De taks-shift discrimineert lokale besturen, een politiek spelletje of een juridisch gevecht?

26/10/2017 | Sociaal | Kristof Salomez
In de Franstalige pers wordt vandaag bericht over het vernietigingsberoep tegen de Taks-shift, dat werd ingesteld door het OCMW van Bergen en La Louvière en waarbij de Waalse vereniging van steden en gemeenten (UVCW) zich heeft aangesloten. De beide OCMW’s, hierin gevolgd door de Waalse vereniging van steden en gemeenten achten de taks-shift strijdig met het gelijkheidsbeginsel in de mate waarin deze patronale RSZ-bijdragen vermindert ten behoeve van de private werkgevers en niet ten behoeve van publieke werkgevers die in concurrentie treden met de private sector.
Het initieel beroep dateert van 30 juni 2016, en de Waalse vereniging van steden en gemeenten heeft zich hierbij aangesloten in september 2016, waardoor het verwondert dat dit vandaag in de pers komt. De reden hiervoor is dat dit vernietigingsberoep thans het voorwerp blijkt te zijn gaan uitmaken van een politiek gevecht. Gemeenteraadslid Bouchez (MR) in de stad Bergen ziet in dit beroep een politieke zet van de PS. De OCMW’s van Bergen en La Louvière alsook de Waalse vereniging van steden en gemeenten zouden naar verluidt in PS handen zijn. Het zou dan deze PS zijn die via de weg van een vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof de Federale regering, en in het bijzonder de MR, een pad in de korf zou willen zetten. Het is in het licht hiervan dat gemeenteraadslid Bouchez voornemens is om op de volgende gemeenteraad van de stad Bergen een motie in te dienen om het beroep in te trekken.

Te midden van dit politiek gekrakeel rijst de vraag of er nu werkelijk iets aan de hand is met de taks-shift dan wel of het inderdaad louter om een politiek spelletje zou gaan.
Om dit te duiden dient te worden afgedaald in de donkere krochten van het ingewikkelde Belgische socialezekerheidsrecht.

De verplichting voor de werkgever om sociale bijdragen te betalen alsook het tarief van deze bijdragen, wordt bepaald in de RSZ-wet en in de Algemene Beginselenwet Sociale zekerheid.
 
Het totaal van de door de werkgever aan de RSZ te betalen bijdragen bestaat uit een werknemersbijdrage die in de regel 13,07% bedraagt en een werkgeversbijdrage. Het tarief van de werkgeversbijdrage varieert naargelang de werkgever. In hoofdzaak is de werkgeversbijdrage samengesteld uit een basiswerkgeversbijdrage en de zogeheten loonmatigingsbijdrage. De basiswerkgeversbijdrage bedraagt 24,92% voor werkgevers uit de private sector, 24,82% voor bepaalde publieke werkgevers en 23,07% voor de lokale en provinciale besturen. Samen met de loonmatigingsbijdrage en andere kleinere bijdragen komt dit op een totaal van tussen 32% en 35% voor de bedienden (voor arbeiders is het tarief hoger).
Daarmee is de kous evenwel niet af. Voor bepaalde categorieën van contractueel personeel (laat ons gemakshalve enkel daarop focussen) in dienst van de overheid werd de toepassing van de RSZ-wet beperkt tot bepaalde sectoren van de sociale zekerheid. In dat geval wordt het tarief van de basiswerkgeversbijdrage naar verhouding verminderd. 

Daarmee is de kous nog steeds niet af. In een aparte wet wordt nog voorzien in diverse bijdrageverminderingen, zeg maar kortingen op het totaal bedrag van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen. De belangrijkste is de zogeheten structurele bijdragevermindering. De structurele bijdrageverminderingen nemen de vorm aan van een bedrag (geen percentage dus) dat het resultaat is van een ingewikkelde formule, en dat de werkgever ieder kwartaal in mindering mag brengen van zijn bijdragen. Daardoor is de werkelijke totale werkgeversbijdrage een stuk lager dan de genoemde 33% tot 35%.
 
Waar situeert de bewuste taks-shift of patronale bijdragevermindering, waartoe door de regering Michel werd beslist, zich nu precies?

Welnu, de patronale bijdragevermindering is eigenlijk in de plaats gekomen van de structurele bijdrageverminderingen. Deze werd afgeschaft en werd vervangen door een verlaging van de basiswerkgeversbijdrage naar 22,65% en vervolgens (vanaf 2018) naar 19,88%. Aan de lokale besturen wordt deze verlaging van de basiswerkgeversbijdrage en dus het voordeel van de taks-shift, ontzegd.
Dit heeft als concreet gevolg dat lokale besturen soms meer sociale bijdragen betalen dan private werkgevers zelfs al bieden deze vergelijkbare diensten aan en concurreren zij met het lokaal bestuur. Dit is bijvoorbeeld het geval voor rust- en verzorgingstehuizen.

In het licht hiervan is het niet zo verwonderlijk dat aan het Grondwettelijk Hof de vraag wordt voorgelegd of een verschil in bijdragetarief voor private ondernemingen enerzijds en publieke instellingen die dezelfde diensten aanbieden anderzijds, wel in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel.

Overeenkomstig het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel mag de wetgever immers vergelijkbare categorieën niet verschillend behandelen zonder een redelijke verantwoording. De vraag of private en publieke werkgevers vergelijkbare categorieën zijn lijkt op het eerste gezicht ontkennend te moeten worden beantwoord. Wanneer het echter werkgevers betreft die identieke of vergelijkbare diensten aanbieden en die mogelijk ook op dezelfde wijze worden gefinancierd, dan lijkt het mij allerminst evident om nog voor te houden dat het niet om vergelijkbare categorieën zou gaan.

Blijft dan nog de vraag of er een redelijke verantwoording is voor deze onderscheiden behandeling.
 
Wanneer het de bedoeling is om de concurrentiepositie van de ondernemingen te bevorderen en daardoor jobs te creëren, lijkt dit in ieder geval geen verantwoording te kunnen zijn om werkgevers die participeren aan deze concurrentie, uit te sluiten van de bijdragevermindering en daardoor de private werkgevers een concurrentievoordeel te geven.

Dat de vraag wordt voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof lijkt mij vanuit juridisch oogpunt bekeken terecht. Of dit betekent dat in concreto de actie niet zou zijn ingegeven door politieke doeleinden, wil ik daarmee niet gezegd hebben.