Hervorming vennootschapsbelasting: drastische vermindering van de globable belastingdruk voor KMO’s

Door de recente verlaging van het tarief in de vennootschapsbelasting, in combinatie met de verlaagde roerende voorheffing, kunnen KMO’s hun winst voortaan uitkeren aan hun particuliere aandeelhouders onder een globale belastingdruk van ongeveer 31%. Dit zeggen Denis-Emmanuel Philippe en Pieterjan Smeyers, advocaten bij Bloom Law Firm.
 
  1. Verlaging van de tarieven in de vennootschapsbelasting
 
Sinds 1 januari 2018 is het basistarief in de vennootschapsbelasting gedaald van 33% naar 29%. Vanaf 1 januari 2020 zal het basistarief verder dalen tot 25%. KMO’s kunnen bovendien onder bepaalde voorwaarden genieten van een specifiek tarief van 20% op hun belastbare grondslag t.e.m. 100.000 EUR.
 
Terwijl het KMO-tarief voorheen enkel kon worden toegepast door een vennootschap waarvan het belastbare inkomen niet meer dan 322.500 EUR bedroeg, wordt het nu opengesteld voor elke kleine vennootschap op haar belastbare grondslag t.e.m. 100.000 EUR. Op de belastbare grondslag boven 100.000 EUR zal het basistarief in de vennootschapsbelasting worden toegepast. Of een vennootschap kan worden beschouwd als een kleine vennootschap hangt af van het aantal personeelsleden dat wordt tewerkgesteld (maximaal 50), van de jaaromzet (maximaal 9 miljoen EUR, excl. btw) en van het balanstotaal (maximaal 4,5 miljoen EUR). Enkel indien meer dan één van deze criteria wordt overschreden, zal een vennootschap niet kunnen worden beschouwd als een kleine vennootschap.
 
Om te kunnen genieten van het KMO-tarief moet de kleine vennootschap in principe aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een minimumbezoldiging toekennen van 45.000 EUR. Indien het belastbaar resultaat van de vennootschap vóór toekenning van de bezoldiging echter minder dan 90.000 EUR bedraagt, volstaat het dat minimaal de helft van dat resultaat wordt toegekend als bezoldiging. Deze voorwaarde is niet van toepassing gedurende de eerste vier boekjaren vanaf de oprichting van de vennootschap.
 
Bepaalde vennootschappen worden expliciet uitgesloten van het KMO-tarief (o.a. beleggings- en financiële vennootschappen).
 
2. Verhoging van de tarieven in de roerende voorheffing
 
Het basistarief in de roerende voorheffing is sinds 1 januari 2017 echter (nogmaals) gestegen. Een dividend dat door een Belgische vennootschap wordt uitgekeerd aan haar particuliere aandeelhouder is sindsdien in principe onderworpen aan een roerende voorheffing van 30%.
 
De winst die door een kleine vennootschap wordt uitgekeerd aan een particuliere aandeelhouder zal hierdoor in principe een globale belastingdruk van ongeveer 44% ondergaan. Deze globale belastingdruk kan dalen door gebruik te maken van diverse fiscale aftrekken (DBI-aftrek, aftrek voor risicokapitaal,...).
 
Kleine vennootschappen (en hun aandeelhouders) kunnen onder bepaalde voorwaarden echter genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing, waardoor de globale belastingdruk veel lager kan uitvallen. Concreet gaat het om zogenaamde VVPRbis-dividenden en VVPRter-dividenden (Verlaagde Voorheffing/Précompte Réduit).
 
VVPRbis-dividenden komen voort uit nieuwe aandelen op naam die vanaf 1 juli 2013 worden uitgegeven door een kleine vennootschap in ruil voor een inbreng in geld. Deze dividenden kunnen na een wachtperiode van vier jaar in principe genieten van een roerende voorheffing van slechts 15%. Hierdoor zal de globale belastingdruk op de winst die door deze vennootschap wordt uitgekeerd aan een particuliere aandeelhouder dalen tot ongeveer 32%.
 
De heer Peeters beslist om dit jaar een kleine vennootschap op te richten onder de hogervermelde voorwaarden. Tijdens het eerste boekjaar realiseert zijn vennootschap een winst van 80.000 EUR. Hierop zal 16.320 EUR (20,4%) aan vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Indien de winst na belastingen in 2022 wordt uitgekeerd aan de heer Peeters zal hierop nog 9.552 EUR (15%) aan roerende voorheffing worden ingehouden. Dit resulteert in een globale belastingdruk van 32,34% ([16.320 + 9.552] / 80.000).
 
VVPRter-dividenden komen voort uit een liquidatiereserve die door elke kleine vennootschap kan worden aangelegd. Dit houdt in dat de vennootschap een gedeelte of het geheel van haar boekhoudige winst na belastingen overboekt naar een afzonderlijke passiefrekening. Op deze liquidatiereserve zal een afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting van 10% worden gevestigd. De dividenden die voortkomen uit deze liquidatiereserve kunnen na een wachtperiode van vijf jaar in principe genieten van een roerende voorheffing van slechts 5%. Hierdoor zal de globale belastingdruk op de winst die door deze vennootschap wordt uitgekeerd aan een particuliere aandeelhouder dalen tot ongeveer 31%. Indien de dividenduitkering plaatsvindt naar aanleiding van de liquidatie van de vennootschap zal zij zelfs volledig kunnen worden vrijgesteld van roerende voorheffing.
 
De heer Janssen heeft reeds vóór 1 juli 2013 een kleine vennootschap opgericht. Tijdens het huidige boekjaar realiseert zijn vennootschap een winst van 80.000 EUR. Hierop zal 16.320 EUR (20,4%) aan vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. De winst na belastingen wordt overgeboekt naar een liquidatiereserve. Na betaling van de afzonderlijke aanslag van 10% (5.789,09 EUR) zal deze liquidatiereserve 57.890,91 EUR bedragen. Indien deze liquidatiereserve vanaf 1 januari 2024 wordt uitgekeerd aan de heer Janssen zal hierop nog 2.894,55 EUR (5%) aan roerende voorheffing worden ingehouden. Dit resulteert in een globale belastingdruk van 31,25% ([16.320+5.789,09+2.894,55] / 80.000). 
 
3. Conclusie
 
De verlaging van de tarieven in de vennootschapsbelasting zal voor de meeste vennootschappen resulteren in een lagere belastingdruk. Ondanks de recente verhoging van het basistarief in de roerende voorheffing, is het voor KMO’s belangrijk om te weten dat zij de globale belastingdruk onder bepaalde voorwaarden verder drastisch kunnen verminderen. 
 
Denis-Emmanuel Philippe en Pieterjan Smeyers
Advocaten Bloom Law Firm