spaarverzekering immers volledig van roerende voorheffing vrijgesteld.
 
Tak 21- en tak 23-verzekeringscontracten die langer dan 8 jaar lopen worden volledig vrijgesteld van roerende voorheffing. Indien het contract minder lang loopt of indien u uw centen voor de afloop van de periode van 8 jaar wenst op te nemen, dan is er wel 25% roerende voorheffing verschuldigd op de inkomsten van de verzekering. Indien u toch uw centen zou nodig hebben voor de periode van 8 jaar is verstreken, dan kan u nog altijd aan roerende voorheffing ontsnappen door een overlijdensverzekering af te sluiten ten belope van minimaal 130 % van de gestorte premies en erover te waken dat u als intekenaar in het contract ook bent aangeduid als verzekerde en als begunstigde bij leven. Ook dan is de roerende voorheffing vrijgesteld, maar dan moet u natuurlijk wel een extra premie betalen voor uw overlijdensverzekering waardoor uw rendement uiteraard wordt aangetast. Ook wanneer de verzekeringnemer overlijdt tijdens de duur van het contract dan wordt het contract ontbonden zonder dat er roerende voorheffing wordt geëist aan de erfgenamen.
 
De vrijstelling van roerende voorheffing betekent echter niet dat de fiscus helemaal buiten schot blijft. De opbrengst van een tak 21 of tak 23 verzekering mag dan wel zijn vrijgesteld, maar de fiscus passeert wel langs de kassa door middel van een zogenaamde premietaks. Deze belasting is verschuldigd op elke storting die men doet in een spaarverzekering. Aanvankelijk bedroeg deze premietaks 1,1% maar onder de regering Di Rupo werd deze belasting verhoogd tot 2%.
 

Geval 5: Aandelen


Wie heeft belegd in aandelen krijgt normaal jaarlijks een dividend van de vennootschap.  Dividenden worden thans belast aan een vast tarief van 25%. Dit geldt zowel voor de recurrente dividenden die men jaarlijks heeft ontvangen, maar ook voor de uitkeringen die men heeft verkregen naar aanleiding van de ontbinding en de vereffening van een vennootschap. Deze zogenaamde liquitatiebonus was tot voor kort belastbaar aan 10% roerende voorheffing, maar de regering Di Rupo heeft ook deze belasting verhoogd tot 25% en dit vanaf 1 oktober 2014, zeer tot ongenoegen van ondernemend België.
 
Nochtans zijn er ook uitzonderingen op deze regel. De regering Di Rupo heeft een aantal maatregelen genomen om de economie terug aan te zwengelen. Een van deze maatregelen zorgt voor een lagere belastingheffing op dividenden. Dividenden die afkomstig zijn van aandelen, die op naam en door inbreng in geld zijn gecreëerd na 1 juli 2013, worden belast worden belast aan een lager vast tarief van hetzij 20%, hetzij 15%. De bedoeling van deze maatregel was het aanzwengelen van het spaargeld in de richting van aandelen. Deze maatregel wordt echter wel aangevochten voor het Grondwettelijk Hof omdat aandeelhouders van vennootschappen die voor 1 juli 2013 werden opgericht fiscaal worden gediscrimineerd ten aanzien van aandeelhouders van vennootschappen die na 1 juli 2013 werden opgericht.