Vlaamse decreetgever brengt de ‘sterfhuisclausule’ laatste doodsteek toe

01/09/2015 | Fiscaal | Mark Delanote
(Artikel 24 Decreet 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, BS 15 juli 2015, inwerkingtreding: 1 juli 2015)
De (inmiddels) welbekende sterfhuisclause lag reeds een tijdje onder vuur. Met dergelijke clausule wordt betracht artikel 5 W.Succ. (art. 2.7.1.0.4. VCF) te omzeilen. Op grond van deze bepaling wordt hetgeen de langstlevende echtgenoot (boven de helft) verkrijgt uit de ontbonden huwgemeenschap, voor fiscale doeleinden aangemerkt als een legaat en (bijgevolg) onderworpen aan het successierecht.
 
Opdat deze fictiebepaling van toepassing zou zijn, dienden wel de volgende drie voorwaarden vervuld te zijn:
 
1. De echtgenoten dienen gehuwd te zijn onder een gemeenschapsstelsel, ongeacht de omvang van de huwelijksgemeenschap (of een stelsel van zuivere scheiding van goederen met een hieraan toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen);
2. Het voordeel moet aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een beding waarbij van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen wordt afgeweken, en dit beding mag niet aan de regels betreffende schenkingen onderworpen zijn;
3. Het beding moet gestipuleerd zijn onder voorwaarde dat de echtgenoot-verkrijger van het voordeel de andere overleeft; het beding kan in het voordeel van beide echtgenoten of slechts in het voordeel van één van hen bedongen zijn.
 
Met name door te sleutelen aan deze laatste voorwaarde (op voorwaarde van overleving) was het dus mogelijk om aan de toepassing van de fictiebepaling te ontsnappen. Dit gebeurde in de praktijk veelvuldig in de hypothese waarbij één van de partners terminaal ziek was (in welk geval de “voorwaardelijke toebedeling” aan de andere partner uiteraard overbodig werd).
 
De federale administratie (die eertijds de rechtsgeldigheid van dergelijke clausules onderschreef) kon de exponentiële toename van dergelijke clausules klaarblijkelijk niet langer aanzien en besloot ten strijde te trekken. Zo bv. argumenteerde de fiscus dat de verwijzing naar de “voorwaarde” een louter feitelijke invulling zou moeten krijgen. In 2012 werd de sterfhuisclausule overigens als een typisch voorbeeld van fiscaal misbruik op de zogenaamde ‘zwarte lijst’ opgenomen (thans in de FOD Circulaire nr. 5/2013 van 10 april 2013 en naderhand ook in de Vlaamse Omzendbrief 2015/1 van 16 februari 2015, BS 25 maart 2015, 18991).
 
De Vlaamse decreetgever heeft thans beslist nog een versnelling hoger te schakelen. Zo wordt middels het Decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 (BS 15 juli 2015), de zinsnede "op voorwaarde van overleving" uit artikel 2.7.1.0.4. VCF gelicht.
 
Hiermee krijgt de sterhuisclausule in Vlaanderen dus zijn laatste doodsteek.
 
Ofschoon kan verwacht worden dat deze decreetswijziging op zich in de praktijk niet veel zal veranderen (de sterfhuisconstructie gaf immers met zekerheid aanleiding tot een betwisting), heeft deze in ieder geval wel de verdienste (volledige) duidelijkheid op het terrein te creëren. Dit wordt ook door de decreetgever in de memorie van toelichting benadrukt. Markant is wel dat de decreetgever in diezelfde memorie uitdrukkelijk bevestigt dat de fictiebepaling vóór de wetswijziging uitsluitend van toepassing was indien de toebedeling is onderworpen aan de voorwaarde van overleven. Op deze manier blijkt het Vlaams Gewest zich te distantiëren van het eertijds door de federale administratie ingenomen standpunt als zou aan de notie “voorwaarde” een louter feitelijke invulling moeten gegeven worden (zie reeds voorheen Parl. Vr. 1 maart 2011, Hand. Vl. Parl. 2010-2011, nr. C156-FIN12, p. 3-7). De doorgevoerde wijziging is – vanuit het Vlaamse standpunt – dus niet interpretatief. We kunnen dan ook enkel hopen dat ook de Vlaamse Belastingdienst in de lopende procedures (en als opvolger van de federale administratie) dit inzicht honoreert.