Belasting op Cruiseschepen

05/09/2019 | Fiscaal
Een belasting op cruiseschepen: maatschappelijk kader en juridische do’s of don’ts.

Maatschappelijk luik 


Terwijl belastingen oorspronkelijk enkel een financieringsoogmerk hadden is dit vandaag allerminst het geval. Vandaag wordt de fiscaliteit meer dan ooit beschouwd als een instrument om het gedrag van burgers te sturen en niet-fiscale doeleinden te realiseren. Hoewel lokale belastingen zonder een fiscaal hoofddoel niet mogelijk zijn, aanvaardt de rechtspraak vrij eenvoudig het fiscale hoofddoel van een heffing en beschouwt ze het gedragssturende aspect als een niet-fiscaal nevendoel. Dit is onder meer het geval in een belasting op masten en pylonen omwille van het landschapsverstorende karakter, maar ook bij leegstands- en activeringsheffingen die het woon- en grondenbeleid trachten te sturen. Het is slechts wanneer het tarief van de belasting onevenredig is dat het hoofddoel van de belasting niet langer financieel is.

Sinds enkele jaren gaat men ook steeds meer over tot het sturen van de mobiliteit. Zo voeren steeds meer steden en gemeenten een Lage Emissie Zone (LEZ) in. Ook hier kan de vraag worden gesteld hoe de financiële doelstellingen zich verhouden tot de milieudoelstellingen Verder kan hierbij worden gedacht aan de kilometerheffing op vrachtwagens, die sommige politieke partijen maar wat graag zouden uitbreiden naar de personenwagens. Daarnaast kan ook worden gedacht aan de gemeenten die binnen hun belasting op masten en pylonen in een vrijstelling voor windmolens voorzien. De vereiste dat gemeenten in hun beleid aandacht besteden aan de nieuwe beleidsaccenten in de fiscale politiek (zoals de grotere aandacht voor duurzaamheid en groene energie) kan ook worden teruggevonden in de omzendbrief gemeentefiscaliteit KB ABB 2019/2.[1]Zo stelt de omzendbrief voor om in vrijstellingen of verminderingen te  voorzien voor initiatieven met betrekking tot het opwekken van hernieuwbare energie.

Vanuit deze optiek behoort ook een lokale belasting op cruiseschepen tot de mogelijkheden. Het is namelijk zo dat cruiseschepen erg vervuilend zijn en dat zij op de plaatsen waar zij aanmeren voor een extra druk op de gemeentelijke dienstverlening zorgen omwille van al de personen die zich tijdelijk op het grondgebied van de gemeente bevinden.

Wanneer de belasting wordt verantwoord door de vervuiling die door de cruiseschepen wordt veroorzaakt, zal het belastbaar feit “het exploiteren van cruiseschepen” zijn, waarbij cruiseschepen overeenkomstig de definitie in Van Dale de luxe passagiersschepen zijn waarmee men vakantiereizen op zee kan maken. Wanneer de belasting daarentegen zou worden verantwoord door de bijkomende kosten die de toeristen voor de gemeente veroorzaken of de weelde van de passagiers van de cruiseschepen, zal het belastbaar feit omschreven kunnen worden als het als passagier deelnemen aan luxe vakantiereizen op een schip, waarbij de passagiers aan land kunnen gaan op het grondgebied van de gemeente en aldus van de gemeentelijke dienstverleningen kunnen genieten en kosten veroorzaken.

Dat er voor het ontwikkelen van een meer duurzaam beleid vooral aandacht wordt besteed aan maatregelen die een positieve impact hebben op het milieu blijkt overvloedig. Zo werd politiek voorgesteld om een vliegtaks in te voeren om zo reizen met het vliegtuig duurder te maken. Deze maatregel zou enerzijds ontradend moeten werken en anderzijds opbrengsten moeten genereren. Een wellicht ongewild effect van deze regel zou zijn dat het vliegtuig nemen iets zou worden voor de elite. Een dergelijk elitair fiscaal beleid dat tot gevolg heeft dat de gewone burger wordt “gestraft” lijkt ons echter allesbehalve wenselijk. De “modale burger” ondervindt immers al voldoende hinder van het cliquet-systeem van de accijnzen op diesel. Het intensief belasten van verscheidene “vervuilende” vervoersmiddelen staat eveneens haaks op het draagkrachtsbeginsel dat ertoe zou moeten leiden dat er een betere spreiding komt van de belastingdruk in functie van het vermogen of de draagkracht.

Ook beleggingsadviseurs hebben de laatste jaren een belangrijkere rol toebedeeld gekregen in het stimuleren van een duurzaam beleid. Steeds vaker bieden deze adviseurs in de eerste plaats duurzame beleggingen aan en worden de andere mogelijkheden pas vermeld indien blijkt dat de klant geen interesse heeft in deze fondsen. Door aan duurzaam beleggen te doen kiest men ervoor om gelden enkel te laten investeren in aandelen en/of fondsen die aan alle vereisten voldoen om als maatschappelijk verantwoord te worden beschouwd. 
 

Juridisch luik 

 
 

De verbodsbepaling in artikel 464, 1° WIB 1992

 
Deze verbodsbepaling verbiedt gemeenten om opcentiemen te heffen op de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting der niet-inwoners, of om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen.
 
Gemeenten kunnen dus geen aan de inkomstenbelastingen gelijkaardige belastingen heffen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen.
 
Hieruit vloeit voort dat gemeenten die een belasting op cruiseschepen willen invoeren ervoor moeten zorgen dat het belastbaar feit, de berekeningsgrondslag, maar ook de toekenningen van vrijstellingen en/ of verminderingen onafhankelijk zijn van de grondslag of het bedrag van een inkomstenbelasting. Het voorgaande wil niet enkel zeggen dat een gemeente geen rekening mag houden met het netto belastbare inkomen van een exploitant van cruiseschepen, doch evenmin met de bruto-ontvangsten die evenzeer een essentiële component van de berekeningsbasis van de inkomstenbelastingen vormen. Het gebruik van forfaitaire tarieven zou dus wel een mogelijkheid zijn. 
 

Modaliteiten van de belasting en belastingschuldige 


Heffingstechnisch lijkt het efficiënt om de belasting op te leggen aan de exploitanten van de cruiseschepen die deze in de ticketprijzen kunnen doorrekenen aan de toeristen. Ook voor de toeristenbelasting op het verstrekken van logies gebeurt dit vaak. Er zou dan kunnen worden gewerkt met een aangiftebelasting door de exploitant, dewelke dan jaarlijks, per kwartaal of op andere tijdstippen het aantal klanten zal moeten aangeven op de plaatsen waar men aanmeert evenals het aantal dagen dat het schip hier aangemeerd ligt. Eventueel kan ook met een forfaitaire bezettingsgraad worden gewerkt, maar dan moet deze bezettingsgraad op een redelijke wijze worden geraamd. Het lijkt ons niet erg realistisch om deze toeristenbelasting in te vorderen bij de toeristen zelf. Dit is onder meer het geval omwille van de hogere invorderingskosten, maar ook doordat een groot deel van deze toeristen wellicht buitenlanders zijn, wat de invordering nog complexer zou maken.

Afhankelijk van de verantwoording die aan de belasting wordt gegeven, kan het ook effectief gaan om een belasting op de exploitanten van cruiseschepen, die dan niet noodzakelijk afhankelijk is van het aantal toeristen, maar die bijvoorbeeld werkt aan de hand van één vast forfaitair bedrag per cruiseschip, per dag dat dit aangemeerd ligt.

Het is van belang om aan te stippen dat wanneer de belasting verschuldigd wordt elke dag waarop men aangemeerd ligt op het grondgebied van de gemeente, het om een indirecte belasting gaat.
 

Motivering 


Een belasting op cruiseschepen die wordt ingevoerd als een belasting op de toerist kan verschillende verantwoordingen kennen. Het kan gaan om een belasting omwille van de extra kosten die de aanwezigheid van deze toeristen met zich meebrengt naar analogie met de meeste toeristenbelastingen. Ook een belasting die wordt verantwoord door de weelde van de toeristen is mogelijk. Zo is het immers aannemelijk dat personen die een cruise maken over een zekere weelde beschikken, meer dan dit het geval is bij personen die op reis gaan met het vliegtuig. Wanneer het daarentegen zou gaan om een belasting op de exploitanten van de cruiseschepen, zou deze kunnen worden verantwoord door de milieuverontreiniging die deze veroorzaken of andere overlast die veroorzaakt wordt. 
 

Tarief en berekening van de belasting 


De belasting kan worden vastgesteld op een vast bedrag per dag dat het cruiseschip aangemeerd ligt op het grondgebied van de gemeente en per persoon dat op dit ogenblik deel uitmaakt van de passagiers van het cruiseschip. Wanneer de belasting verantwoord wordt door de extra kosten die de aanwezigheid van toeristen op het grondgebied van de gemeente teweegbrengen kunnen de tarieven worden overgenomen die worden gebruikt in de belastingen op het verstrekken van toeristische logies (doorgaans 2 tot 3 EUR per toerist en per overnachting).
 
In tegenstelling tot de doorsnee belasting op de toeristische logies, kan het hier gaan om een belasting omwille van de weelde waarover de toerist beschikt. Wanneer in de aanhef van het reglement wordt opgenomen dat deze (deels) wordt verantwoord door de weelde waarover deze toeristen beschikken, kan dit een hoger tarief dan 2 tot 3 EUR per toerist en per dag op het grondgebied van de gemeente rechtvaardigen.

Wanneer het gaat om een belasting op de exploitanten van cruiseschepen kan een forfaitair bedrag worden gehanteerd per dag dat het cruiseschip zich op het grondgebied van de gemeente bevindt. 
 

Territoriale aanknopingsfactor 


Het territorialiteitsbeginsel houdt in dat de natuurlijke- of rechtspersoon een band moet hebben met het grondgebied van de overheid die de belasting heft. Bij een belasting op cruiseschepen op een in het buitenland gevestigde exploitant van cruiseschepen zal moeten worden aangetoond dat er een zakelijke aanknopingsfactor bestaat die binnen de grenzen van de gemeente gelokaliseerd is. Deze noodzakelijke aanknopingsfactor kan gaan om een activiteit, een feit of een handeling die binnen de grenzen van de gemeente gelokaliseerd is.
De vraag die zich hierbij stelt is of de aanmeerplaats van een cruiseschip tot het grondgebied van de gemeente behoort of dat deze tot de internationale wateren behoort, waardoor de gemeente niet over de bevoegdheid zou beschikken om hierop een belasting te heffen.

De rechtspraak stelt dat het grondgebied van de kustgemeenten beperkt is tot de laagwaterlijn en de daarmee gelijkgestelde verst uit de kust gelegen permanente havenwerken die een integrerend deel uitmaken van het havensysteem, waardoor het niet mogelijk is om een belasting te heffen op pleziervaartuigen gebruikt in kustwateren.

Een belasting op cruiseschepen lijkt bijgevolg slechts mogelijk wanneer deze schepen aanmeren in wateren die deel uitmaken van het havensysteem. Zoniet kunnen deze niet territoriaal worden gelokaliseerd op het grondgebied van een gemeente. 
 

Het gelijkheidsbeginsel 


Een zorgvuldige omschrijving van het concrete toepassingsgebied van de belasting op cruiseschepen is vereist. Daarnaast moet ook de verantwoording van de heffing goed zijn afgestemd op de specifieke karakteristieken ervan. Zo kan een toeristenbelasting op de exploitanten van cruiseschepen omwille van de extra kosten die toeristen veroorzaken problematisch zijn wanneer dergelijke belasting niet wordt opgelegd aan de exploitanten van toeristenbussen die eveneens een groot aantal toeristen naar de gemeente brengen. Dit probleem kan evenwel worden opgelost door deze belasting bijkomend als een weeldebelasting te omschrijven. Ook het toepassingsgebied van de belasting met inbegrip van de vrijstellingen, tariefdifferentiaties of verminderingen moet in overeenstemming zijn met de verantwoording van de heffing. Wanneer de belasting wordt opgelegd omwille van het milieuvervuilende karakter van de cruiseschepen kunnen de tarieven in principe worden gedifferentieerd naargelang de motorenkracht en/of het vervuilende karakter. In dergelijk geval moet er evenwel ook een verantwoording voor handen zijn waaruit blijkt waarom cruiseschepen wel en andere schepen niet worden belast. 
 

Artikel 2.2.4.0.5 Vlaamse Codex Fiscaliteit (42 WIGB)


Artikel 2.2.4.0.5 VCF verbiedt gemeenten om opcentiemen te heffen op de verkeersbelasting, maar ook het invoeren van enige andere belasting op de in artikel 2.2.1.0.1 VCF bedoelde voertuigen, zijnde de stoom- of motorvoertuigen dienende voor het vervoer van personen of van goederen over de wegen. Artikel 2.2.4.0.5 VCF voorziet echter een uitzondering voor vaartuigen en bootjes en brom- en motorfietsen met een cilinderinhoud van max. 250 cm³ die worden bedoeld in artikel 2.2.6.0.1, §1, eerste lid, 6° en 10°.  Bijgevolg veroorzaakt de verbodsbepaling in principe geen problemen voor de invoering van een belasting op cruiseschepen. Ook artikel 107 WIGB vormt geen beletsel voor een belasting op cruiseschepen aangezien deze enkel een verbod inhoudt op het heffen van opcentiemen op de belasting op inverkeerstelling. 
 

Samenhang met gewestelijke milieubelastingen 


Hoewel het milieubeleid in principe een gewestelijke materie is, beschikken gemeenten over de mogelijkheid om op grond van hun fiscale autonomie belastingen in te voeren die gekenmerkt worden door milieuoverwegingen als niet-fiscale nevendoelstelling. Wanneer er dus voor wordt geopteerd om geen toeristenbelasting te maken van de heffing doch een milieuheffing op de exploitanten vormt dit in principe geen probleem. Uiteraard mag het gewest dan niet zelf een belasting hebben ingevoerd op deze materie, want dan kunnen er problemen reizen met het non bis in idem beginsel. 
 

Conclusie 


De invoering van een taks op cruiseschepen lijkt ons zeker mogelijk. Er moet dan wel aandacht worden besteed aan de hierboven opgesomde aandachtspunten. Zo mag de grondslag of de berekeningswijze van de belasting niet in strijd zijn met de verbodsbepaling uit artikel 464,1° WIB 1992, dient de belasting, in al zijn aspecten, verantwoord te worden door een adequate motivering, moet het belastbaar feit territoriaal aan het grondgebied van de gemeente gekoppeld kunnen worden. Daarnaast mag het toepassingsgebied van de belasting het gelijkheidsbeginsel niet schenden. 

 

[1] omzendbrief gemeentefiscaliteit KB ABB 2019/2, BS 12 maart 2019.