De speculatiebelasting: een nieuwe aanslag op de particuliere belegger

In het kader van de taxshift heeft de federale regering onlangs beslist om particuliere beleggers vanaf 1 januari 2016 onder bepaalde voorwaarden te onderwerpen aan een speculatiebelasting van 33%, ook wel speculatietaks genoemd.
De belasting zal geheven worden op de buiten de beroepswerkzaamheid en binnen de zes maanden na aankoop gerealiseerde meerwaarde op (onder bezwarende titel verkregen) beursgenoteerde aandelen, opties, warrants en aandelencertificaten. Minwaarden zullen niet aftrekbaar zijn.

Binnen hetzelfde kader werd beslist om het tarief van de roerende voorheffing op dividenden vanaf volgend jaar op te trekken van 25% naar 27%. Deze verhoging geldt overigens niet voor VVPR-bis aandelen zoals bedoeld in artikel 269, §2 WIB92. Dividenden die binnen de VVPR-bis regeling vallen blijven bijgevolg genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing van 15% of 20% (afhankelijk van het moment van uitkering).

Tezamen met de verhoging van de beurstaks of taks op beursverrichtingen (die wordt aangerekend wanneer u beleggingsproducten aankoopt of verkoopt) met ingang vanaf 1 januari 2015 vormen deze nieuwe maatregelen een nieuwe aanslag op de particuliere belegger en op het rendement van zijn beleggingsportefeuille.

Wat het toepassingsgebied van de speculatiebelasting betreft, blijkt uit het integraal verslag van de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting van 21 oktober jl. (Integraal Verslag, zitting 21 oktober 2015, nr. 54-COM 248) alvast dat alle beursgenoteerde aandelen (zowel van binnenlandse als van buitenlandse bedrijven), alsook opties, warrants en aandelencertificaten worden geviseerd. Het lot van andere afgeleide producten (zoals trackers, turbo’s, sprinters, speeders, cfd’s en futures) wordt doorgeschoven naar een werkgroep en zou bij koninklijk besluit worden geregeld.

Obligaties, converteerbare obligaties en beleggingsfondsen zouden bijgevolg niet onderworpen zijn aan de speculatiebelasting. Uit het ‘wetsontwerp houdende bepalingen ter versterking van de jobcreatie en de koopkracht’ zou blijken dat aandelen verkregen door het uitoefenen van 'gereglementeerde' aandelenopties, d.i. opties die beheerst worden door de Wet van 26 maart 1999, evenmin onderworpen zullen zijn aan de speculatiebelasting. Hetzelfde zou gelden voor aandelen toegekend door de werkgever waarbij de verwerving aanleiding heeft gegeven tot een belastbaar beroepsinkomen.

De speculatiebelasting is enkel van toepassing op aankopen na 1 januari 2016. Wie dus aandelen heeft gekocht in september 2015 en met een meerwaarde verkoopt in januari 2016 betaalt geen speculatiebelasting.

Beleggers die hetzelfde aandeel in verscheidene stappen hebben gekocht, zullen voor de berekening van de houdperiode van zes maanden rekening moeten houden met de LIFO-methode (Last In First Out), de methode die inhoudt dat bij gespreide aankoop steeds de laatst aangekochte producten voor de eventuele toepassing van de speculatiebelasting in aanmerking worden genomen. Veronderstel dat u 100 aandelen KBC koopt in januari 2016, 100 aandelen bijkoopt in april 2016 en 100 aandelen verkoopt in augustus 2016. Aangezien u de laatst aangekochte aandelen minder dan zes maanden in portefeuille had, betaalt u speculatiebelasting als u een meerwaarde boekt. Past men de FIFO-methode (First In First Out) toe, dan zou u in dit voorbeeld nochtans geen speculatiebelasting moeten betalen. De minister van Financiën verdedigt de LIFO-methode omdat men zo vermijdt dat de speculatiebelasting ook van toepassing wordt op een over langere termijn opgebouwde meerwaarde.

Dit is echter slechts het geval indien u zowel de eerst aangekochte aandelen als de laatst aangekochte aandelen minder dan zes maanden in portefeuille had. Veronderstel dat u 100 aandelen KBC koopt in januari 2016, 100 aandelen bijkoopt in maart 2016 en 100 aandelen verkoopt in juni 2016. Door de toepassing van de LIFO-methode vermijdt men in dit voorbeeld inderdaad dat de speculatiebelasting wordt toegepast op de meerwaarde die sinds januari 2016 werd opgebouwd.

De belastbare grondslag zou worden gevormd door het positieve verschil tussen (1) de ontvangen prijs verminderd met - in voorkomend geval - de betaalde taks op de beursverrichtingen; en (2) de voor de verwerving onder bezwarende titel betaalde prijs verhoogd met - in voorkomend geval - de betaalde taks op de beursverrichtingen.

In principe zal de belasting enkel geheven worden op de buiten de beroepswerkzaamheid en binnen de zes maanden na aankoop gerealiseerde meerwaarde op onder bezwarende titel verkregen beursgenoteerde aandelen, opties, warrants en aandelencertificaten. Uit het hogervermelde wetsontwerp zou echter blijken dat indien men de aandelen bij wijze van schenking verkregen heeft, en er minder dan zes maanden verstreken zijn tussen de overdracht ervan onder bezwarende titel, en het ogenblik waarop de schenker de aandelen onder bezwarende titel verkregen heeft, de speculatiebelasting eveneens van toepassing zal zijn.

De speculatiebelasting zal worden geïnd door Belgische financiële tussenpersonen. Het gaat in dit geval over een ‘bevrijdende voorheffing’, hetgeen inhoudt dat de ingehouden belasting een definitieve belasting is en dat de gerealiseerde meerwaarde niet meer moet worden aangegeven in de belastingaangifte. Particuliere beleggers die meerwaarden realiseren via een buitenlandse rekening, zullen die bijgevolg wel moeten aangeven. Op die afzonderlijke belasting is geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd. Een effectenrekening openen bij een buitenlandse bank of makelaar zal dus niet voldoende zijn om aan de speculatiebelasting te ontsnappen. De beurstaks zou op deze manier evenwel wel kunnen worden vermeden.

De speculatiebelasting zal tot slot ook in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van toepassing zijn (met name ten aanzien van de in België behaalde meerwaarden).