Belasting van cryptomunten: rulingdienst doet poging om meer duidelijkheid te scheppen

Bitcoin Fiscale Actualiteit nr. 2018/20, pag. 1-4, week 31 mei - 6 juni 2018 Vorige week heeft de rulingdienst een vragenlijst verspreid die aanvragers moeten beantwoorden als ze een ruling over cryptomunten vragen. De antwoorden moeten de dienst in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen over het belastingregime dat van toepassing is op meerwaarde(n) bij de verkoop of omzetting van cryptomunten. Hoewel die beoordeling steeds uiterst subjectief en dus onvoorzienbaar blijft, krijgt de belastingplichtige daarmee wel een duidelijk zicht op de criteria die de rulingdienst hanteert.
Over de fiscale behandeling van de inkomsten uit cryptomunten (met als bekendste de bitcoin) heerst momenteel grote onduidelijkheid (zie Fisc. Act. 2018, 2/1). Het gaat veelal om meerwaarden die worden gerealiseerd bij de verkoop of omzetting van cryptomunten. Bij natuurlijke personen zijn er drie fiscale scenario's mogelijk. Ten eerste valt het niet uit te sluiten dat de meerwaarden beroepsinkomsten vormen. Dan zijn ze normaal gezien onderworpen aan de progressieve tarieven. Ten tweede is het ook mogelijk dat de meerwaarden, of een deel ervan [Cassatie heeft ooit geoordeeld dat alleen het abnormale gedeelte van de meerwaarde belastbaar is (zgn. Baltus-doctrine; Fisc. Act. 2006, 44/5), zij het niet in alle gevallen (zie Fisc. Act. 2010, 35/5, 2011, 23/4-5 en 2016, 41/8).], kwalificeren als diverse inkomsten. Die zijn belastbaar aan een tarief van 33 %. Er moet dan wel sprake zijn van “enige prestatie, verrichting of (hier in het bijzonder) speculatie”. En normale verrichtingen van beheer van een privévermogen zijn uitgezonderd. Wat ‘normaal’ is, wordt afgemeten aan het ‘goede huisvader’-criterium. Ten derde is het ook mogelijk dat de meerwaarden vrijgesteld zijn van belasting. Dat sluit aan op wat we net hebben aangehaald, met name dat meerwaarden uit “normale verrichtingen van beheer van een privévermogen” geen belastbare diverse inkomsten zijn.
 

Ruling brengt zekerheid vooraf


Wie rechtszekerheid wil krijgen over de fiscale behandeling van meerwaarde(n) op de verkoop of omzetting van cryptomunten, kan daarover voorafgaand een ruling aanvragen bij de rulingdienst. Een aanvraag is ‘voorafgaand’ als hij betrekking heeft op een verrichting die fiscaal nog geen uitwerking heeft gehad. Een aanvraag zal m.a.w. niet worden beschouwd als ‘voorafgaand’ indien hij betrekking heeft op inkomsten die in principe al moesten worden aangegeven in de belastingaangifte. Dat betekent dat momenteel geen ruling meer kan worden gevraagd over meerwaarden uit een verkoop of omzetting van cryptomunten die zijn gerealiseerd in 2016 of eerder. Want die meerwaarden moesten al in de aangifte in de personenbelasting m.b.t. het aanslagjaar 2017 worden opgenomen.

Meerwaarde(n) die zijn gerealiseerd bij een verkoop of omzetting van cryptomunten in 2017, moeten – als zij belastbaar zouden zijn – worden aangegeven in de aangifte in de personenbelasting m.b.t. aanslagjaar 2018. Die aangifte moet uiterlijk op 29 juni (op papier), 12 juli (via tax-on-web) of 25 oktober 2018 (via mandataris) worden ingediend (zie Fisc. Act. 2018, 17/11 en 18/1). Met betrekking tot die meerwaarden kan dus nog een ruling worden aangevraagd. Denk er dan wel aan dat een eventuele ruling afgeleverd zal moeten worden vóór de uiterlijke indieningsdatum van de belastingaangifte en dat men uiteraard de nodige doorlooptijd moet incalculeren.
 

“Veelal speculatief”, maar geval per geval oordelen

 
 
Op vandaag heeft de rulingdienst nog maar twee rulings gepubliceerd over het onderwerp. In die rulings kwam de rulingdienst telkens tot het besluit dat de beoordeelde verrichting een speculatief karakter had, waardoor de meerwaarde die de belastingplichtige had gerealiseerd, belastbaar zou zijn als divers inkomen. De eerste ruling is besproken in Fisc. Act. 2018, 2/1. De tweede ruling is onlangs gepubliceerd in het jaarverslag van de rulingdienst (zie https://www.ruling.be/sites/default/files/content/download/files/jaarverslag_dvb_2017_nl.pdf).
In die ruling valt op dat de rulingdienst de nadruk legt op het inherente risico dat verbonden is aan virtuele munten. Daarvoor verwijst de rulingdienst naar diverse persartikels waarin financiële toezichthouders aan het woord komen, die het gebrek aan een centraal controleorgaan (en dus elk prudentieel toezicht) aankaarten [Ook de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) waarschuwt voor de handel in cryptomunten (zie http://www.ctif-cfi.be/website/index.php?option=com_content&view=article&id=229&catid=35&Itemid=145&lang=nl).].
Het inherente risico volgt ook uit het feit dat de bescherming van de overheid tot € 100 000 voor spaargeld niet van toepassing is op virtueel geld. In zijn nieuwsbrief heeft de rulingdienst meer in het algemeen verduidelijkt dat beleggingen in virtuele munten naar zijn oordeel doorgaans een speculatief karakter hebben en de inkomsten uit die beleggingen dus veelal diverse inkomsten vormen (of beroepsinkomsten als de inkomsten gerealiseerd zijn in het kader van een beroepswerkzaamheid) [https://www.ruling.be/sites/default/files/content/download/files/nieuwsbrief_dvb_3_nl.pdf.]. Niettemin benadrukt de dienst dat elke rulingaanvraag steeds geval per geval zal worden beoordeeld.

Inmiddels is gebleken dat de rulingdienst gebruik maakt van een vragenlijst aan de hand waarvan in een concreet dossier met kennis van zaken geoordeeld wordt over het toepasselijke belastingregime van de meerwaarde(n) die zijn gerealiseerd bij een verkoop of omzetting van cryptomunten (en dus ook over de eventuele niet-belastbaarheid). De in totaal 17 vragen zijn – logischerwijze – gelijkaardig aan de vragen die meer in het algemeen kunnen worden gesteld als men wil beoordelen of een bepaald inkomen moet worden bestempeld als een beroeps-, een divers of een vrijgesteld inkomen (zie o.m. Fisc. Act. 2006, 34/13 en 2005, 27/9 voor het onderscheid tussen beroeps en divers en Fisc. Act. 2011, 18/1 voor het onderscheid tussen divers en vrijgesteld in andere contexten). De lijst is dus weinig spectaculair. De vragen hebben dan ook betrekking op de klassieke criteria en kunnen worden gegroepeerd in vragen die betrekking hebben op:

(i)de oorsprong van de cryptomunten: via erfenis, schenking, persoonlijke investering (al dan niet met geleend geld), wederbelegging van vervreemde roerende of onroerende goederen;
(ii)de omvang van de geïnvesteerde middelen: voor welk (totaal)bedrag werd er geïnvesteerd, hoe verhoudt de investeringswaarde in de cryptomunten zich verhoudingsgewijze tot het totale (roerende) vermogen, en wat is de huidige (markt)waarde van de cryptomunten?;
(iii)het actieve of passieve gedrag van de investeerder: de frequentie van de aan- en verkoopverrichtingen, de gebruikte beleggingsstrategie (buy & hold, trending, active trading/daytrading, scalping, arbitrage), activiteit van mining (het zelf winnen of ‘delven’ van de munt door wiskundige puzzels op te lossen), aan- en verkoop van cryptomunten via een geautomatiseerd proces of via automatische software, investeringen in een cryptocurrency saving fund, aanwezigheid op fora of via blogs in de cryptocurrency gemeenschap, lezingen over het onderwerp geven, gebruik van speciale apparatuur (bv. hardware wallet: een ‘bitcoinkluis’) om de cryptomunten te beschermen, investeringen voor rekening van andere personen, advies inroepen van professionelen uit de financiële en/of informaticasector voor de beleggingen in cryptomunten;
(iv)de opleiding en ervaring met cryptomunten (hebben de huidige beroepsactiviteit, de studies of de professionele ervaring betrekking op de handel in cryptomunten?);
(v)de beleggingstermijn (https://www.ruling.be/nl/downloads/vragenlijst-cryptomunten).

Het ligt voor de hand dat bv. een korte beleggingshorizon (snelle doorverkoop), het gebruik van geleend geld, een actieve investeringspolitiek en de inzet van aanzienlijke middelen wijzen op een speculatief inzicht en dus een belastbaar divers inkomen. Toch kan men vragen stellen bij de relevantie van enkele van die criteria. Zo houdt de rulingdienst enkel rekening met de investering in cryptomunten als percentage van het roerende vermogen. Nochtans kan het risico dat de belastingplichtige neemt, slechts worden beoordeeld rekening houdend met zijn totale vermogen én zijn inkomen. Bovendien lijkt een opleiding of een beroepsactiviteit waarbij kennis werd opgedaan over de handel in cryptomunten, een vrijstelling uit te sluiten voor de rulingdienst. Nochtans kan perfect worden geargumenteerd dat een echte pionier die met kennis van zaken en binnen de grenzen van zijn financiële draagkracht ‘investeert’ in virtuele munten, uiteindelijk minder risico's neemt dan een ‘onwetende belegger’ en dus eerder vrijgesteld zou moeten worden van belasting. De ‘onwetende belegger’ neemt immers gaandeweg kennis van de zichtbare waardevermeerderingen en hoopt op een bepaald ogenblik alsnog te kunnen meesurfen op het (bewezen) succes van de virtuele munt, nochtans goed wetende dat de waarde van die munten uiterst volatiel is. Tot slot komt het ons voor dat ook de huidige waarde van de cryptomunten geen rol zou mogen spelen bij de beoordeling. Het is immers niet omdat een belegging (zéér) succesvol bleek, dat zij daardoor speculatief zou worden. Veeleer het tegendeel lijkt ons waar …
 

Welke criteria wegen het zwaarst?


Hoewel de belastingplichtige met die vragenlijst dan toch een duidelijk zicht krijgt op de criteria waarop de rulingdienst zijn beslissing zal baseren, blijft het onduidelijk welk gewicht de dienst aan elk criterium toekent en welke antwoorden nu juist de doorslag geven om bepaalde inkomsten te belasten of vrij te stellen. Uit contacten met de rulingdienst is wel gebleken dat die vooral let op het aantal verrichtingen en op de omvang van het geïnvesteerde bedrag in verhouding tot het totale roerend vermogen. Daaruit valt dus af te leiden dat de rulingdienst akkoord zou kunnen gaan met de stelling dat een passieve investering op lange termijn met een eerder beperkt deel van het totale (roerend) vermogen geen aanleiding geeft tot belasting. Met uitzondering van belastingplichtigen die zich in die zeer specifieke ‘veilige haven’ bevinden, kan men uit de vragenlijst op zich dus geen zekerheid puren over het toepasselijke belastingregime. Wie iets actiever heeft belegd, of op korte termijn of met een groter gedeelte van zijn (roerend) vermogen, heeft m.a.w. – zo hij absolute rechtszekerheid wil – weinig andere keuze dan een ruling aan te vragen.

Naar onze inschatting mag een aanvrager in de huidige stand van zaken wel uitgaan van een vrij conservatieve benadering door de rulingdienst. Daardoor is de kans reëel dat vele beleggers te horen krijgen dat in hun situatie niet bevestigd kan worden dat de inkomsten vrijgesteld zijn. Het lijkt logisch te veronderstellen dat veel van die beleggers er dan maar voor kiezen om de inkomsten gewoon niet aan te geven (zonder eerst een ruling aan te vragen). De rechtsonzekerheid nemen ze er dan maar bij. In zo'n onzekere context is het voorts niet ondenkbaar dat de grote spelers geneigd zullen zijn fiscaal gunstiger oorden op te zoeken vóór de realisatie van hun meerwaarden.
 

Terechte terughoudendheid?


En op zich kan men dat die beleggers ook niet kwalijk nemen. Want hoewel de rulingdienst steevast het inherente risico van cryptomunten onderstreept, blijkt in de praktijk dat diegenen die met kennis van zaken hebben geïnvesteerd in die munten, steevast overtuigd zijn van het tegendeel. Het komt ons in ieder geval voor dat het niet opgaat om een ‘vermoeden’ te hanteren dat ‘cryptowinsten’ allicht voortkomen uit speculatieve of abnormale verrichtingen. Die huidige insteek van de rulingdienst lijkt moeilijk verzoenbaar met de vereiste van bestuurlijke gelijkheid. Want vele andere (zelfs vrij complexe en ingenieuze) beleggingsvormen worden in de praktijk quasi nooit als diverse inkomsten belast. De geschetste insteek lijkt dan ook vooral te zijn ingegeven door het ‘buiten-traditionele’ karakter van de beleggingsvorm, en door de hoge volatiliteit van de virtuele waarden. Het mag o.i. echter niet zo zijn dat bepaalde pioniers er automatisch van verdacht worden ‘abnormaal’ te handelen, louter omdat anderen (allicht nog steeds de meerderheid van de bevolking) minder vertrouwd zijn met het vernieuwende ‘beleggingsproduct’. Het normale karakter van een beleggingsvorm kan niet in hoofdzaak worden afgemeten aan het aantal beleggers dat kennis heeft van de werking van een bepaald product.

Bovendien moet de ‘abnormaliteit’ ook beschouwd worden vanuit vergelijkbare categorieën belastingplichtigen, i.e. uitgaande van de ‘goede huisvader’ die zich in dezelfde omstandigheden bevindt als de belastingplichtige. In deze context is de goede huisvader uiteraard niet de traditionele fiscalist (ambtenaar, magistraat of adviseur), maar wel de computerkenner die gefascineerd is door deze nieuwe technologie. De eerste ‘beleggers’ of de pioniers hadden bijna allen een IT-achtergrond. Overigens zag de bitcoin, als eerste virtuele munt, al het levenslicht in 2009. Het is evident dat die beleggingsvorm slechts na een zeker rijpingsproces een ruimer publiek heeft bereikt. Maar vandaag kan bezwaarlijk nog beweerd worden dat het beleggen in virtuele munten alleen weggelegd zou zijn voor enkelingen.

De praktijk bevestigt overigens die bespiegelingen. Naar verluidt zijn al verschillende prefilingaanvragen ingediend die uiteindelijk werden ingetrokken nadat de rulingdienst een voor de belastingplichtige negatief advies had verstrekt. Het zou daarbij steeds zijn gegaan over een belastingplichtige die vond dat zijn recent gerealiseerde of te realiseren meerwaarden niet belastbaar zijn, terwijl die meerwaarden op basis van de analyse door de rulingdienst wel belastbaar zouden zijn. Een belastingplichtige die zich daarbij niet wil neerleggen (en dus zijn rulingaanvraag intrekt), blijft fiscaal uiteraard in het ongewisse en riskeert uiteindelijk in een betwisting met de fiscus te belanden. Daarbij komt nog dat meer en meer geopperd wordt om de rapporteringsverplichtingen, die op maat gemaakt zijn van de klassieke spaar- en beleggingsrekeningen, consequent door te trekken naar de virtuele beleggingswereld (inzonderheid de daarin opererende tussenpersonen), met als evidente doel aan de fiscus een duidelijker beeld te geven van het digitale reilen en zeilen. Betrokkenen doen er dus goed aan om proactief te onderbouwen waarom de verrichtingen volgens hen kaderen binnen een normaal beheer van een privévermogen.
 

Vooral veel onduidelijkheid


Uiteindelijk zal het dus allicht aan de hoven en rechtbanken toekomen om definitief te oordelen over deze problematiek. Heel vaak zal het debat dan ook uitmonden in feitelijke discussies over het al dan niet ‘normale’ of ‘speculatieve’ karakter van de belegging. Dergelijke discussies zijn vaak oeverloos, en ook de subjectieve mening van de rechter speelt dan een grote rol. De vraag rijst of een wet die met zo'n grote grijze zone is behept, nog wel een wet is. Want als uit de omstandigheden blijkt dat de (voorgehouden) toepassing van een wet voor een bepaalde belastingplichtige onvoorzienbaar was, is er geen sprake van een kwalitatieve wet die als rechtsgrond voor de betwiste belastingheffing kan gelden (zie Fisc. Act. 2011, 31/1 over de noodzakelijke voorzienbaarheid van een wet).

Gelet op de niet altijd even duidelijke kwalificatie en/of belastbaarheid van de inkomsten, komt het ons voor dat de wetgever dringend moet ingrijpen. Idealiter wordt o.i. een duidelijk belastingstelsel geschapen, waarbij het voor iedereen duidelijk is wat het toepasselijke regime is voor inkomsten uit virtuele munten, los van de subjectieve omstandigheden. Hoe dat stelsel er dan precies moet uitzien, is uiteraard grotendeels een beleidskwestie. Men kan het bestaande onderscheid tussen beroeps-, diverse en niet-belastbare inkomsten weliswaar behouden, maar dan moeten duidelijke en geobjectiveerde/meetbare criteria in de wet worden opgenomen. Zo kan eindelijk komaf worden gemaakt met het zeer subjectieve onderscheid tussen normaal en abnormaal. Een alternatief is uiteraard dat er een uniform stelsel komt waarin (los van de omstandigheden) de inkomsten uit (crypto-)beleggingen worden belast aan een vast (en billijk) tarief. In ieder geval moet men in dat stelsel ook eventuele minderwaarden fiscaal in rekening kunnen brengen.

Daarbij zou men zich tot slot ook kunnen afvragen of het wel opportuun is om al belasting te heffen bij elke omzetting van cryptomunten of bij elke verkoop tegen een andere cryptomunt (zoals de rulingdienst art. 90 1° WIB 92 klaarblijkelijk interpreteert). Uiteindelijk worden in dat geval louter virtuele inkomsten belast (een effectief inkomen is er pas als de in ruil verkregen cryptomunten op hun beurt verkocht worden). Zeker gelet op de hoge volatiliteit van de virtuele munten, is het helemaal niet zeker dat die virtuele inkomsten ooit effectief zullen kunnen worden geïnd. Beleidsmatig lijkt het ons dan ook verdedigbaar om het belastbaar tijdstip te koppelen aan het ogenblik waarop het einddoel van de beleggingsbeslissing wordt bereikt, d.w.z. (in de regel) bij de terugkeer naar de reële (euro-)wereld.
Mark Delanote
Bloom Law, VUB, UGent

Pieterjan Smeyers
Bloom Law



© 2018 Wolters Kluwer Belgium N.V. - www.monkey.be
Datum 13/06/2018