Het wettelijk pensioen, belofte maakt schuld?

30/11/2017 | Sociaal | Kristof Salomez
Afgelopen donderdag werd in de plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsontwerp goedgekeurd waarmee de actuele pensioenwetgeving op twee essentiƫle punten wordt gewijzigd. Het in de Kamer goedgekeurde wetsontwerp strekt er met name toe het principe van de eenheid van pensioenloopbaan verder te hervormen alsook de regels betreffende het vervroegd rustpensioen aan te passen.
Het ACV reageerde meteen door te stellen dat met de vooropgestelde wijziging van de pensioenwetgeving, de regering contractbreuk pleegt ten aanzien zo’n 30.000 werknemers. Vooral werknemers die op jonge leeftijd zijn beginnen werken en bij het einde van hun loopbaan zonder werk vallen of op brugpensioen gaan, zouden er naar verluidt op achteruit gaan ten opzichte van de actuele regeling. Daarom lijkt het ACV vastberaden om de pensioenhervorming voor de rechter aan te vechten. Vanuit de regeringspartijen weerklinkt onbegrip daar de pensioenhervorming erop gericht is om mensen die langer werken meer pensioen toe te kennen, een principe waar iedereen zich toch zou moeten kunnen in vinden.

Dat de regering contractbreuk zou plegen hebben we reeds vaker gehoord de afgelopen jaren. De vraag rijst of het argument dat contractbreuk zou zijn gepleegd met enige kans op succes in rechte kan worden opgeworpen.

Noch de wetgevende, noch de uitvoerende macht hebben met welke tegenpartij dan ook een contract gesloten, wanneer zij de bestaande pensioenwetgeving vastlegden. In het publiek recht geldt het zogeheten veranderlijkheidsbeginsel, op grond waarvan de overheid op elk ogenblik eenzijdig de regelgeving kan wijzigen.

Betekent dit dat de overheid bij de uitoefening van zijn regelgevende bevoegdheid zonder enige beperking zijn zin kan doen? In een rechtstaat is het antwoord neen. Ook de wetgevende en uitvoerende macht dienen bij de uitoefening van hun bevoegdheden, de toepasselijke rechtsregels in acht te nemen. Wanneer het regelgevend optreden betrekking heeft op de sociale zekerheid, waaronder de pensioenen, is in het bijzonder het in de Belgische Grondwet opgenomen grondrecht op sociale zekerheid van belang. Dit houdt volgens een vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving, niet aanzienlijk mag verminderen, zonder dat daarvoor een reden voor handen is die verband houdt met het algemeen belang.

In het geval van de thans voorliggende pensioenhervorming moet vastgesteld worden dat de wijziging die wordt beoogd met het in de Kamer goedgekeurd ontwerp op zich geen verlies van pensioenrechten met zich meebrengt. Eenmaal het in de Kamer goedgekeurd ontwerp, wet wordt zal men immers bijkomende rechten opbouwen wanneer men verder blijft werken na het bereiken van een volledige pensioenloopbaan. Daarnaast wordt ook aan bruggepensioneerden de mogelijkheid gegeven om vervroegd op pensioen te gaan. Er is dus geen sprake van een beperking van het pensioen en dus evenmin van een schending van het in de Grondwet erkende grondrecht op sociale zekerheid.

Anders is het evenwel gesteld met het Ontwerp van Koninklijk Besluit dat de regering goedkeurde samen met het wetsontwerp. In dit Koninklijk Besluit wordt gesleuteld aan de regeling betreffende de gelijkgestelde periodes. Het betreft de periodes van inactiviteit die voor de berekening van het pensioen gelijkgesteld worden met arbeid en aldus worden meegerekend in de loopbaan voor de vaststelling van het pensioen. Twee belangwekkende wijzigingen worden op dat vlak vooropgesteld, in het bijzonder met betrekking tot de perioden van onvrijwillige werkloosheid en brugpensioen. Deze periodes zullen onder het nieuwe KB voor de berekening van het pensioen niet langer gelijkgesteld worden nadat de volledige loopbaan werd bereikt. Dit is overigens een opvallende vaststelling nu de Minister van pensioenen bij de toelichting van het aangehaalde wetsontwerp uitdrukkelijk stelde dat ten gevolge van de hervorming van de eenheid van pensioenloopbaan de zogeheten gelijkgestelde periodes na het bereiken van een volledige pensioenloopbaan weliswaar geen recht kunnen openen op bijkomende pensioenrechten, maar wel nog altijd in aanmerking komen voor de berekening van het pensioen in de mate waarin deze voordeliger zijn dan andere effectief gepresteerde dagen of jaren. Dit wordt dus tegengesproken door het thans voorliggende ontwerp van KB.

Een tweede wijziging bestaat erin dat bepaalde periodes van onvrijwillige werkloosheid en brugpensioen, in de mate waarin zij wel worden meegerekend, slechts voor een beperkter bedrag worden meegerekend dan thans het geval is.

Daar waar de wijziging van het principe van de eenheid van pensioenloopbaan en van het vervroegd pensioen niet strijdig kan worden geacht met het grondrecht op sociale zekerheid, ligt de zaak helemaal anders voor de wijzigingen die worden in het vooruitzicht gesteld met het ontwerp van KB.

In ieder geval valt het te betreuren dat op een dermate cruciaal thema als het wettelijk pensioen, zowel de huidige als de vorige regering zijn toevlucht blijft nemen tot ad hoc maatregelen, terwijl de maatschappelijke gedragenheid van de sociale zekerheid precies het tegenovergestelde vereist, te weten een substantiële hervorming waarbij ambtenaren, zelfstandigen en werknemers aanspraak kunnen maken op dezelfde pensioenrechten.