Hervorming vennootschapsbelasting: wat betekent dit concreet voor u?

13/09/2017 | Fiscaal
In het kader van het zogenaamde Zomerakkoord kondigde de regering (o.m.) een drastische hervorming van de vennootschapsbelasting aan. Over deze hervorming werd reeds uitgebreid gerapporteerd in de media. In deze nieuwsbrief wensen wij nader toe te lichten wat deze hervorming concreet voor u kan betekenen.

1. Tariefwijzigingen in de vennootschapsbelasting


De absolute blikvanger binnen het kader van het Zomerakkoord, is zonder twijfel de verlaging van het belastingtarief in de vennootschapsbelasting van 33,99% naar 25%. Kleine en middelgrote vennootschappen zullen bovendien nog steeds kunnen genieten van een specifiek KMO-tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 EUR.
 
Basistarief in de vennootschapsbelasting
In een eerste fase zal het basistarief in de vennootschapsbelasting vanaf 2018 dalen van 33% naar 29%. Tegelijkertijd zou de aanvullende crisisbijdrage worden verminderd tot 2%, waardoor het nominale tarief zou dalen van 33,99% tot 29,58%.
 
In een tweede fase zou het basistarief vanaf 2020 verder dalen tot 25% en wordt de aanvullende crisisbijdrage tot 0% herleid.
 
Verlaagde KMO-tarief
Momenteel kunnen vennootschappen waarvan het belastbare inkomen niet meer dan 322.500 EUR bedraagt onder de voorwaarden opgesomd in artikel 215, lid 3 WIB92 genieten van een verlaagd, opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting, gaande van 24,5% op de eerste schrijf van 25.000 EUR, 31% op de schijf van 25.000 EUR tot 90.000 EUR en 34,5% op de schijf van 90.000 EUR tot 322.500 EUR (artikel 215, lid 2 WIB92). Dit is het zogenaamde KMO-tarief. Deze tarieven moeten nog worden verhoogd met de aanvullende crisisbijdrage van 3%.
 
Het KMO-tarief zal vanaf 2018 worden vervangen door een nieuw uniform tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 EUR aan belastbaar inkomen. In 2018 en 2019 zal dit tarief nog moeten worden verhoogd met de aanvullende crisisbijdrage van 2%. Op het belastbaar inkomen boven 100.000 EUR zal het basistarief in de vennootschapsbelasting worden toegepast.
 
De beperking van het KMO-tarief tot vennootschappen waarvan het belastbare inkomen niet meer dan 322.500 EUR bedraagt, zou worden geschrapt. In plaats daarvan zou elke ‘kleine vennootschap’ in de zin van artikel 15, §1 - §6 W.Venn vanaf 2018 kunnen genieten van het KMO-tarief. Hiermee worden – kort samengevat – vennootschappen bedoeld die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één der volgende criteria overschrijden (voor verbonden vennootschappen te bekijken op geconsolideerde basis) :
 
  1. jaargemiddelde van het personeelsbestand : 50
  2. jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde : 9 000 000 EUR
  3. balanstotaal : 4 500 000 EUR
 
Voorlopig is het onduidelijk of een vennootschap vanaf 2018 daarnaast nog steeds zal moeten voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 215, lid 3 WIB92 om te kunnen genieten van het KMO-tarief. Het staat wel vast dat de vennootschap hiertoe aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een minimumbezoldiging moet toekennen ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk. Deze minimumbezoldiging bedraagt momenteel 36.000 EUR, maar zou vanaf 2018 stijgen tot 45.000 EUR (of minimaal het belastbaar inkomen van de vennootschap indien de bezoldiging kleiner is dan 45.0000 EUR).
 
Bijzondere aanslag
Vanaf 2018 zullen vennootschappen ook kunnen worden onderworpen aan een nieuwe bijzondere aanslag van 10%. Deze bijzondere aanslag zal samenhangen met de hogervermelde minimumbezoldiging van 45.000 EUR die ten minste aan één bedrijfsleider moet worden toegekend. De bijzondere aanslag zal verschuldigd zijn in de mate dat deze minimumbezoldiging niet wordt toegekend (m.u.v. startende vennootschappen gedurende de eerste vier jaar na de oprichting).
 
Met de stijging van de minimumbezoldiging om te kunnen genieten van het verlaagde KMO-tarief, in combinatie met de nieuwe bijzondere aanslag van 10%, wil men vermijden dat eenmanszaken massaal zouden worden omgevormd tot vennootschappen. De verlaging van het belastingtarief in de vennootschapsbelasting kan immers voor veel ondernemers de doorslag geven om voortaan via een vennootschap te gaan werken. Hierbij mag men echter niet uit het oog verliezen dat de verlaging van het belastingtarief in de vennootschapsbelasting gepaard gaat met een aantal compenserende maatregelen, waaronder de verhoging van het basistarief in de roerende voorheffing tot 30%.
 
Basistarief in de roerende voorheffing
De verhoging van het basistarief in de roerende voorheffing – die reeds in werking is getreden met ingang van 1 januari 2017 – zal vanaf 2018 immers resulteren in de volgende globale belastingdruk voor winsten die door een vennootschap door middel van een dividend worden uitgekeerd aan een aandeelhouder/natuurlijke persoon (inclusief de aanvullende crisisbijdrage) :
 
  2018 2020
 KMO (kleine vennootschap)
 (op de eerste schijf van 100.000 EUR)
44,28% 44%
 Grote vennootschap 50,71% 47,5%
 
 
Bepaalde dividenduitkeringen kunnen echter genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing waardoor de globale belastingdruk uiteraard lager zal uitvallen.
 
VVPRbis
Dividenden die worden uitgekeerd door kleine vennootschappen (in de zin van artikel 15, §1 - §6 W.Venn.) die vanaf 1 juli 2013 zijn opgericht of waarin vanaf 1 juli 2013 een kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden, kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing (artikel 269, §2 WIB92). Het tarief bedraagt 20% vanaf het tweede boekjaar en 15% vanaf het derde boekjaar na de inbreng. Voor bestaande vennootschappen waarin een dergelijke kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden, is het verlaagde tarief uiteraard slechts van toepassing op de dividenden voor de corresponderende aandelen.
 
De eventuele toepassing van dit verlaagde tarief in de roerende voorheffing zal vanaf 2018 resulteren in de volgende globale nominale belastingdruk (in onderstaande tabel wordt uitgegaan van de hypothese dat de winsten vallen onder de nieuwe tarieven, zoals van toepassing vanaf 2018):
 
 VVPRbis 
 
 Uitkering
2018-2019
(Ven.B.: 20,4%)
2020 e.v.
(Ven.B.: 20%)
 Tijdens eerste boekjaar (RV 30%) 44,28% 44,00%
 Tijdens tweede boekjaar (RV 20%) 36,32% 36,00%
 Vanaf derde boekjaar (RV 15%) 32,34% 32,00%
 
 
Liquidatiereserves
Dividenden die worden uitgekeerd door kleine vennootschappen komen daarnaast ook in aanmerking voor een verlaagd tarief in de roerende voorheffing in de mate dat zij voortkomen uit een liquidatiereserve (artikel 184quater WIB92). Het aanleggen van een liquidatiereserve is onderworpen aan een afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting van 10%. Indien deze reserves na een wachtperiode van vijf jaar worden uitgekeerd zal op deze uitkering nog slechts een roerende voorheffing van 5% verschuldigd zijn. Indien deze wachtperiode niet wordt gerespecteerd, zal een roerende voorheffing van 17% verschuldigd zijn indien deze reserves zijn aangelegd vóór 1 januari 2017 en van 20% indien deze reserves zijn aangelegd vanaf 1 januari 2017. Indien de uitkering plaatsvindt naar aanleiding van de liquidatie van de vennootschap zal zij volledig worden vrijgesteld van roerende voorheffing (zonder wachtperiode), onder voorbehoud van de toepassing van de antimisbruikbepaling (artikel 344,§1 WIB92).
 
 Liquidatiereserve  
 Uitkering Reserves aangelegd in Globale belastingdruk
 Tijdens wachttermijn (RV 20%) 2018-2019 (Ven.B.: 20,4%) 42,11%
  2020 e.v. (Ven.B.: 20%) 41,82%
 Na wachttermijn (RV 5%) 2018-2019 (Ven.B.: 20,4%) 31,26%
  2020 e.v. (Ven.B.: 20%) 30,91%
 
 
Uit voorgaande overzichten blijkt dat de globale belastingdruk het minst bedraagt voor dividenden die voortkomen uit een liquidatiereserve na het verstrijken van de wachttermijn. Het aanleggen van een liquidatiereserve heeft echter enkele nadelen in vergelijking met het VVPRbis-tarief. Indien men een liquidatiereserve aanlegt, is het immers niet zeker dat men deze ooit zal kunnen uitkeren. De uiteindelijke liquidatiebonus kan immers lager uitvallen dan de aangelegde liquidatiereserve. De anticipatieve heffing van 10% werd wel reeds werd voldaan en kan niet worden gerecupereerd. Bovendien moet steeds een wachtperiode van vijf jaar worden gerespecteerd.
 
Vastgeklikte reserves
Tot slot kan nog kort worden verwezen naar het systeem van de vastgeklikte reserves (artikel 537 WIB92). Dit is een aflopend systeem waarvan zowel kleine als grote vennootschappen in 2013 en 2014 gebruik konden maken om hun bestaande reserves op te nemen in hun kapitaal, mits betaling van een roerende voorheffing van 10%. De latere uitkeringen van deze reserves kunnen nog steeds genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing of zelfs van een volledige vrijstelling, afhankelijk van het ogenblik van de uitkering en de grootte van de vennootschap. Vennootschappen die hun boekhouding per kalenderjaar voeren, kunnen hierdoor genieten van de volgende tarieven in de roerende voorheffing :
 
  2017 2018 2020 2021 2022 2023
 Kleine vennootschap 5% 0% 0% 0% 0% 0%
 Grote vennootschap 17% 10% 10% 5% 5% 0%
 
 
De hervormingen hebben geen impact op dit stelsel, dat per definitie uitdovend zal zijn.
 

2. Beperking van diverse fiscale aftrekposten

 
Daarnaast zal de verlaging van het basistarief in de vennootschapsbelasting eveneens worden gecompenseerd door de beperking van een aantal fiscale aftrekposten. Deze beperkingen zullen vooral een invloed hebben op grote vennootschappen.
 
Minimumbelasting
De minimumbelasting houdt verband met de invoering van een gelimiteerde fiscale korf voor de aftrek van vorige verliezen, de notionele interestaftrek (zowel de overgedragen alsook de nieuwe), de overgedragen DBI-aftrek en de overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten. Deze aftrekken worden allemaal opgenomen in één fiscale korf, waarvan het bedrag 100% aftrekbaar is tot het gelimiteerde bedrag van 1 miljoen euro. Bedraagt de korf meer dan één miljoen euro, dan zal het overschrijdende gedeelte slechts voor 70% aftrekbaar zijn. Of anders gezegd, boven het bedrag van 1 miljoen euro, bedraagt de belastbare grondslag steeds 30%, dit op een tarief van 25% vanaf 2020.  Op deze manier komt men aan een minimale belasting van 7,5% (30% van 25%) indien de winst meer dan 1 miljoen euro bedraagt. Merk op dat de verliezen van het boekjaar, alsook de DBI-aftrek van het boekjaar, volledig aftrekbaar blijven.
 
Stel dat de winst van het boekjaar van een vennootschap 1,5 miljoen euro is en dat de overgedragen verliezen 1,5 miljoen euro bedragen. In het huidige systeem is er in dergelijke situatie geen belastbare grondslag. 
 
In het nieuwe systeem, dient men de fiscale korf (zijnde 1,5 miljoen euro overgedragen verliezen) uit te splitsen als volgt:
 
  • 1 miljoen euro volledig aftrekbaar;
  • Het overschrijdende gedeelte van een half miljoen euro (1,5 miljoen euro overgedragen verliezen min de eerste schrijf van 1 miljoen euro) is voor 70% (zijnde 350.000 euro) aftrekbaar.
     
Anders gezegd, de minimale belastbare grondslag over het overschrijdende gedeelte van de fiscale korf (zijnde een half miljoen) is 30%, waarop vanaf 2020 een belastingtarief van 25% zal toegepast worden. 
 
De minimumbelasting bedraagt dus 7,5 % van het overschrijdende gedeelte van een half miljoen, zijnde 37.500 euro.  De minimumbelasting geldt in principe enkel voor vennootschappen met een belastbare winst hoger dan één miljoen euro. 
 
Het gedeelte dat de limieten van de fiscale korf overschrijdt (zijnde 30% boven het miljoen euro) gaat echter niet verloren, maar wordt opnieuw overgedragen naar het volgende jaar. Voor ons cijfervoorbeeld betekent dit concreet dat de vennootschap die een overgedragen verlies van anderhalf miljoen euro heeft, slechts 1.350.000 euro mag van aftrekken van de belastbare winst. Het resterende gedeelte van 150.000 euro behoudt zij als overgedragen verlies, en mag zij het jaar nadien in aftrek nemen (mits de grenzen van de fiscale korf gerespecteerd worden). 
 

3. Roerende voorheffing bij kapitaalvermindering

 
Een andere belangrijke maatregel heeft betrekking op kapitaalverminderingen.
 
Binnen de huidige regelgeving kan een aandeelhouder het vermogen dat hij in zijn vennootschap inbrengt, middels kapitaalvermindering fiscaal neutraal terugnemen. Dit principe is logisch, nu een kapitaalvermindering op generlei wijze een inkomst in hoofde van de aandeelhouder uitmaakt, maar uitsluitend een terugbetaling van geïnvesteerde kapitalen vormt. 
 
Voormeld principe wijzigt met ingang van 1 januari 2018.
 
Voortaan wordt de kapitaalvermindering aan roerende voorheffing onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves (pro-rata opdeling). Het gedeelte van de kapitaalvermindering toegerekend op werkelijk gestort kapitaal blijft onbelast.
 
Er wordt enkel aangerekend op belaste reserves en gestort kapitaal (en belaste reserves in kapitaal), belastingvrije reserves blijven zoveel mogelijk ongemoeid. Een kapitaalvermindering mag er in de regel niet toe leiden dat men hiervoor verplicht belastingvrije reserves moet laten taxeren. Dat laatste zal enkel het geval zijn als een kapitaalvermindering het totaal aan kapitaal en belaste reserves zou overstijgen.
 
Het voorgaande geldt onverminderd de toepassing van artikel 537 WIB92.
 
België haalt hiervoor de mosterd in Luxemburg waar deze regel zelfs nog strenger is.
 
De pro rata opdeling wordt derhalve via de volgende regel berekend: 
 
Bedrag van de belaste reserves
Bedrag van het fiscaal gestort kapitaal + belaste reserves
 
 
Volgens onze informatie worden alle belaste reserves in rekening genomen voor de berekening van de belastbare basis (ook de niet in het kapitaal geïncorporeerde reserves). 
 
Het gedeelte van de kapitaalvermindering dat op de belaste reserves wordt aangerekend, wordt geherkwalificeerd in een dividenduitkering, hetwelk volgens artikel 269 WIB92 aan een roerende voorheffing van 30% onderworpen is. 
 
Stel dat mijnheer De Langhe een familiebedrijf oprichtte waarvan het fiscaal gestort kapitaal 5 miljoen EUR bedraagt.  Doorheen de jaren werden in de vennootschap belaste reserves opgebouwd, dewelke heden 10 miljoen EUR bedragen.  Mijnheer De Langhe beslist een kapitaalvermindering van 1 miljoen EUR door te voeren. Het gedeelte van de kapitaalvermindering dat in een dividend geherkwalificeerd wordt, is het volgende:
 
10.000.000 EUR                            = 66%
(5.000.000 EUR + 10.0000 EUR)
 
De kapitaalvermindering van 1 miljoen EUR zal voor 66%, zijnde voor een bedrag van 666.666 EUR aan roerende voorheffing onderworpen worden.  Op dit gedeelte dient een roerende voorheffing van 30% (zijnde in casu van 200.000 EUR) afgedragen te worden.  Het gedeelte van de kapitaalvermindering toegerekend op het werkelijk gestort kapitaal, zijnde 333.333 EUR blijft onbelast
 
Voormelde maatregel tast in de regel het vermogen niet aan, het wijzigt enkel het tijdstip van belastbaarheid. In de vroegere regeling kon men opteren voor een belastingvrije uitkering, en de belaste uitkering (zijnde de uitkering van het gedeelte dat betrekking heeft op belastbare reserves) uitstellen. Dit is nu niet meer het geval. 
 
In principe zal deze maatregel op 1 januari 2018 in werking treden. We verwachten dat in de komende weken en maanden heel wat aandeelhouders zich nog snel naar de notaris zullen reppen, om een kapitaalvermindering tegen 31 december 2017 door te voeren.
 
Deze nieuwe maatregel treft niet alleen Belgische ondernemers die een vennootschap hebben, maar ook buitenlandse investeerders die  geen aanspraak kunnen maken op een vrijstelling van roerende voorheffing.
 
 

4. Andere diverse maatregelen

 
Notionele interestaftrek
De aftrek voor risicokapitaal blijft overeind, maar zal vanaf 2018 worden beperkt tot de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar (op basis van een gewogen gemiddelde). De NIA wordt derhalve niet meer toegekend op basis van het totale bedrag van het eigen vermogen en een toename van het eigen vermogen zal slechts geleidelijk in aanmerking komen voor de berekening van de NIA.  België haalt hiervoor de mosterd in Italië.
 
Investeringsaftrek en groeibedrijven
De eenmalige investeringsaftrek wordt voor kmo’s en zelfstandigen tijdelijk verhoogd van 8% naar 20%, dit gedurende de komende 2 jaren. Het wettelijk kader inzake investeringsfondsen wordt eveneens versoepeld en particulieren die investeren in een groeibedrijf zullen tax shelter belastingverminderingen kunnen genieten.  Een (tijdelijke) investering-stimulans wordt ingevoerd.
 
Uniforme regelingeving kosten
Zelfstandigen worden uitgesloten van het fiscaal voordeel voor milieuvriendelijke wagens gezien de kosten voor hen in de huidige regelgeving, in tegenstelling dan wat voor vennootschappen geldt, niet aftrekbaar is in functie van de CO2-uitstoot.  De nieuwe maatregel schakelt de aftrek voor de beiden, naar het voorbeeld van wat geldt op vlak van vennootschapsbelasting, gelijk. 
 
Het kostenforfait voor zelfstandigen zal met dat van werknemers gelijkgeschakeld worden. 
 
Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing
De doorstoring van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek zal met ingang van 2018 uitgebreid worden. 
 
Investeringsreserve
De investeringsreserve zoals bedoeld in artikel 194quater WUB 1992 zal verdwijnen. 
 
Moratorium – en nalatigheidsinteresten
Deze worden vanaf 2018 gekoppeld aan de OLO-rentevoet, met een minimum van 2% voor moratoriuminteresten. De nalatigheidsinteresten zullen steeds 2% hoger liggen dan de moratoriuminteresten. 
 
Niet-aangifte van vennootschapsbelasting
Bij niet-aangifte geldt op grond van artikel 182 § 2 KB WIB 1992 een minimale belastbare winst van 19.000 EUR. Deze belastbare winst wordt vanaf 2018 stapsgewijs verhoogd tot 40.000 EUR.
 
Effectieve belasting op supplement n.a.v. controle
Met ingang van 1 januari 2018 zal telkens vennootschapsbelasting verschuldigd zijn op een inkomstenverhoging die wordt vastgesteld na een controle.  Een verrekening van eventuele beschikbare aftrekposten, met uitzondering van DBI-aftrek van het boekjaar, is niet meer mogelijk. Dit supplement zal in de aftrekbeperking worden opgenomen.
 
Stijging basisrentevoet voorafbetalingen
De basisrentevoet van het percentage van de belastingvermeerdering wegens gebrek aan voorafbetalingen stijgt van 1 naar wel liefst 3%.
 
Aftrekbeperking vooruitbetaalde kosten (fiscal matching principle)
Vooruitbetaalde kosten kunnen vanaf 2018 niet meer integraal in aftrek genomen worden in het jaar waarin ze gedaan zijn. Enkel het gedeelte dat conform de boekhoudwetgeving op het desbetreffende inkomstenjaar van toepassing is, kan nog in aftrek worden genomen. 
 
Vrijstelling voor voorzieningen
De voorzieningen zoals bedoeld in artikel 48 WIB 1992 kunnen voortaan enkel vrijgesteld worden indien zij het resultaat zijn van een verplichting die op balansdatum bestaat.  Een terugname van voorzieningen na inwerkingtreding van de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting, zal niet van het verlaagde tarief kunnen genieten. De terugname vindt plaats tegen het tarief dat gold op het ogenblik van het aanleggen van de voorziening. Dit geldt ook voor terugnames binnen het kader van artikel 47 WIB92.
 
Diversen
Andere maatregelen zijn de schrapping van het stelsel van de degressieve afschrijvingen, het mogelijk maken van pro rata afschrijvingen voor KMO’s, de niet-aftrekbaarheid van de aanslag geheime commissielonen, fiscale consolidatie, beperking van de aftrek van verliezen van buitenlandse inrichtingen.
 
Voor meer informatie omtrent de fiscale consolidatie verwijzen wij u graag door naar volgend opiniestuk: http://bit.ly/2h0rZC0