Na een kromme uitspraak volgt voortaan een rechtzetting

Bezwaar Fiscale Actualiteit nr. 2018/18, pag. 5-8, week 17 - 23 mei 2018 Een beslissing van de adviseur-generaal over een bezwaar is niet langer onherroepelijk. De belastingplichtige kan voortaan formeel vragen om een negatieve beslissing over zijn bezwaarschrift te herzien. De wetgever wil daarmee de kans verkleinen dat evidente zaken toch voor de rechter belanden. Maar de vraag blijft of zo'n nieuwe procedure veel nut heeft (wet van 15 april 2018, BS 20 april 2018).
In het administratief recht kan een onrechtmatige administratieve rechtshandeling steeds worden ingetrokken zolang de mogelijkheid bestaat dat ze door een rechtbank wordt vernietigd. Daardoor kan de overheid er – in het algemeen belang – op toezien dat een door haar genomen onwettige beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt. Om de rechten die een burger uit een bestuurlijke beslissing put, zoveel mogelijk te vrijwaren, wordt die mogelijkheid steeds beperkt in de tijd. Als een beslissing wordt ingetrokken, komen de betrokkenen opnieuw terecht in de positie waarin ze zich bevonden vooraleer de eerste beslissing werd genomen en wordt de ingetrokken beslissing geacht nooit te hebben bestaan. Tevens verdwijnen de juridische gevolgen van die beslissing.


Iedereen kan zich vergissen


De beslissingen van de fiscus zijn in principe ook onderworpen aan die regels van het administratief recht. Men zou daaruit dus kunnen afleiden dat ook beslissingen over bezwaarschriften intrekbaar zijn. Maar tot nu toe was dat in de praktijk niet zo. De fiscus leidde uit het begrip “onherroepelijk” in artikel 375, § 1, lid 2 WIB 92 namelijk af dat de beslissing van de adviseur-generaal over een bezwaarschrift niet kan worden ingetrokken. Daarvoor baseerde de fiscus zich ook op een arrest van het Hof van Cassatie van 8 juni 1938 (Cass. 8 juni 1938, Pas. I, 197).

Dat standpunt van de fiscus had tot gevolg dat geschillen tussen de burgers en de administratie anders werden behandeld naargelang het geschil betrekking had op de beslissing van de belastingadministratie, dan wel op die van een andere federale administratie.

Enkele jaren geleden al werd in het parlement een wetsvoorstel ingediend om die situatie recht te trekken (Parl. St. Kamer BZ 2014, nr. 54-201/1). Bedoeling was om expliciet in de wet te zetten dat een intrekking in fiscale zaken wel degelijk mogelijk was. Daarmee zou meteen ook uitvoering worden gegeven aan een aanbeveling van de Federale Ombudsman.
Tijdens de besprekingen in de Kamercommissie merkte de minister van Financiën wel op dat er toch verduidelijkingen nodig waren. De minister leek zich vooral te bekommeren over de vraag wie het initiatief tot intrekking moet nemen (ambtshalve of op verzoek van de belastingplichtige) en wat dan de specifieke bevoegdheid zou zijn van de adviseur-generaal. Hoewel het niet met zoveel worden werd gezegd, kan worden aangenomen dat de minister het moeilijk verteerbaar vond dat een voor de belastingplichtige positieve beslissing alsnog zou kunnen worden ingetrokken (waarbij een ‘afgesloten bezwaarprocedure’ als het ware zou worden heropend).

De indieners van het wetsvoorstel hadden oor naar die kritiek, wat hen ertoe bracht hun eigen wetsvoorstel te amenderen (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-201/5). Dat leidde uiteindelijk tot de wet van 15 april 2018 tot wijziging van artikel 375 WIB 92 (BS 20 april 2018, 2e ed.) (nieuwe § 1/1 in art. 375).
 

Bijkomende bezwaarprocedure


Van ‘intrekking’ is in de uiteindelijke versie geen sprake meer. In de plaats daarvan is geopteerd voor een ‘rechtzetting’ van een reeds genomen beslissing. In wezen komt dat neer op een bijkomende bezwaarprocedure.

Concreet houdt de regeling in dat de belastingschuldige (of diens echtgenoot), met betrekking tot beslissingen over een bezwaarschrift dat is genomen vanaf 1 mei 2018, voortaan schriftelijk en gemotiveerd aan de adviseur-generaal kan verzoeken om zijn initiële beslissing recht te zetten. Dat verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag na de verzending van de kennisgeving van de beslissing.

Uit de voorbereidende werkzaamheden (nr. 54-201/5, 5) blijkt dat deze nieuwe administratieve procedure is gericht op evidente fouten in de beslissing over een bezwaarschrift (die in sommige gevallen zelfs door de fiscus worden erkend). Om te vermijden dat in zo'n situatie een rechtsvordering zou moeten worden ingesteld om vervolgens akkoordconclusies voor te leggen aan de rechtbank, kan voortaan dus een verzoek tot rechtzetting worden ingediend. Daaruit volgt (blijkens de verantwoording) dat de motieven die de belastingplichtige aanhaalt in het verzoek tot rechtzetting, moeten zijn gericht tegen de genomen beslissing. Dat is in tegenstelling tot de motieven in het bezwaarschrift, die gericht zijn tegen de aanslag. Het zou daarbij zowel kunnen gaan om een rechtzetting van materiële fouten als om een feitelijke beoordeling. Als voorbeeld wordt het geval aangehaald van een gewestelijk directeur die een bezwaarschrift ten onrechte als laattijdig bestempelt (nr. 54-201/5, 6).
 

Beperkt of ruim toepassingsgebied?


Bij een dergelijke beperkte omschrijving van het toepassingsgebied kunnen toch vraagtekens worden geplaatst. Het lijkt ons alvast evident dat de rechtzetting niet enkel een rechtzetting impliceert van de reeds genomen beslissing, maar noodgedwongen ook een herbeoordeling van de gevestigde aanslag met zich meebrengt. Als bijvoorbeeld na rechtzetting blijkt dat de aanslag toch vernietigd moet worden, kan men moeilijk voorhouden dat de rechtzetting enkel zou raken aan de initiële beslissing.

Voorts is van die beperkte omschrijving van het toepassingsgebied (zogenaamde “evidente” fouten in de beslissing over het bezwaar) geen spoor te bekennen in de uiteindelijke wettekst. In de wettekst wordt in dat verband enkel gesteld dat de aangevoerde grieven betrekking moeten hebben op de genomen beslissing. Dat is zeer ruim geformuleerd. Uiteindelijk zal iedereen die zich niet wil neerleggen bij een beslissing, wel in staat zijn de nodige grieven tegen die beslissing te formuleren (zelfs als de grieven in wezen raken aan de aanslag zelf, maar niettemin te maken hebben met zaken die van de adviseur-generaal een feitelijke of zelfs juridische beoordeling vergden). Zo kan het in wezen al volstaan om niet rechtstreeks de aanslag zelf (opnieuw) te betwisten (zoals wel in het bezwaarschrift gebeurt), maar eenvoudigweg uit te leggen waarom de adviseur-generaal foutief zou hebben beslist over de in de bezwaarfase aangevoerde grieven. Ten gronde komt dat uiteraard op hetzelfde neer, maar de grief is in dat laatste geval wel gericht tegen de beslissing zelf (en treft m.a.w. de wijze waarop de adviseur-generaal de zaak heeft beoordeeld).

Dat neemt niet weg dat de wetgever ook geëxpliciteerd heeft dat het verzoek tot rechtzetting wel “gemotiveerd” moet zijn. Dat betekent dat er minstens één gerichte (al dan niet terechte) kritiek wordt geformuleerd op de inhoud van de beslissing over het bezwaar. De rechtzettingsprocedure lijkt ons dan ook geen mogelijkheid te bieden om werkelijk nieuwe grieven tegen de aanslag zelf op te werpen. Ook een verzoek tot rechtzetting waarin de argumenten uit het initiële bezwaar eenvoudigweg worden herhaald, zou vanuit die vereiste als niet-gemotiveerd en dus onontvankelijk kunnen worden beschouwd.

Dat houdt tevens een gevaar in. Want als de oorspronkelijke termijn van drie maanden (te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaar) uit artikel 1385undecies Ger. W. inmiddels zou zijn verstreken, zou mogelijk geen vordering in rechte meer kunnen worden ingesteld.
Ondanks het ogenschijnlijk ruime toepassingsgebied, lijkt het dus aan te raden om de nieuwe procedure vooral te gebruiken waarvoor zij in wezen is bedoeld, namelijk de rechtzetting van evidente fouten in de beslissing over het bezwaarschrift, temeer daar een herbeoordeling door dezelfde adviseur-generaal van de reeds in bezwaar aangevoerde grieven allicht toch geen soelaas zal bieden.
 

Ook nieuwe beslissing kan aangevochten worden voor rechter


De adviseur-generaal moet gemotiveerd uitspraak doen over de aangevoerde grieven en kan zijn oorspronkelijke beslissing eventueel geheel of gedeeltelijk rechtzetten. De nieuwe beslissing van de adviseur-generaal zal bij aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de belastingschuldige. Tegen die beslissing kan vervolgens een vordering in rechte worden ingesteld binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving. Die termijn mag wel niet korter zijn dan de oorspronkelijke termijn van drie maanden die loopt vanaf de kennisgeving van de beslissing over het bezwaarschrift (nieuw art. 1385undecies lid 5 Ger.W.). Als de beslissing over het verzoek tot rechtzetting te lang op zich zou laten wachten, kan de belastingplichtige steeds een vordering in rechte instellen, en wel al na het verstrijken van een maand vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot rechtzetting. Vooralsnog schrijft de wet niet expliciet voor dat aan de belastingplichtige een ontvangstbewijs wordt uitgereikt (art. 376quater WIB 92 blijft beperkt tot bezwaarschriften en verzoeken tot ambtshalve ontheffing). Dat is allicht een vergetelheid van de wetgever. In afwachting van een wetgevend ingrijpen, kan enkel maar verhoopt worden dat de fiscus zelf spontaan ontvangstbewijzen zal uitreiken. In ieder geval vraagt de belastingplichtige zelf best expliciet in zijn verzoek aan de fiscus om hem de datum van ontvangst mee te delen.

Het verzoek tot rechtzetting wordt in de verantwoording uitdrukkelijk gekwalificeerd als een willig beroep (nr. 54-201/5). Dat wil zeggen (ondanks het toch wel strikt georganiseerde karakter van dit ‘beroep’) dat de belastingschuldige niet verplicht is om het nieuwe administratief beroep uit te putten vooraleer hij een vordering in rechte kan instellen. Hij is dus niet verplicht om een verzoek tot rechtzetting in te dienen vooraleer hij naar de rechtbank kan stappen. Maar van zodra hij een vordering in rechte heeft ingesteld, zal een eventueel later verzoek tot rechtzetting onontvankelijk zijn (en wordt op een hangend verzoek vanzelfsprekend niet meer ingegaan). Voorts zal hij (zoals gezegd) minstens een maand geduld moeten hebben na de indiening van het verzoek vooraleer hij (spontaan en bij gebrek aan beslissing) naar de rechtbank kan stappen.
 

Toegevoegde waarde?


In de voorbereidende werken (Parl. St. Kamer BZ 2014, 54-201/1, 4) wordt vermeld dat deze nieuwe procedure tot gevolg heeft dat de belastingschuldige zich voortaan in ieder geval op een nuttige wijze zal kunnen richten tot de federale ombudsman, voor een alternatieve geschillenbeslechting, ook nog nadat de adviseur-generaal een beslissing heeft genomen over een bezwaarschrift. Voorheen weigerden de adviseurs-generaal steevast gevolg te geven aan een oproep van de federale ombudsman om een beslissing in te trekken (omdat ze vonden dat die onherroepelijk was), zelfs al erkenden zij dat de bewuste beslissing fout was. Wellicht wil de wetgever daarmee de parallelle samenwerking aanmoedigen tussen de adviseur-generaal die zich moet buigen over de beslissing tot rechtzetting, en de Federale Ombudsman.

Dat men binnen de fiscale procedure nadenkt over vormen van alternatieve geschillenbeslechting, is op zich een goede zaak. Het komt wel zeer bevreemdend (wereldvreemd) over dat de wetgever in deze het bestaan en de werking van de Fiscale Bemiddelingsdienst onvermeld laat. Het komt ons overigens voor dat die dienst een sleutelrol had kunnen spelen (zeker vanuit de premisse dat er “evidente fouten” moeten worden rechtgezet). Maar voorlopig ziet het ernaar uit dat de bemiddelingsdienst niet zal kunnen bemiddelen tijdens de behandeling van een verzoek tot rechtzetting van een beslissing over een bezwaar. Aan de rol van de dienst komt blijkbaar nog steeds een einde op het moment dat de adviseur-generaal (voor de eerste keer) beslist over het bezwaar.

Meer in het algemeen rijst overigens de vraag of een dergelijke bis-procedure wel nuttig en opportuun is. Zoals gezegd lijkt de procedure maar in een beperkt aantal gevallen een kans op slagen te hebben. Zeker wat betwistingen ten gronde betreft (waarvoor de wet, ondanks de ruime bewoordingen van de wettekst, in wezen niet bedoeld is), zal deze procedure o.i. een maat voor niets zijn en een onnodige verzwaring van de administratieve molen bewerkstelligen. Niet alleen is er al een administratieve beslissing geveld. Men mag voorts niet vergeten dat ook vóór de vestiging van de aanslag doorgaans al schriftelijk standpunten waren uitgewisseld. Als de fiscus – na al die geschriften – nog niet overtuigd is van het gelijk van de belastingschuldige, is de kans op een kentering in het kader van een rechtszettingsprocedure uiteraard klein.

Overigens, in de plaats van telkenmale ad hoc bepaalde specifieke procedures in te stellen, zou de wetgever zich misschien beter beraden over de vraag of er niet één duidelijke procedure moet komen op basis waarvan kennelijk onrechtmatige aanslagen, waarvoor de normale proceduremiddelen zijn uitgeput, kunnen worden kwijtgescholden of vernietigd, zeker als de belastingschuldige gegronde redenen en/of bijzondere omstandigheden kan aanvoeren. Allicht kan de Fiscale Bemiddelingsdienst ook daarbij een belangrijke rol spelen. Benieuwd of de wetgever een dergelijke nobele uitdaging durft aan te gaan.
 
Pieterjan Smeyers
Bloom Law

Mark Delanote
Bloom Law UGent Vrije Universiteit Brussel




© 2018 Wolters Kluwer Belgium N.V. - www.monkey.be
Datum 1/06/2018