Tantièmes: een onoverwinnelijk fiscaal instrument?

Tantièmes zijn een bezoldigingstechniek van bestuurders die men met enige voorzichtigheid moet gebruiken. Het vonnis van 25 juni 2018 van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel brengt dit op brutale wijze in herinnering. De magistraten verwierpen de aftrek van tantièmes op grond van de algemene antimisbruikmaatregel. We proberen dit te verduidelijken.
 
Naast een vaste vergoeding, presentiegelden of variabele premies kunnen de leden van het beheersorgaan van handelsondernemingen tantièmes ontvangen als bezoldiging. De tantièmes onderscheiden zich in fundamenteel opzicht van andere manieren om bedrijfsleiders te bezoldigen: ze variëren in functie van de nettowinst van de onderneming. Dergelijke vergoeding of bezoldiging biedt het voordeel dat ze bedrijfsleiders, als ze geen aandeelhouder zijn, betrekken bij de goede werking van de maatschappelijke zaken.

De tantièmes zijn net als dividenden een manier om het resultaat door algemene vergadering van aandeelhouders te laten bestemmen. De tantièmes zijn geen rechtstreekse compensatie voor geleverde prestaties aangezien ze afhankelijk zijn van het bestaan van winst. Zo kan het gebeuren dat de bedrijfsleiders niet in de vorm van tantièmes worden bezoldigd ondanks de door hen geleverde prestaties wanneer het ondernemingsresultaat verlieslatend is. De tantièmes onderscheiden zich op dat punt van managementfees waarvan het bedrag gekoppeld is aan het belang en de hoedanigheid van de beheerprestaties.

De bedrijfsleiders van groepen geven soms toe aan de verleiding om de winst van een winstgevende vennootschap (A) "over te dragen" aan een verlieslatende vennootschap (B). In die optiek kan A B aanstellen als bestuurder en haar tantièmes toekennen. De tantièmes zijn aftrekbaar bij A wanneer ze worden betaald "met het oog op het verkrijgen of behouden van belastbare inkomsten" (artikel 49 WIB). De recente rechtspraak interpreteert deze voorwaarde op soepele wijze aangezien ze de aftrek toestaat van een bijkomende vergoeding, die gekoppeld zou worden aan de resultaten (tantièmes), zelfs bij gebrek aan bijkomende prestaties van een overeenstemmend bedrag wanneer de werkelijkheid van de door de bedrijfsleider geleverde prestaties wordt vastgesteld.

Om een debat over het grillige terrein van artikel 49 WIB te vermijden haalt de fiscus soms het wapen van het fiscaal misbruik boven (artikel 344, §1 WIB). De beslissing van de Brusselse magistraten illustreert dit op zeer duidelijke wijze.

In voorliggend geval had een exploitatievennootschap voor een bedrag van 523.500 euro tantièmes toegekend aan een vastgoedvennootschap die appartementen, huizen en een villa bezat. De fiscus wees erop dat de vastgoedvennootschap verlieslatend was omwille van de afschrijvingen op de onroerende goederen, terwijl de exploitatievennootschap winstgevend was. Het doel van de constructie bestond er volgens hem enkel in om de aftrek van de tantièmes bij de exploitatievennootschap toe te laten en te vermijden dat ze effectief bij de vastgoedvennootschap zouden worden belast (dankzij de verrekening met de fiscale verliezen). De belastingadministratie verwierp de aftrek van tantièmes op grond van artikel 344, §1 WIB (fiscaal misbruik).

De rechtbank van eerste aanleg van Brussel gaf de fiscus gelijk (we wijzen er terloops op dat het hier ging om de tweede toepassing in de rechtspraak van de nieuwe antimisbruikmaatregel).
De magistraten oordeelden aan de hand van de volgende gegevens dat het tantième zuiver kunstmatig was en niet strookte met enige economische werkelijkheid:

– de vastgoedvennootschap werd geacht de functie van zaakvoerder van de exploitatievennootschap te delen met een andere natuurlijke persoon (mevrouw L, die eveneens aandeelhouder was van de
exploitatievennootschap en van de vastgoedvennootschap), maar alleen mevrouw L. oefende die functie ook
daadwerkelijk uit;

– de vastgoedvennootschap had geen enkele werknemer;

– de vastgoedvennootschap kreeg als enige een tantième toegekend door de exploitatievennootschap,
terwijl mevrouw L, die de facto zaakvoerder was, geen dergelijke vergoeding kreeg;

– het uitgekeerde tantième kwam overeen met het overgrote deel van de winst van de exploitatievennootschap waardoor de belastbare grondslag aanzienlijk was geslonken. Moraal van het verhaal: men kan maar beter geen al te omvangrijke tantièmes uitkeren wanneer de realiteit en de toegevoegde waarde van de prestaties van de bedrijfsleider niet kunnen worden aangetoond.

Denis-Emmanuel Philippe
Advocaat-vennoot (Bloom Law)
Docent Universiteit van Luik