Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de Belgische werkgever voortaan onderworpen aan bedrijfsvoorheffing en ficheverplichting

Binnen multinationals komt het al eens voor dat werknemers of bedrijfsleiders van een Belgische vennootschap vergoedingen ontvangen van een hiermee verbonden buitenlandse vennootschap. Het kan hierbij gaan om betalingen in cash, maar evenzeer om aandelengerelateerde vergoedingen (zoals bijv. Restricted Share Units, Restricted Shares of aandelenopties).
Indien deze vergoedingen worden ontvangen wegens of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid ten behoeve van de Belgische vennootschap, hetgeen in de regel het geval is, gaat het om bezoldigingen die in principe belastbaar zijn in België. Indien de Belgische vennootschap echter niet tussenkomt bij de toekenning van deze bezoldigingen is zij vooralsnog niet verplicht om hierop bedrijfsvoorheffing in te houden, noch om hiervoor een fiche op te maken. Een uitzondering hierop zijn aandelenopties die binnen het toepassingsgebied van de Aandelenoptiewet van 26 maart 1999 vallen waarvoor in hoofde van de Belgische vennootschap een ficheverplichting geldt.

Dit neemt uiteraard niet weg dat deze bezoldigingen door de werknemer of de bedrijfsleider zelf moeten worden aangegeven in de jaarlijkse belastingaangifte zodat zij in België effectief kunnen worden belast. Indien deze bezoldigingen niet spontaan worden aangegeven is het voor de belastingadministratie – gelet op de afwezigheid van een ficheverplichting – echter niet eenvoudig om het bestaan hiervan te achterhalen. Het gebrek aan aangifte hoeft hierbij niet noodzakelijk te wijten te zijn aan kwaad opzet in hoofde van de belastingplichtige. Zeker voor wat betreft bepaalde aandelengerelateerde bezoldigingen, zoals Restricted Share Units en Restricted Shares, is het immers niet altijd even duidelijk of, dan wel wanneer deze voordelen belastbaar zijn (belastbaar tijdstip) en aan welke waarde (belastbare grondslag). De praktijk lijkt ook uit te wijzen dat rond dergelijke alternatieve verloningsvormen heel wat fiscaal gekleurde verhalen de ronde doen.

De wetgever was zich van dit alles klaarblijkelijk bewust en heeft beslist om, met ingang van 1 maart 2019 voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing een wettelijke fictie in te voeren op basis waarvan de Belgische vennootschap zal worden geacht de buitenlandse bezoldigingen zelf te hebben toegekend (nieuw artikel 270, lid 2 WIB92). Hierdoor zal zij verplicht zijn om hierop bedrijfsvoorheffing in te houden en de daarmee samenhangende ficheverplichting na te komen. Voor de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in de periode van 1 januari 2019 t.e.m. 28 februari 2019 moet enkel een fiche worden ingediend (uiterlijk op 29 februari 2020 via elektronische weg).

Ingevolge deze nieuwe fictiebepaling zal de belastingadministratie zicht krijgen op het bestaan van dergelijke buitenlandse bezoldigingen. Op basis van deze informatie zal de belastingadministratie vermoedelijk fiscale controles opstarten. In de veronderstelling dat dergelijke bezoldigingen in het verleden eveneens werden toegekend, zal de belastingadministratie in eerste instantie nagaan of deze bezoldigingen steeds correct werden opgenomen in de vorige belastingaangiftes. Indien dit niet het geval zou zijn, zou de belastingadministratie hieruit kunnen afleiden dat deze bezoldigingen ten onrechte niet werden aangegeven. De belastingadministratie heeft in voorkomend geval  de mogelijkheid om hierover een vraag om inlichtingen te stellen aan de betrokken belastingplichtige t.e.m. inkomstenjaar 2016 (op vandaag). Indien het vermoeden van de belastingadministratie ingevolge het antwoord op deze vraag om inlichtingen zou worden bevestigd en zij van oordeel is dat er binnen dit kader sprake is van een bedrieglijk opzet kan zij haar onderzoekstermijn in principe zelfs uitbreiden t.e.m. inkomstenjaar 2012 (op vandaag). Eventuele fiscale navorderingen kunnen in voorkomend geval worden gesanctioneerd met een belastingverhoging van 50% en worden onderworpen aan retroactieve nalatigheidsinteresten.

Zolang een belastingplichtige echter niet schriftelijk in kennis wordt gesteld van een lopend fiscaal onderzoek heeft hij/zij de mogelijkheid om eventuele fiscale tekortkomingen recht te zetten middels een fiscale regularisatieprocedure. De huidige tarieven voor de regularisatie van niet-verjaarde beroepsinkomsten zijn echter niet min, aangezien hiervoor een tariefverhoging van 24% (op vandaag) wordt toegepast op de normale progressieve belastingtarieven.  Hierdoor zal de regularisatieheffing al snel oplopen tot 74% van de niet-aangegeven beroepsinkomsten. Fiscaal verjaarde beroepsinkomsten zijn dan weer onderworpen aan een regularisatieheffing van ‘slechts’ 39% (op vandaag).

Voor meer informatie omtrent dit onderwerp of voor bijstand bij een eventuele fiscale controle of regularisatie kan u steeds contact opnemen met Bloom Law.

Mark Delanote en Pieterjan Smeyers
Advocaten Bloom Law Firm