De minister van Financiën bevestigt de toepassing van de Kaaimantaks op geïndividualiseerde private fondsen

Eind 2015 werd het toepassingsgebied van de Kaaimantaks uitgebreid naar bepaalde Luxemburgse vennootschapsstructuren, in het bijzonder de geïndividualiseerde SICAV.

I. Parlementaire vraag van 18 mei 2016


Eind 2015 werd het toepassingsgebied van de Kaaimantaks uitgebreid naar bepaalde Luxemburgse vennootschapsstructuren, in het bijzonder de geïndividualiseerde SICAV (zie hierover onze vorige nieuwsflash: http://www.bloom-law.be/fr/actualite/nieuws/5196/elargissement-de-la-taxe-caiman--les-sicav-dediees-luxembourgeoises-dans-la-ligne-de-mire).

Naar aanleiding van een parlementaire vraag (Parl. St, Kamer, zitting 2015-2016, PV. nr. 11276 van 18 mei 2016 van P. Vanvelthoven) geeft de minister van Financiën aan dat de wetswijziging tot doel had (compartimenten van) de geïndividualiseerde private SICAV op dezelfde wijze te viseren als de geïndividualiseerde publieke of institutionele SICAV.
 

II. Dubbelzinnigheid omtrent geviseerde geïndividualiseerde collectieve beleggingsinstellingen

 
De limitatieve lijst van juridische constructies in de EER (die geviseerd worden door de Kaaimantaks) werd gewijzigd door een Koninklijk Besluit van 18 december 2015. De lijst vermeldt voortaan o.a. de instellingen, entiteiten en vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2, §1, 13/1, alinea 2 WIB92. In het bijzonder gaat het om de instellingen voor collectieve beleggingen (ICB) of compartimenten van geïndividualiseerde ICB’s (in handen van een enkele persoon of verbonden personen).
 
a.       Letterlijke lezing
Een letterlijke lezing zou tot de conclusie kunnen leiden dat alleen publieke en institutionele fondsen binnen de EER worden geviseerd en niet de geïndividualiseerde private fondsen.

Artikel 2, §1, 13°/1, tweede lid WIB92 verwijst immers naar de entiteiten die uitgesloten worden (van de Kaaimantaks) op basis van het eerste lid waarin de volgende instellingen worden geviseerd :
  • een openbare of institutionele instelling voor collectieve belegging of een instelling voor belegging in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, 2°, 3° of 7°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  • een openbare of institutionele alternatieve instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, 4° of 6°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders.
  •  
Een louter private ICB wordt daarentegen niet geviseerd door de tekst van artikel 2, §1, 13°/1, eerste lid.
Op basis van een letterlijke lezing zou men aldus kunnen argumenteren dat de private Luxemburgse SICAV (of hun geïndividualiseerde compartimenten), in handen van verbonden personen, niet door de Kaaimantaks worden geviseerd. Op basis van deze redenering zou een Luxemburgse SICAV niet onderworpen zijn aan de Kaaimantaks indien de SICAV noch kwalificeert als een (alternatieve) openbare ICB (omdat zij haar aandelen niet openbaar aanbiedt), noch als een (alternatieve) institutionele ICB (aangezien zij niet exclusief wordt aangehouden door institutionele beleggers).

b.       Bedoeling van de wetgever
Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever komt men echter tot een andere interpretatie. Volgens mij bestaat er geen twijfel over de bedoeling van de wetgever om geïndividualiseerde private fondsen gevestigd in de EER te viseren (naast de publieke en institutionele fondsen) (zie hierover: B. PHILIPPART DE FOY en A. DAYEZ, "Taxe Caïman : application aux fonds d'investissement et aux Sicav-FIS dédiés", Revue de Planification patrimoniale belge et internationale, 2015/4, p. 442). In het bijzonder zou het dan gaan om de geïndividualiseerde compartimenten van een Luxemburgse SICAV-SIF of de Luxemburgse SICAV deel 2.

Naar aanleiding van een parlementaire vraag van de heer Vanvelthoven (Doc. Parl., Kamer, zitting 2015-2016, PV. nr. 11276 van 18 mei 2016 van P. Vanvelthoven) heeft de minister van Financiën op 18 mei verklaard dat de wetswijziging tot doel had om (compartimenten van) de geïndividualiseerde private SICAV op dezelfde wijze te viseren als de geïndividualiseerde publieke of institutionele SICAV.
 

III. Praktische gevolgen

 
Deze verklaring moet worden toegejuicht aangezien zij duidelijkheid schept over een vraagstuk waarover heel wat controverse bij fiscalisten was ontstaan. Ze houdt in dat inkomsten die de geïndividualiseerde private SICAV heeft ontvangen vanaf 1 januari 2015 onder de Kaaimantaks zullen vallen.

Sommige belastingplichtigen zullen geneigd zijn om zich te beroepen op de letterlijke lezing van de wetteksten om te ontsnappen aan de Kaaimantaks. Hierbij kan men zich baseren op de rechtspraak van het Hof van Cassatie die stelt dat een duidelijke wettekst geen interpretatie behoeft en men bijgevolg geen rekening moet houden met de bedoeling van de wetgever. Indien men echter weet dat de belastingadministratie zich niet zal houden aan een strikte lezing van de wettekst, rijst de vraag of die belastingplichtige een kostelijke en tijdrovende fiscale procedure met onzekere afloop zal zien zitten?