Een lokale Data-taks. Zin of onzin?

01/10/2019 | Fiscaal
Dat de technologie onze manier van leven in een ijltempo aan het veranderen is, kan niemand nog ontkennen. Dat heeft positieve, maar ook negatieve gevolgen. Een van de meest prangende discussies in dit verband is ongetwijfeld de impact van de technologische (r)evolutie op de arbeidsmarkt. Dit is nu reeds vrij zichtbaar. In de banksector bijvoorbeeld is de klassieke bankier al een tijdje vervangen door uw laptop of smartphone. Maar ook in andere sectoren is deze evolutie merkbaar. In warenhuizen worden kassiers van langsom meer vervangen door kassa’s met zelfscanners. Ook op luchthavens wordt het incheckpersoneel stilaan verdrongen door een machine waarmee u zelf uw bagage kunt labellen. En in een aantal gemeenten stelt zich nu ook al de vraag of de parkeerwachters niet moeten vervangen worden door een veel performantere slimme brommer, uitgerust met software voor nummerplaatherkenning, die onmiddellijk zwartparkeerders kan opsporen. En probeer u ook al eens in te denken wat het effect op de arbeidsmarkt zal zijn als de zelfrijdende voertuigen hun intrede gaan doen en als blockchain-technologie zijn weg vindt naar de economie?
Over de impact van de technologie op de arbeidsmarkt zijn reeds heel wat studies verschenen. Carl Frey en Michael Osborne, beiden verbonden aan de universiteit van Oxford[1], stelden in hun studie uit 2013 dat 47% van de huidige jobs de komende 20 jaar gevaar lopen door robotisering en digitalisering. Andere studies zijn iets minder pessimistisch. De OESO stelde in maart 2018 een rapport voor waarin werd gesteld dat 14% van de jobs in de OESO-landen volledig dreigen te worden geautomatiseerd in de nabije toekomst.[2] Dat zelfde rapport stelde echter ook dat de uitvoering van 32% van de jobs significante wijzigingen zal ondergaan door het gebruik van technologie in het arbeidsproces. Het World Economic Forum stelde in zijn rapport The Future of Jobs[3] uit 2018 dat 31% van de bestaande jobs overbodig zijn geworden door de technologie en dus risico lopen om te verdwijnen.
 
Niettegenstaande de resultaten van deze studies sterk uiteenlopen, is het duidelijk dat de vierde industriële revolutie significante gevolgen voor de arbeidsmarkt zal hebben. Heel wat bestaande jobs zullen verdwijnen, maar anderzijds zal de technologie ook weer voor nieuwe jobs zorgen. De vraag die zich  hierbij aandient  is of de balans tussen overbodige jobs en nieuwe jobs evenwichtig zal zijn. Het recente voorbeeld van het telecombedrijf Proximus dat 1.900 bestaande jobs zal doen verdwijnen en 1.250 nieuwe jobs voor digitale profielen zal creëren toont in ieder geval aan dat de balans in deze specifieke casus negatief uitvalt.
 
Indien in de nabije toekomst meer en meer jobs door de technologie worden vervangen, dan bestaat de kans dat de technologische revolutie een gevaar vormt voor onze verzorgingsstaat. Het systeem van de sociale zekerheid wordt immers in hoofdzaak gefinancierd met bijdragen die gerelateerd zijn aan arbeid. En ook binnen de fiscaliteit stelt zich dat probleem aangezien ongeveer 1/3 van alle fiscale inkomsten van de federale overheid afkomstig zijn van de bedrijfsvoorheffing, dwz van de belasting op arbeid. Het verlies van arbeid zorgt dus voor een verlies aan (para)fiscale inkomsten voor de verzorgingsstaat en dit verlies zal moeten gecompenseerd worden door andere en nieuwe vormen van belastingheffing.
 
En ook op lokaal vlak zal deze evolutie voor gevolgen zorgen. Het verdwijnen van arbeid, en het hiermee gepaard gaande verlies aan fiscale inkomsten is eveneens relevant voor de steden en gemeenten. Arbeid vormt immers een van de meest belangrijke inkomstenbronnen voor de personenbelasting, en indien deze inkomstenbron onder druk komt te staan zal dit een effect hebben op de opbrengst van de personenbelasting en dus ook de lokale belastinginkomsten beïnvloeden.
 
Bovendien zullen de fiscale gevolgen van de technologische (r)evolutie voor de gemeenten niet enkel beperkt blijven tot een potentiële lagere belastbare grondslag voor de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting. Ook op andere vlakken zullen de fiscale gevolgen voelbaar zijn. Marketing bijvoorbeeld gebeurt meer en meer digitaal, hetgeen op termijn een effect zal hebben op de belastinginkomsten van de lokale belastingen op de verspreiding van reclamedrukwerk en op uithangborden. Ook de verdere opkomst van de e-commerce zal zich laten voelen binnen de lokale economie, waardoor de traditionele lokale bedrijfsbelastingen eveneens onder druk zullen komen te staan.
 
En ook op het vlak van mobiliteit zullen er in de toekomst veranderingen zijn. Het weren van de auto uit het stadscentrum, zorgt er voor dat mensen andere vormen van mobiliteit gaan zoeken. Deelauto’s, deelfietsen en deelsteps vinden meer en meer hun weg naar steden en gemeenten en zorgen op hun beurt voor zij het andere vormen van hinder, zodat ook hier de vraag moet worden gesteld in hoeverre er niet fiscaal regulerend moet worden opgetreden.
 
Het zullen dus niet enkel de hogere beleidsniveau’s zijn die hun belastingsysteem zullen moeten hertekenen in functie van de technologische transitie, ook de lokale overheden zullen deze oefening moeten maken.
 
In het licht van deze bijdrage wordt verder stilgestaan bij de vraag hoe steden en gemeenten hun fiscaal stelsel kunnen aanpassen aan de technologisering van de maatschappij en alternatieve belastingvormen kunnen aanboren om de potentiële negatieve fiscale gevolgen van de technologische transitie van de arbeidsmarkt te compenseren. In het bijzonder zal hierbij worden gefocust op de vraag in hoeverre steden en gemeenten een data-taks, dwz een belasting op het aanbieden en het gebruik van digitale data kunnen invoeren.
 
1.Het belasten van technologie door steden en gemeenten
 
Het belasten van technologie door steden en gemeenten lijkt op het eerste zicht misschien niet zo evident, maar paradoxaal genoeg hebben steden en gemeenten op dat vlak net een historische voorsprong ten aanzien van andere beleidsniveau’s. Dit is het gevolg van de wettelijke beperkingen die de hogere beleidsniveau’s hebben opgelegd ten aanzien van de lokale belastingbevoegdheid.
 
Artikel 464, 1° WIB92 verhindert steden en gemeenten om opcentiemen te heffen op de inkomstenbelastingen of om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen. Artikel 464/1 WIB92 laat wel toe om opcentiemen  te heffen opde onroerende voorheffing. Artikel 465 WIB92 verleent aan de steden en gemeenten verder de bevoegdheid om een aanvullende belasting te heffen, maar dit enkel op de personenbelasting. De combinatie van deze beide wetsartikelen uit het Wetboek Inkomstenbelastingen impliceert dat steden en gemeenten geen enkele belasting kunnen invoeren die de grondslag of het bedrag van een inkomstenbelasting als belastbaar feit[4], als berekeningsbasis[5], als basis voor een tariefdiversificatie[6], of als basis voor de toekenning van vrijstellingen of verminderingen[7] hebben. Ook een lokale belasting op de bruto winst van een onderneming is in principe niet toegelaten. Zo stelde de rechtspraak reeds dat een belasting op de aangerekende prijs van parkeergarages[8], een belasting berekend op de bruto inkomsten van de verhuur van hotelkamers[9] en een belasting berekend op de omzet van vertoningen en vermakelijkheden[10] in strijd zijn met artikel 464,1° WIB92. Het Grondwettelijk Hof oordeelde evenwel in een arrest van 16 februari 2012 dat artikel 464,1° WIB92 enkel slaat op het “bedrag waarop de inkomstenbelasting finaal wordt berekend”, hetgeen in se een belasting op de bruto omzet niet zou verbieden. Deze visie wordt echter niet gevolgd door het Hof van Cassatie[11] en door lagere rechtspraak.[12]
 
Ook de Wet van 18 juli 1860 betreffende de afschaffing van de indirecte gemeentebelastingen gekend onder de naam octrooien[13] vormt een beperking op de gemeentelijke fiscale autonomie. Octrooien zijn lokale indirecte belastingen ( een soort van lokale douanerechten[14] ) geheven naar aanleiding van de invoer, uitvoer, doorvoer, opslag, productie en opdeling van goederen, die het voeren van een nationale economische politiek erg bemoeilijken.
 
Het wettelijk verbod om inkomen en omzet te belasten, heeft steden en gemeenten er dan ook toe gedwongen om in het kader van een diversificatie van hun fiscaal beleid, op zoek te gaan naar alternatieve fiscale inkomstenbronnen door het belasten van objecten, diensten en prestaties. In het verleden hebben de steden en gemeenten dan ook vrij creatief gezocht naar fiscale manieren om voornamelijk ook bedrijven te laten bijdragen aan de lokale financiering. Maar ook daar hebben steden en gemeenten geen absolute vrijgeleide en dienen zij rekening te houden met allerlei wettelijke en decretale beperkingen[15] en met gereglementeerde belastingen zoals onder andere:
  • Artikel 464, 2° WIB92 die een lokale belasting op vee verbiedt
  • Artikel 42 WIGB en 2.2.4.0.5 VCF die opcentiemen verbiedt op de verkeersbelasting of een belasting verbiedt op voertuigen bestemd voor het vervoer van personen of goederen. Er worden wel opdeciemen geheven ten behoeve van de gemeente op de voertuigen die aldaar zijn ingeschreven
  • Artikel 74 WIGB die een lokale belasting verbiedt op spelen en weddenschappen, met uitzondering van een belasting op agentschappen voor paardenwedrennen
  • Artikel 93 WIGB die een lokale belasting verbiedt op automatische ontspanningstoestellen
  • Artikel 107 WIBG en 2.3.4.2.2 VCF die een lokale belasting op de inverkeerstelling van voertuigen verbiedt
  • Het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 dat de verdragsluitende staten verbiedt om heffingen op te leggen voor het overvliegen, het binnenvliegen of het vertrek van een vliegtuig uit zijn grondgebied of van de personen en de goederen daarin
  • De Wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën die lokale belastingen op vertoningen en vermakelijkheden verbiedt op o.m. treurspelen, opera’s, vaudevilles, eindeseizoensrevues etc.
  • Het KB van 3 april 1953 tot coördinatie van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken dat lokale overheden verbiedt om belastingen gelijkaardig aan de door het Rijk geheven openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken te heffen
  • De Wet van 7 juli 1972 tot vaststelling van de grenzen van de belastingbevoegdheid van agglomeraties en federaties van gemeenten
  • De Wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten en het Vlaams Decreet van 20 april 2001 betreffende organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen, laatst gewijzigd door het decreet van 29 maart 2019,die de lokale belastingen op taxidiensten en verhuurders van voertuigen met chauffeur reglementeert
  • De Wet van 28 januari 1975 die lokale overheden verbiedt om een belasting te heffen op het vervoer van personen die binnen de gemeente zijn overleden maar buiten de gemeente ter aarde worden besteld
  • De verschillende bepalingen die de heffingsbevoegdheid ten aanzien van de afgifte van administratieve stukken beperken[16]
  • De Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven die bepaalt dat de lokale overheden geen heffing mogen opleggen voor het gebruiksrecht van het openbaar domein voor kabels, bovengrondse lijnen en de bijhorende uitrusting.
  • Het Vlaams Decreet van 7 mei 2004 betreffende de Vlaamse Wooncode die de lokale leegstandbelasting reglementeert
  • Het Vlaams Decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en Pandenbeleid dat de lokale belastingen op onbebouwde bouwgronden in woongebied of niet vervallen verkavelingen reglementeert
 
Desalniettemin hebben gemeenten binnen dit beperkt wettelijk bevoegdheidskader verschillende belastingen gecreëerd die er op gericht zijn om het aanbieden of het gebruik van bepaalde specifieke technologieën aan een lokale belastingheffing te onderwerpen.  We kunnen hierbij verwijzen naar de lokale belastingen op bankautomaten, op drankautomaten, op benzine-, olie- en persdrukpompen, op computerschermen, op drijfkracht, op schotelantennes en op masten en pylonen. Niettegenstaande vaak ook fiscale nevendoelen aan deze belastingen ten grondslag liggen, zoals veiligheidsaspecten en het vrijwaren van het landschap, zijn deze belasting toch in hoofdzaak voor de lokale overheden een middel om commerciële handelsvennootschappen bij te doen dragen aan de financiering van de lokale begroting. Dit kadert dan weer in de diversificatie van de lokale belastingdruk.
 
De lokale overheden hebben dan ook een zekere ervaring in het belasten van technologie, omwille van het feit dat zij door de fiscale bevoegdheidsbeperkingen, reeds in het verleden gedwongen zijn geweest om creatief op zoek te gaan naar alternatieve belastingbronnen voor inkomen en omzet. Het ziet er politiek niet naar uit dat daar op zeer korte termijn verandering in zal komen. Gemeenten zullen dus ter aanvulling van de klassieke fiscale inkomstenbronnen zoals de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing, verder op zoek moeten gaan naar alternatieve fiscale financiering willen zij een gediversifieerd belastingbeleid gaan voeren. In het bijzonder zal deze problematiek zich verder gaan manifesteren wanneer blijkt dat nieuwe taxshifts en de digitale transformatie van de arbeidsmarkt een negatieve impact zouden hebben op de opbrengst van de personenbelasting en dus van de grondslag van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting. De vraag die zich dan opdringt is de vraag in hoeverre de lokale overheden binnen hun wettelijk bevoegdheidskader ook belastingen kunnen heffen op nieuwe digitale technologieën.
 
2.Kunnen gemeenten een lokale data-taks invoeren?
 
2.1.Wat is een data-taks?
 
Een data-taks is een belasting die de toegang tot het internet gaat belasten op basis de individuele mobiele en vaste internetaansluitingen van de personen die op het grondgebied van de gemeente zijn gevestigd. Hierbij kan men in principe opteren voor een forfaitaire belastingheffing per aansluiting, dan wel opteren om het tarief te koppelen aan het dataverbruik via het internet. Thans verloopt de toegang tot het internet in ons land via vaste of mobiele breedband-aansluitingen. Volgens het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT) waren er in 2017 in ons land in totaal 4,379 miljoen vaste breedband- en 8,588 miljoen mobiele breedband-aansluitingen.[17] Gemiddeld werd er per aansluiting in 2017 voor 1,18 gigabyte/maand verbruikt via de smartphone en 1,075 gigabytes/maand via PC of tablet. De vraag die zich thans stelt, is de vraag of gemeenten internetaansluitingen en digitaal dataverbruik aan een belasting zouden kunnen onderwerpen.
 
2.2.Is een data-taks in strijd met het wettelijk fiscaal bevoegdheidskader van lokale overheden?
 
2.2.1.Algemeen
 
De primordiale vraag die voorafgaand aan de invoering van een lokale data-taks moet worden gesteld is de vraag of er wettelijke beperkingen zijn, die lokale overheden zouden verhinderen om een data-taks in te voeren. In dit verband dient te worden onderzocht in hoeverre een data-taks juridisch aanvaardbaar is in het licht van:
  • De EU-Richtlijn 2002/20/EG van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en –diensten[18] ( de Machtigingsrichtlijn )
  • De Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven[19]
  • De Wet van 18 juli 1860 betreffende de afschaffing van de indirecte gemeentebelastingen gekend onder de naam octrooien[20]
  • Artikel 464,1° WIB92.
Het is uiteraard pas als deze nationale en internationale rechtsnormen geen beletsel vormen voor de invoering van een lokale data-taks dat deze ook kan worden ingevoerd.
 
2.2.2.De conformiteit van een lokale data-taks met de EU-Richtlijn 2002/20/EG van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en –diensten ( de Machtigingsrichtlijn )
 
De Machtigingsrichtlijn van 7 maart 2002
 
Artikel 12 van de Richtlijn bepaalt dat indien administratieve bijdragen aan de operatoren worden opgelegd, deze uitsluitend kunnen dienen ter dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het algemene machtigingssysteem van de gebruiksrechten en van de specifieke verplichtingen die kosten kunnen omvatten voor internationale samenwerking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht, alsmede regelgevende werkzaamheden in het kader van de opstelling en handhaving van afgeleide wetgeving en administratieve besluiten, zoals besluiten betreffende toegang en interconnectie en worden opgelegd aan individuele ondernemingen volgens een objectieve, transparante en evenredige verdeling, die de extra administratiekosten en daarmee samenhangende bijdragen tot een minimum beperkt.
 
Artikel 13 van de Richtlijn bepaalt verder dat de Lidstaten de betrokken instanties kunnen toestaan om de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die tot doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn).
 
De schending van de artikelen 12 en 13 van de Machtigingsrichtlijn werd in ons land bijvoorbeeld als argument gebruikt door telecomoperatoren om zich te verzetten tegen lokale heffingen op masten en pylonen. In verschillende arresten oordeelde het Hof van Justitie dat een lokale belasting op masten en pylonen niet in strijd is met de artikelen 12 en 13 van de Machtigingsrichtlijn.[21] In deze arresten stelde het Hof dat bepalingen van de machtigingsrichtlijn in se slechts van toepassing zijn op een belasting waarvan het belastbare feit verband houdt met de algemene machtigingsprocedure, die het recht verleent om elektronische communicatienetwerken of -diensten aan te bieden[22] en dit niet het geval is voor een lokale heffing op masten en pylonen.
 
De vraag stelt zich of de Machtigingsrichtlijn rekening houdend met deze principes een obstakel zou kunnen vormen voor de invoering van een data-taks op lokaal vlak. Dit lijkt niet het geval te zijn en hiervoor kunnen we verwijzen naar twee andere arresten van het Hof van Justitie van 27 juni 2013.
 
In het eerste arrest[23] diende het Hof zich uit te spreken over een Franse belasting waarbij Telecomoperatoren een belasting van 0,9% dienden te betalen op de omzet (exclusief BTW) die zij gedurende het kalenderjaar van hun abonnementhouders hebben ontvangen, zij het dat enkel het gedeelte van de omzet boven 5 miljoen euro werd belast. In zijn arrest stelde het Hof dat artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn zich enkel verzet tegen heffingen die rechtstreeks gelieerd zijn aan het verkrijgen van een machtiging voor telecomoperatoren, maar niet tegen belastingen waarvan het belastbaar feit niet bestaat in het hebben van een telecom-machtiging. Volgens het Hof was de specifieke Franse omzetbelasting dan ook niet in strijd met de Machtigingsrichtlijn.
 
In het tweede arrest[24] werd de discussie gevoerd over een Maltese “accijns” die werd opgelegd aan operatoren die mobiele telefoniediensten aanbieden en waarbij de heffing overeenstemt met een percentage van de vergoedingen die de operatoren ontvangen van de gebruikers van deze diensten. Ook in dit arrest stelde het Hof dat het feit dat het belastbare feit geen verband houdt met de algemene machtigingsprocedure ter verkrijging van toegang tot de markt voor elektronische communicatiediensten, maar wel met het gebruik van door de operatoren aangeboden mobiele telefoniediensten en deze uiteindelijk door de gebruiker van deze diensten wordt betaald, niet binnen de werkingssfeer van artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn valt.
 
Rekening houdende met deze rechtspraak van het Hof van Justitie lijkt een data-belasting waarbij de individuele aansluiting van een abonneehouder wordt belast, en/of diens verbruik aan data, niet in te gaan tegen de fiscale beperkingen van de Machtigingsrichtlijn.
 
2.2.3.De conformiteit van een lokale data-taks met de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven[25]
 
De artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bevatten eveneens een aantal wettelijke beperkingen op de fiscale autonomie van de lokale overheden. Overeenkomstig deze bepalingen is elke operator van een openbaar telecommunicatienet gemachtigd om het openbaar domein en de eigendommen te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren en mag de overheid voor dat gebruiksrecht de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, opleggen.
 
Over de exacte draagwijdte van deze fiscale verbodsbepaling diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken in het arrest 2011/189 van 15 december 2011. In dit arrest stelde het Hof uitdrukkelijk dat de verbodsbepaling restrictief dient te worden geïnterpreteerd en zich dienvolgens beperkt tot het verbod om een belasting op te leggen voor het aanleggen van kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen op het openbaar domein.
 
Deze bepaling verbiedt volgens het Hof echter de gemeenten niet om een belasting te heffen op de economische activiteit van telecomoperatoren die op het grondgebied van de gemeente verwezenlijkt wordt, in casu door de aanwezigheid op publiek of privaat domein van gsm-masten, -pylonen of -antennes die voor die activiteit worden aangewend. Rekening houdende met deze interpretatie van het Grondwettelijk Hof, lijkt het duidelijk dat ook de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven geen belemmering kan vormen voor de invoering van een lokale data-taks.
 
2.2.4.De conformiteit van een lokale data-taks met de Wet van 18 juli 1860 betreffende de afschaffing van de indirecte gemeentebelastingen gekend onder de naam octrooien[26]
 
De Wet van 18 juli 1860 betreffende de afschaffing van de indirecte gemeentebelastingen gekend onder de naam octrooien[27] verhindert de lokale instanties om  indirecte belastingen te heffen op de invoer, uitvoer, doorvoer, opslag, productie en ontginning van verbruiksgoederen in de gemeente. Cruciaal bij deze wettelijke verbodsbepaling is dat het in essentie moet gaan om “indirecte” belastingen en dat het moet gaan om belastingen op “(verbruiks)goederen”.
 
In de rechtspraak werd daaromtrent bijvoorbeeld reeds geoordeeld dat directe belasting op de productie of de ontginning van goederen niet verboden zijn, zelfs indien men voor de berekening van de belasting het geheel van de ontginning of productie van het vorige dienstjaar in aanmerking neemt.[28]  Feit is echter wel dat het dan moet gaan om directe belastingen, dat wil zeggen om belastingen die een uit hun aard duurzame toestand treffen. Belastingen op bijvoorbeeld klei- en vliegasgroeven en berekend per m³ gedolven klei werd door de rechtspraak als een verboden indirecte octrooibelasting bestempeld[29], net als belastingen op zandwinningen[30] en op houtkap[31] berekend op de hoeveelheid gewonnen zand en de hoeveelheid gekapt hout.
 
Ook slaat het verbod van de Wet van 18 juli 1860 enkel op octrooien ten aanzien van (verbruiks)goederen en niet ten aanzien van diensten. Dit impliceert bijvoorbeeld  dat een lokale belasting op de kosteloze verspreiding van reclamedrukwerk[32] en een belasting op tabaksslijterijen[33] geen verboden octrooibelastingen zijn.
 
Rekening houdende met deze rechtspraak is het vrij logisch dat ook een databelasting niet als een verboden octrooibelasting kan worden beschouwd. Dit is althans zo voor zover de belasting een duurzame toestand treft , met name het hebben van een internetaansluiting, waardoor de belasting het karakter heeft van een directe belasting. Ook wanneer de belasting een dienstverlening treft, met name het ter beschikking stellen van een internetaansluiting,  slaat deze niet op (verbruiks)goederen. Het verhaal zou mogelijks anders zijn indien de belasting verschuldigd wordt omwille van het aanleggen van een aansluiting. In dat geval zou het wellicht een verboden octrooibelasting betreffen.
 
2.2.5.De conformiteit van een lokale data-taks met artikel 464, 1° WIB92
 
Artikel 464,1° WIB92 verhindert de lokale overheden om opcentiemen te heffen op de inkomstenbelastingen, of om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of op het bedrag van de inkomstenbelastingen. De exacte betekenis van de termen “gelijkaardige belastingen” of de “grondslag” van de inkomstenbelastingen is niet geheel duidelijk.
 
Op basis van de ratio legis en de invulling van deze begrippen in de rechtspraak kan dan ook worden gesteld dat het begrip “gelijkaardige belastingen” geen eigen betekenis heeft en dient worden te beoordeeld aan de hand van de grondslag of het bedrag die door de belasting in aanmerking worden  genomen.[34] Elke belasting die hetzij de grondslag, hetzij het bedrag van de inkomstenbelastingen gebruikt als belastbaar feit, als berekeningsbasis, als basis voor een tariefdiversificatie of zelfs als basis voor vrijstellingen of verminderingen is een verboden “gelijkaardige” inkomstenbelasting in de zin van artikel 464,1° WIB92.[35] In die zin zijn bijvoorbeeld belastingen op economische activiteit berekend op drijfkracht, het aantal werknemers, het aantal openingsdagen, of de totale gebruikte oppervlakte niet in strijd met artikel 464,1° WIB92.[36]  
 
Wat het aspect “grondslag” van de inkomstenbelastingen betreft, blijft een discussie bestaan of de wetgever hiermee enkel de grondslag heeft bedoeld waarop de inkomstenbelastingen worden berekend of ook alle elementen bedoeld die deel uitmaken van deze grondslag. Met andere wordt met deze verbodsbepaling enkel het netto-inkomen bedoeld, of bijvoorbeeld ook het bruto-inkomen of de omzet van de belastingplichtige? Op dat vlak is de rechtspraak niet eenduidig. Nadat de Raad van State in een arrest van 8 februari 1993 oordeelde dat artikel 464, 1° WIB92 niet wordt geschonden als  voor de berekening van een lokale belasting op frituren noch met het omzetcijfer, noch met het bedrag van de inkomstenbelastingen rekening wordt gehouden,[37] werd door de lagere rechtspraak ook de stelling aangenomen dat lokale belastingen op de bruto-winst niet zijn toegelaten.[38] Deze rechtspraak kwam weliswaar enigszins onder druk na een arrest van het Grondwettelijk Hof van 16 februari 2012[39] waar het Hof stelde dat de term “grondslag” van de inkomstenbelasting enkel slaat op het bedrag waarop de inkomstenbelastingen berekend wordt. Het Hof van Cassatie volgde evenwel deze stelling niet in twee arresten van 19 en 20 september 2013[40] met betrekking tot lokale belastingen op hotelkamers en in arresten van 24 mei 2012[41] en 13 februari 2014[42] met betrekking tot lokale belastingen op vertoningen en vermakelijkheden. Ook in een meer recent arrest van 20 april 2018[43] met betrekking tot een belasting op vertoningen en vermakelijkheden heeft het Hof deze redenering niet gevolgd. Ook de lagere rechtspraak volgt de stelling van het Grondwettelijk Hof niet.[44]
 
Wat een lokale data-belasting betreft, lijkt het in eerste instantie duidelijk dat een belasting op het bezitten van een individuele internetaansluiting geen probleem kan vormen met artikel 464, 1° WIB92. Wat delicater is allicht een belasting op het data-verbruik via het internet. Maar ook hier lijkt artikel 464, 1° WIB92 geen probleem te vormen. Een data-belasting op het data-verbruik via het internet belast immers niet de financiële omzet die telecombedrijven genereren via de verkoop van internetabonnementen zodat de “grondslag” van de inkomstenbelasting hier niet belast wordt. We kunnen dan ook concluderen dat ook artikel 464, 1° WIB92 zich niet verzet tegen een lokale data-belasting.
 
2.3.Voorstel van belastingreglement
 
2.3.1.De motivering van de belasting
 
Het spreekt voor zich dat de data-belasting in de eerste plaats een financiële doelstelling zal moeten hebben. Maar naast het financiële hoofddoel kan een gemeentebelasting tevens een beleidsmatig nevendoel hebben, zoals dat met vele gemeentebelastingen het geval is.
 
Specifiek voor wat de data-belasting betreft kan hier worden gedacht aan een sociale doelstelling bestaande in het dichten van de technologische kloof. Het Steunpunt tot Bestrijding van Armoede, Bestaansonzekerheid en Sociale Uitsluiting publiceerde in 2017 cijfers over de digitale kloof in België en de EU. Uit deze cijfers blijkt dat 82% van de Belgische huishoudens beschikt over een computer. Dat is evenveel als het EU-gemiddelde en als in Frankrijk, maar wel een pak lager dan de andere ons omringende landen. Zo hebben 91% van de huishoudens Duitsland de beschikking over een computer. In Luxemburg is dat 95% en in Nederland zelfs 96%. Gelijkaardige vaststellingen komen ook terug in de cijfers over de huishoudens die over een internetconnectie beschikken. In België is dat 85% evenveel als het EU-gemiddelde, maar in Frankrijk hebben 86% van de huishoudens internet, in Duitsland 92%, en in Luxemburg en Nederland zelfs 97%.
 
Deze cijfers tonen onmiskenbaar aan, dat ook in ons land, nog steeds heel wat mensen geen toegang hebben tot wat de maatschappij ondertussen als een basisbehoefte is gaan beschouwen, met name het hebben van een computer en de beschikking over een internetaansluiting. En dat heeft niet te onderschatten gevolgen, zo blijkt uit een rapport van het Netwerk tegen Armoede van 2017. Digitalisering heeft een kost en voor heel wat mensen uit de onderkant van de maatschappij is de aankoop van een computer, een internetabonnement, printer, papier, inktpatronen, etc. geen evidente zaak en daardoor dreigen zij  maatschappelijk achterop te geraken. Het kan immers niet worden ontkend dat op het vlak van onderwijs, maar ook op het vlak van dienstverlening, huisvesting, arbeidsmarkt, gezondheid, vrije tijd “gedigitaliseerd zijn” een must is geworden. De technologische kloof is dan ook op sociaal vlak een bittere realiteit voor heel wat mensen.
 
Een data-belasting zou hier een oplossing kunnen vormen omdat het de gemeenten zou toelaten om verder te investeren in digitale infrastructuur die voor iedereen toegankelijk is, zoals in scholen en bibliotheken en waarom niet in een gemeentelijke internetruimte. Hierbij kan evenwel worden opgemerkt dat het niet vaststaat dat het stimuleren van het computerbezit tot de gemeentelijke fiscale bevoegdheid zou behoren in het kader van het regelen van het gemeentelijk belang. Daarnaast lijkt er niet meteen een gemeentelijke dienstverlening of voordeel ten behoeve van de dataproviders voorhanden te zijn.
 
Daarnaast zijn er ook andere motiveringen voor de invoering van de data-taks mogelijk. De taks kan ook verantwoord worden vanuit het feit dat de klassieke inkomstenbron van gemeentelijke publiciteitsbelastingen, zoals de belasting op uithangborden en de verspreiding van reclamedrukwerk, in verdrukking komen omwille van het feit dat commerciële publiciteit meer en meer via digitale weg aan de consument wordt overgemaakt. Als alleenstaande verantwoording lijkt deze overweging echter niet te kunnen volstaan. Het wegvallen van de belastingopbrengsten in een specifieke belasting kan immers geen verantwoording bieden voor het invoeren van een belastingheffing in hoofde van een compleet andere persoon. De belasting zou dan immers klaarblijkelijk enkel worden ingevoerd omwille van financiële overwegingen, terwijl het toepassingsgebied erg beperkt blijft.
 
Het zal nog moeilijker zijn om een verantwoording te vinden om enkel de inwoners te belasten in een belasting op het verbruik van mobiele data, daar het voor een gemeente- naast de territoriale problematiek- quasi onmogelijk lijkt om een verantwoording te vinden voor het belasten van het mobiele dataverbruik van niet-inwoners.
 
2.3.2.De belastingplichtige
 
Het voordeel van een data-belasting is dat de gemeenten zich ertoe zouden kunnen beperken om niet de inwoners en de lokale bedrijven en rechtspersonen te gaan belasten, maar wel de dienstverleners die internetaansluitingen ter beschikking stellen van de op de grondgebied van de gemeente gevestigde personen. De gemeenten zouden zich dan ook enkel tot de telecom-operatoren moeten richten. Hierbij moet er evenwel op worden gewezen dat telecomoperatoren kampioenen zijn in het aanvechten van gemeentebelasting, doorgaans zonder succes, doch dit neemt niet weg dat de invoering van een data-taks voor hen zal werken als een rode lap op een stier. Het feit dat de telecom-operator niet is gevestigd op het grondgebied van de gemeente of zelfs in het buitenland is gevestigd, mag in principe geen probleem vormen qua subjectieve belastbaarheid. De fiscale bevoegdheid van de gemeenten wordt weliswaar territoriaal beperkt tot het wettelijk afgebakend territorium van de gemeente[45], dit neemt niet weg dat de gemeenten de bevoegdheid hebben om niet alleen alle personen die gevestigd zijn op het grondgebied van de gemeente te belasten, maar ook die personen die er belangen hebben.[46] Hoewel een belasting op de telecomoperatoren dan ook mogelijk lijkt omwille van de terbeschikkingstelling van internetaansluitingen op het grondgebied van de gemeente, is het minder eenvoudig om mobiel dataverbruik territoriaal te lokaliseren.
 
Het lijkt dan ook onmogelijk om beide vormen onder éénzelfde data-belasting (op het mobiele datavebruik) te brengen. Dit onderscheid moet dan echter worden verantwoord om te vermijden dat zich een schending van het gelijkheidsbeginsel zou voordoen. Een passende verantwoording voor dit onderscheid lijkt op het eerste zicht niet voorhanden.
 
2.3.3.Het belastbaar feit, de belastbare grondslag en tarief
 
Wat het belastbaar feit betreft, dienen de gemeenten uiteraard waakzaam te zijn dat zij het belastbaar feit als dusdanig  omschrijven dat de belasting niet kan beschouwd worden als een verboden octrooibelasting of een verboden inkomstenbelasting. Dit kan door de terbeschikkingstelling van vaste en mobiele internetaansluitingen aan natuurlijke en rechtspersonen die op het gemeentelijk grondgebied zijn gevestigd als het belastbaar feit te gaan omschrijven dat rechtstreeks aanleiding geeft tot belastingheffing. Indien men echter verder zou willen gaan en ook het effectieve dataverbruik zou willen belasten moet erop worden gewezen dat het quasi onmogelijk is om het dataverbruik territoriaal te lokaliseren, waardoor de provider niet zal kunnen aangeven welke data in welke gemeente verbruikt werden. Samen met het feit dat moeilijk kan gerechtvaardigd worden dat een gemeente het dataverbruik buiten haar grondgebied zou belasten, lijkt het dataverbruik dus niet meteen een geschikt criterium te zijn om de belasting te berekenen.
 
De belastingheffing kan beperkt blijven tot het heffen van een forfaitair tarief per internetaansluiting op het grondgebied van de gemeente. Een andere theoretische mogelijkheid is ook om het tarief te gaan moduleren in functie van het globale dataverbruik van de personen die op het grondgebied van de gemeente zijn gevestigd. Dit is naar het voorbeeld van de Vlaamse energieheffing, de ondertussen door het Grondwettelijk Hof bij arrest van 22 juni 2017[47] vernietigde belasting. De belasting werd gevestigd per afnamepunt van elektriciteit, maar volgens een tarief berekend op basis van het elektriciteitsverbruik. Aangezien de gewesten in beginsel geen belastingen mogen heffen ten aanzien van materies die het voorwerp zijn van een federale belasting en deze belasting dubbel gebruik vormde met de federale energieheffing, werd geoordeeld dat het Vlaams Gewest zijn fiscale bevoegdheid had geschonden, en werd beslist tot vernietiging.
 
Dit risico bestaat niet voor gemeenten, aangezien er op lokaal niveau geen algemeen verbod bestaat om een belasting te heffen op een materie die al onderworpen is aan een federale belasting. Bovendien blijken  een digitale aansluiting en het data-verbruik, “maagdelijke” materies te zijn, die tot de lokale belastingsfeer behoren in zoverre zij aan het gemeentelijk belang kunnen gekoppeld worden. Dit lijkt sowieso geen probleem te zijn voor wat betreft de eigenlijke vaste en digitale aansluitingen van personen die op het grondgebied van de gemeente zijn gevestigd. Er lijkt geen enkel beletsel te zijn om deze aan een forfaitaire belastingheffing te gaan onderwerpen. Iets delicater echter is om de belastingheffing ook te gaan moduleren in functie van het digitale dataverbruik. Hier stelt zich allicht de vraag in hoeverre er nog voldoende aanknoping is met het gemeentelijk belang voor wat betreft het mobiele digitale dataverbruik buiten de gemeente. Allicht is het hier dan ook raadzamer om te werken met een forfaitaire belastingheffing per internetaansluiting.
 
2.3.4.De taxatieprocedure
 
Wat de procedure betreft, lijkt de enige optie voor de gemeente om te werken met een typische aangifte-belasting, waarbij de telecomoperatoren, jaarlijks opgave doen van het aantal digitale aansluitingen en desgevallend van het globale dataverbruik van de personen die op het grondgebied van de gemeente zijn gevestigd. Dit heeft voor de gemeenten, gelet op het beperkt aantal telecomoperatoren, het voordeel dat dit een administratief vrij makkelijke belasting is om op te volgen, zonder dat de personen gevestigd op het grondgebied in de belastingheffing worden betrokken.  Weerom kan worden opgemerkt dat een belasting op het effectieve dataverbruik niet haalbaar lijkt. Een belasting op een datapunt lijkt effectueringstechnisch wel haalbaar, wat niet wegneemt dat de vraag kan worden gesteld of het formele inschrijvings- en facturatieadres wel steeds zal overeenstemmen met de plaats waar de effectieve gebruiker van het datapunt gevestigd is.
 
3.Conclusie
Zoals reeds in de inleiding aangegeven, moeten ook onze steden en gemeenten aandacht hebben voor een aantal omwentelingen in onze maatschappij, gekoppeld aan de technologische (r)evolutie. Dit betekent dat een aantal klassieke gemeentebelastingen onder druk zullen komen te staan, hetgeen voor de gemeenten de noodzaak zal creëren  creatief op zoek te gaan naar nieuwe fiscale inkomstenbronnen. Eén van de pistes die men zou kunnen bewandelen is de invoering van een data-taks waarbij men digitale aansluitingen op het grondgebied van de gemeente aan een heffing zou kunnen onderwerpen. Deze heffing kan forfaitair zijn en eventueel worden gemoduleerd in functie van het globale dataverbruik binnen de gemeente. Tegen een dergelijke vorm van belasting blijken er momenteel geen echte juridische beletsels te bestaan, behoudens voor wat betreft de aanknoping met het gemeentelijk belang indien de belastingheffing aan het globale dataverbruik zou worden gekoppeld. Stof tot nadenken.
 
 
 

[1] C. FREY en M. OSBORNE, The future of employment. How susceptible are jobs to computerisation?, Department of Enigineering Science, 2013, 72 p.
[2] OESO, Putting faces at the jobs at risk of automation, 2018, Zie: http://www.oecd.org/els/emp/future-of-work/Automation-policy-brief-2018.pdf
[3] WEF, The Future of Jobs, 2018, Zie: http://www3.weforum.org/docs/WEF_Future_of_Jobs_2018.pdf
[4] RvSt, 12 december 1990, FJF, 1991, 27.
[5] Brussel, 24 september 1998, 1995/BD/78.
[6] Best. Dep., Antwerpen, 22 mei 1997.
[7] Omz. Binnen. Aang., 23 maart 1984, De Gem., 1984, 175.
[8] Rb. Antwerpen, 29 januari 2003, LRB, 2003, nr. 2.
[9] Gent, 13 december 2011, LRB, 2012, nr. 1.
[10] Antwerpen, 18 januari 2011, LRB, 2011, nr. 4.
[11] Cass, 19 en 20 september 2013, LRB, 2013, nr 3 en Cass., 24 mei 2012, LRB, 2012, nr. 2 – 3.
[12] Antwerpen, 29 april 2014, LRB, 2014, nr. 2; Gent, 23 oktober 2012, LRB, 2012, nr. 4.
[13] BS, 18 juli 1860.
[14] DE JONCKHEERE M., Handboek lokale en regionale belastingen, Brugge, Die Keure, 2015, 92.
[15] DE JONCKHEERE M., Handboek lokale en regionale belastingen, Brugge, Die Keure, 2015, 97 ev.
[16] Zie om art. 273, 274 en 288 WReg en het KB van 10 december 1996 mbt identiteitsbewijzen
[17] BIPT, Status van de elektronische communicatie- en TV-markt in 2017, Brussel, 2018, 3.
[18] PB L, 108/21, 24 april 2002.
[19] BS, 27 maart 1991.
[20] BS, 18 juli 1860.
[21] Zie HvJ 4 september 2014, C-264/13;  HvJ 6 oktober 2015, C-346/13 en HvJ, 17 december 2015, C-517/13.
[22] Zie eveneens in die zin arresten Fratelli De Pra en SAIV, C‑416/14, EU:C:2015:617, punt 41; Commissie/Frankrijk, C‑485/11, EU:C:2013:427, punten 30, 31 en 34, en Vodafone Malta en Mobile Communications, C‑71/12, EU:C:2013:431, punten 24 en 25.
[23] HvJ, 27 juni 2013, C-485/11.
[24] HvJ, 27 juni 2013, C-71/12.
[25] BS, 27 maart 1991.
[26] BS, 18 juli 1860.
[27] BS, 18 juli 1860.
[28] RvSt., 9 juli 1990, FJF, 1990/212; RvSt, 8 februari 1989, FJF, 1989/118; RvSt, 5 november 1986, APM, 1986, 142.
[29] HvB Antwerpen, 21 juni 2011, LRB, 2011, nr. 4, 69.
[30] RvSt., 23 februari 2000, LRB, nr. 3.
[31] Cass., 10 november 1994, T. Gem., 1995, 363.
[32] Rb. Brugge, 25 februari 2009, LRB, 2009, nr. 2; Gent, 13 december 2005, LRB, 2006, nr. 1.
[33] Gent, 23 oktober 2012, LRB, 2012, nr. 4, 57.
[34] DE JONCKHEERE M., o.c., Brugge, Die Keure, 2015, 72 met verwijzing naar oa Cass., 10 oktober 2008, LRB, 2009, 66; RvSt, 18 maart 2003, LRB, 2003, 90.
[35] DE JONCKHEERE M., o.c., Brugge, Die Keure, 2015, 72 en de aldaar geciteerde rechtspraak.
[36] Zie oa Cass., 8 juni 2006, TFR, 2007, 566; RvSt, 8 februari 1993, FJF, 93/126; Cass., 1 oktober 1975, Arr. Cass., 1976, 145.
[37] RvSt., 8 februari 1993, FJF, 1993/126.
[38] Zie oa Gent, 13 december 2011, LRB, 2012, nr. 1; Rb. Brugge, 9 februari 2009, LRb, 2009, 160; Rb. Namen, 19 november 2008, RGCF, 2009, 163; Brussel, 2 juni 2004, LRB, 2005, nr. 1; Brussel, 5 februari 2004, LRB, 2004, 187; Rb. Antwerpen, 29 januari 2003, LRB, 2003, nr. 2; Gent, 18 april 2002, TFR, 2002, 961.
[39] GwH, 16 februari 2012, TFR, 2012, 881.
[40] Cass., 19 september 2013 en 20 september 2013, LRB, 2013, nr. 3.
[41] Cass., 24 mei 2012, LRB, 2012, nr. 2.
[42] Cass., 13 februari 2014, LRB 2014, nr. 2
[43] Cass. 20 april 2018, nr. F.16.0132.F, LRB 2018, nr. 3, 50.
[44] Gent, 28 oktober 2014, LRB, 2014, nr. 3; Antwerpen, 29 april 2014, LRB, 2014, nr. 2; Gent, 23 oktober 2012, LRB, 2012, nr. 4.
[45] PLETS N., Lokale fiscaliteit: beperkingsbevoegdheid en bevoegdheidsbeperkingen, in Jaarboek Lokale belastingen 1999-2000, Brugge, Die Keure, 2000, 33.
[46] Cass., 12 februari 1981, FJF, 82/84; Cass., 29 oktober 1968, Pas., 1969, I, 255.
[47] GW-Hof, nr 83/2017, 22 juni 2017.