Hof van Justitie confronteert de financiële sector alweer met een btw-rekening

24/01/2019 | Fiscaal | Bart Buelens
De uitspraak in de zaak Morgan Stanley (C-165/17) is vandaag verschenen. Enigszins opmerkelijk zegt het Hof dat internationaal gestructureerde financiële instellingen bij de berekening van hun recht op btw-aftrek moeten rekening houden met handelingen die worden gesteld in het buitenland. Tenminste als hier lokaal kosten worden aan toegewezen. Het Hof lijkt daarmee af te wijken van zijn uitspraak in de zaak Le Crédit Lyonnais, maar dribbelt zich handig om dit heikele punt door te stellen dat het in deze zaak draaide rond de vraag of de gehele omzet van een buitenlandse inrichting moet worden meegenomen in een lokaal verhoudingsgetal.
De uitspraak in de zaak Morgan Stanley (C-165/17) is vandaag verschenen. Enigszins opmerkelijk zegt het Hof dat internationaal gestructureerde financiële instellingen bij de berekening van hun recht op btw-aftrek moeten rekening houden met handelingen die worden gesteld in het buitenland. Tenminste als hier lokaal kosten worden aan toegewezen. Het Hof lijkt daarmee af te wijken van zijn uitspraak in de zaak Le Crédit Lyonnais, maar dribbelt zich handig om dit heikele punt door te stellen dat het in deze zaak draaide rond de vraag of de gehele omzet van een buitenlandse inrichting moet worden meegenomen in een lokaal verhoudingsgetal.
 
Concreet: wanneer een financiële instelling met bijhuizen in het buitenland in een lidstaat kosten oploopt, moet worden nagegaan of deze kosten ook worden gebruikt voor een buitenlandse vestiging (inrichting van dezelfde rechtspersoon). Is dit het geval, dan moet er een pro rata worden berekend voor deze kosten die rekening houdt met de omzet die in België én in het buitenland wordt gerealiseerd doormiddel van deze kosten. Voor de teller wordt enkel de “belaste” omzet in het buitenland in rekening gebracht waarbij deze vervolgens nog eens volgens de Belgische regels wordt gekwalificeerd. Enkel indien er recht op aftrek in beide landen bestaat, is er een recht op btw-aftrek. Indien er in België is geopteerd voor de belastingheffing (voor betalings- en ontvangstverrichtingen), mag deze omzet – vanuit Belgisch perspectief – als belast worden beschouwd. Voor algemene kosten wordt een gelijkaardige redenering gemaakt.
 
Goed nieuws kan men deze zaak bezwaarlijk noemen. Het recht op btw-aftrek dreigt hiermee nog een groter kluwen te worden dan het al is. De uitspraak roept veel vragen op. De belangrijkste daarbij zal zijn aan hoeveel verhoudingsgetallen een financiële instelling kan worden onderworpen.
 
Het is overigens in zekere mate opmerkelijk dat het Hof heeft geantwoord op de gestelde vragen. Bij een correcte toewijzing van de kosten, zou deze problematiek aanzienlijk minder groot zijn geweest. Het is begrijpelijk dat Frankrijk dergelijke vragen niet heeft voorgelegd, aangezien het anders de inkomsten op deze transacties zou hebben misgelopen. Het Hof antwoordt uiteraard alleen op gestelde vragen…
 
Anderzijds: ondernemingen die (in positieve of negatieve) zin worden geconfronteerd met de “Skandia” problematiek, blijven in deze in se buiten schot. Hun bijhuizen en hoofdhuizen worden los van mekaar gezien.
 
“Wat met de Brexit?” zult u waarschijnlijk denken. De omzet die door een inrichting buiten de EU wordt gerealiseerd mag niet noodzakelijk als positief element worden meegenomen in het verhoudingsgetal. Althans dat blijkt (impliciet) uit een uitspraak van het Hof in een zaak die gaat over teruggaafverzoeken. Gelet op de complexiteit, moet dit nader worden bekeken.
 
Enfin, een zaak die zeker nog de gemoederen gaat beroeren.