Welke constructies zullen bij de fiscus moeten worden aangegeven ?

Een richtlijn van 25 mei 2018 voorziet dat tussenpersonen aan de fiscale autoriteiten informatie moeten meedelen in verband met potentieel agressieve grensoverschrijdende fiscale constructies. In beginsel berust de aangifteverplichting bij de tussenpersoon, dat wil zeggen iedere persoon die dergelijke constructies bedenkt, opzet, beheert of commercialiseert.
Het gaat dan vooral om advocaten, boekhouders, fiscalisten, bankiers en consultants. Er is haast bij, want indien de eerste etappe van de constructie werd opgestart op 25 juni 2018 (datum van de inwerkingtreding van de richtlijn), moet deze ten laatste in augustus 2020 aan de fiscus worden meegedeeld. De tussenpersonen hebben er dus belang bij om voortaan uit te zoeken of hun grensoverschrijdende constructies van fiscale planning een agressief karakter hebben of niet. De richtlijn vermeldt " wezenskenmerken " die de potentieel agressieve aard van de constructie aanduiden. Zoals we zullen zien, worden bepaalde wezenskenmerken gedefinieerd in vage en algemene termen, wat voor de betrokken tussenpersonen heel wat problemen bezorgt.

De tussenpersonen moeten elke grensoverschrijdende constructie aangeven "waarbij gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde documenten en/of een gestandaardiseerde structuur en die beschikbaar is voor meer dan één relevante belastingplichtige zonder dat er voor implementatie wezenlijke aanpassingen nodig zijn”, wanneer het voornaamste voordeel of een van de voornaamste voordelen van de constructie het bekomen van een fiscaal voordeel is. Het beoogde voordeel bestaat er ongetwijfeld in om wijd verspreide gestandaardiseerde fiscale constructies te viseren in tegenstelling tot constructies op maat die rekening houden met cliëntgebonden omstandigheden en een aanzienlijke begeleiding (diensten van professionals) vergen. Toegegeven, dergelijke subjectieve begrippen brengen de rechtszekerheid in het gedrang.

Waar ligt de grens tussen een constructie "op maat" en een "gestandaardiseerde" constructie? Is het echt mogelijk om een voldoende nauwkeurig criterium te identificeren aan de hand waarvan men ze kan onderscheiden? We geven hier het voorbeeld van een Luxemburgse verzekeringsmaatschappij die tak 23-levensverzekeringsproducten verkoopt aan Belgische cliënten (via een bijkantoor in België). Op het eerste zicht hebben we te maken met een gestandaardiseerd product dat ter beschikking wordt gesteld aan verschillende belastingplichtigen en voornamelijk van fiscale aard is (vrijstelling van inkomsten uit levensverzekeringen).

Een andere wezenskenmerk: "elke constructie de tot gevolg heeft dat inkomsten worden omgezet in vermogen, schenkingen of andere inkomstencategorieën die lager worden belast of van belasting worden vrijgesteld". Als de lidstaten verwarring wilden zaaien bij tussenpersonen (om ze aan te zetten om zoveel mogelijk constructies aan te geven) hadden ze dat niet beter kunnen doen. Volgens mij kan een gewone inbreng door een Belgische vennootschap van activa die belastbare inkomsten genereren in ruil voor aandelen in een buitenlandse vennootschap in bepaalde gevallen al in aanmerking komen.

Nog een andere opvallende wezenskenmerk: de constructies die een inbreuk kunnen maken op de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen volgens de Common Reporting Standard (CRS) van de OESO. Een eenvoudige cashoverdracht van een Belgische rekening naar een bank in een rechtsgebied dat niet deelneemt aan de automatische informatie-uitwisseling (bv. in de Amerikaanse staat Dakota) kan m.i. worden geviseerd. Hetzelfde geldt in geval van aankoop van vastgoed in Spanje die een Belgische inwoner financiert met liquiditeiten die zich bevinden bij een Luxemburgse of Zwitserse bank. De Luxemburgse of Zwitserse rekening is immers het voorwerp van de automatische uitwisseling van inlichtingen krachtens de CRSnorm, maar dat geldt niet voor het vastgoed in het buitenland.

De informatie over een dergelijke (banale) verrichting moet dus doorgegeven worden aan de fiscus, ook al is er niets verkeerd met de herkomst van het kapitaal en/of genereert ze geen enkel fiscaal voordeel.

De situatie van de tussenpersonen is kafkaiaans. Als de tussenpersoon (te goeder trouw) nalaat om de fiscus de informatie te bezorgen over een grensoverschrijdende constructie zoals beoogd door de wezenskenmerken, stelt hij zich bloot aan financiële sancties, om maar te zwijgen van de reputatieschade ...

 

 
Denis-Emmanuel Philippe
Advocaat-vennoot (Bloom Law)
Docent Universiteit van Luik