De strijd tegen de sociale dumping en vóór de geloofwaardigheid van de Europese Unie

23/10/2017 | Sociaal | Kristof Salomez
Het fenomeen is intussen bij iedereen gekend. Poolse, Roemeense, Bulgaarse en Portugese bouwvakkers komen werken in België en kosten minder dan hun Belgische collega’s. Een vergelijkbaar fenomeen laat zich voelen in de transportsector.
Het gevolg ligt voor de hand: de Belgische bouwvakkers en chauffeurs, alsook de Belgische bedrijven die geen beroep doen op Oost-Europese of Portugese onderaannemers worden weggeconcurreerd. Het zou om sociale dumping gaan, waarmee wordt geïnsinueerd dat de buitenlandse bouwvakkers en chauffeurs worden uitgebuit en veel minder worden betaald dan hun Belgische collega’s.

Vandaag buigen de Ministers van Werk zich over een voorstel tot aanpassing van de zogeheten Detacheringsrichtlijn, teneinde de voormelde sociale dumpingpraktijken aan te pakken. Teneinde het voorstel correct te kunnen duiden, is het van belang de essentie van de actuele Detacheringsrichtlijn toe te lichten. De essentie van de Detacheringsrichtlijn is dat zij de lidstaten van de Europese Unie oplegt om erover te waken dat ten aanzien van de werknemers die vanuit een andere EU-lidstaat naar België worden gedetacheerd, onder meer de in de wetten, reglementen en algemeen verbindend verklaarde collectieve akkoorden bepaalde minimumlonen, maximale arbeidstijd, minimale rusttijden en minimale vakantiedagen, worden gerespecteerd. Vermits het een Richtlijn, en geen verordening betreft, heeft deze geen rechtstreekse uitwerking in de lidstaten, maar moeten de lidstaten een reglementering uitwerken op nationaal niveau om de principes van de Richtlijn om te zetten en dus operationeel te maken. In België gebeurde dit door de zogeheten Detacheringswet. Op basis hiervan dienen ten aanzien van deze gedetacheerde werknemers alle strafrechtelijk gesanctioneerde arbeidsrechtelijke regels te worden gerespecteerd. Dit komt neer op nagenoeg het volledige Belgische arbeidsrecht, waardoor België, op zijn zachtst gezegd, een maximale invulling heeft gegeven aan de Europese Richtlijn.

De wijziging van de Detacheringsrichtlijn die vandaag wordt besproken, beoogt in de eerste plaats een maximale duur te bepalen waarbinnen kan worden gedetacheerd. Thans is er in de Detacheringsrichtlijn geen maximale duur bepaald. Het zou om een duur van 24 maanden gaan, hetgeen aansluit bij de maximale duur die een detachering mag hebben voor de toepassing van de Sociale zekerheidsverordening (Coördinatieverordening 883/2004). In de tweede plaats hamert Eurocommissaris Marianne Thyssen er veel op dat in het voorstel niet langer alleen de minimumlonen moeten worden gegarandeerd ten aanzien van het gedetacheerd personeel, maar hetzelfde loon als hetgeen geldt bij de onderneming naar waar de betrokken buitenlandse arbeidskracht wordt gedetacheerd.

Wat dient nu te worden gedacht van dit voorstel en wat zal de impact zijn op de gehekelde sociale dumpingpraktijken? Het antwoordt luidt helaas dat er nagenoeg geen impact te verwachten valt van deze maatregel.

De bezoldiging die volgens het voorstel zou moeten worden gegarandeerd, zijn de lonen die verplicht zijn bij nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard. Vertaald naar België zijn dit de facto de loonbarema’s die vastgelegd zijn in de algemeen verbindend verklaarde sectorale CAO’s. Het betreft de minimumlonen zo men wil. Deze sectorale barema’s gelden immers als ondergrens ook al worden in de praktijk de meeste bouwvakkers en chauffeurs betaald conform deze barema’s waardoor deze lonen de effectieve lonen zijn. Belangrijker evenwel is dat, op dit ogenblik, deze loonbarema’s reeds verplicht moeten worden nageleefd ten aanzien van de gedetacheerde werknemers, op basis van de actuele Detacheringswet.

Voor België zal er dus bitter weinig veranderen. Ook de invoering van een maximale detacheringsduur zal weinig verandering brengen, daar in de praktijk reeds met deze maximumduur rekening wordt gehouden opdat de gedetacheerde onder de sociale bijdragen zou blijven vallen van zijn land van herkomst.

De impact van de maatregelen op het geschetste fenomeen van sociale dumping is dus nagenoeg nihil. Dit is wellicht voor een deel te verklaren door een gebrek aan draagvlak bij de Lidstaten van de EU om dit fenomeen daadwerkelijk aan te pakken, doch tevens houdt dit verband met een foutieve inschatting van het probleem.

Wanneer de naar België gedetacheerde werknemers minder loon zouden krijgen dan hun Belgische collega’s zal dat in de meerderheid der gevallen, en zeker in de bouwsector en de transportsector, gepaard gaan met een overtreding van de detacheringsregels. En indien men doelbewust de toepasselijke loonbarema’s naast zich neer wenst te leggen werkt men met (schijn)zelfstandigen waarvoor de barema’s hoe dan ook niet gelden. Een groot deel van het financieel voordeel dat is verbonden aan het werken met Oost-Europese en Portugese arbeidskrachten zit hem evenwel niet in het verschil in loon, maar in het verschil in sociale zekerheidsbijdragen dat op het loon verschuldigd is. Op het loon van de naar Belgische gedetacheerde Poolse bouwvakker zijn immers in de regel de Poolse bijdragen en dus niet de Belgische bijdragen verschuldigd, althans wanneer de detachering niet meer dan 24 maanden bedraagt. In de bouwsector bedragen de patronale bijdragen om en bij de 50% berekend op het volledige loon. In de meeste Oost-Europese lidstaten en Portugal is dat een stuk lager en worden niet zelden slechts bijdragen betaald op het minimumloon in het land van herkomst.

Het is precies deze realiteit die wordt miskend wanneer men het stelselmatig over sociale dumping heeft, en waardoor de Europese initiatieven, die misschien goed bedoeld zijn, hun doel missen.

Het zou accurater zijn wanneer men het fenomeen aanduidt met ‘sociale concurrentie’. Een belangrijk neveneffect van de interne markt met een vrij verkeer van diensten is precies dat lidstaten elkaars concurrenten worden op het vlak van sociale bescherming, sociale bijdragen en overigens ook belastingen. Op sociaal vlak, is er m.i. slechts één oplossing, namelijk de tarieven van de sociale bijdragen vereenvoudigen zodat zij gemakkelijk vergelijkbaar zijn tussen alle lidstaten en vervolgens het tarief laten afhangen van de lidstaat waar men werkt. Zo zal een Poolse bouwvakker mogelijk aangesloten blijven bij de Poolse sociale zekerheid, maar voor zijn tewerkstelling in België bijdragen betalen volgens de in België geldende tarieven. Dit lost nog niet alles op, maar hiermee geraken we toch al een heel eind.

Het gevolg ligt voor de hand: de Belgische bouwvakkers en chauffeurs, alsook de Belgische bedrijven die geen beroep doen op Oost-Europese of Portugese onderaannemers worden weggeconcurreerd. Het zou om sociale dumping gaan, waarmee wordt geïnsinueerd dat de buitenlandse bouwvakkers en chauffeurs worden uitgebuit en veel minder worden betaald dan hun Belgische collega’s.

Vandaag buigen de Ministers van Werk zich over een voorstel tot aanpassing van de zogeheten Detacheringsrichtlijn, teneinde de voormelde sociale dumpingpraktijken aan te pakken. Teneinde het voorstel correct te kunnen duiden, is het van belang de essentie van de actuele Detacheringsrichtlijn toe te lichten. De essentie van de Detacheringsrichtlijn is dat zij de lidstaten van de Europese Unie oplegt om erover te waken dat ten aanzien van de werknemers die vanuit een andere EU-lidstaat naar België worden gedetacheerd, onder meer de in de wetten, reglementen en algemeen verbindend verklaarde collectieve akkoorden bepaalde minimumlonen, maximale arbeidstijd, minimale rusttijden en minimale vakantiedagen, worden gerespecteerd. Vermits het een Richtlijn, en geen verordening betreft, heeft deze geen rechtstreekse uitwerking in de lidstaten, maar moeten de lidstaten een reglementering uitwerken op nationaal niveau om de principes van de Richtlijn om te zetten en dus operationeel te maken. In België gebeurde dit door de zogeheten Detacheringswet. Op basis hiervan dienen ten aanzien van deze gedetacheerde werknemers alle strafrechtelijk gesanctioneerde arbeidsrechtelijke regels te worden gerespecteerd. Dit komt neer op nagenoeg het volledige Belgische arbeidsrecht, waardoor België, op zijn zachtst gezegd, een maximale invulling heeft gegeven aan de Europese Richtlijn.

De wijziging van de Detacheringsrichtlijn die vandaag wordt besproken, beoogt in de eerste plaats een maximale duur te bepalen waarbinnen kan worden gedetacheerd. Thans is er in de Detacheringsrichtlijn geen maximale duur bepaald. Het zou om een duur van 24 maanden gaan, hetgeen aansluit bij de maximale duur die een detachering mag hebben voor de toepassing van de Sociale zekerheidsverordening (Coördinatieverordening 883/2004). In de tweede plaats hamert Eurocommissaris Marianne Thyssen er veel op dat in het voorstel niet langer alleen de minimumlonen moeten worden gegarandeerd ten aanzien van het gedetacheerd personeel, maar hetzelfde loon als hetgeen geldt bij de onderneming naar waar de betrokken buitenlandse arbeidskracht wordt gedetacheerd.

Wat dient nu te worden gedacht van dit voorstel en wat zal de impact zijn op de gehekelde sociale dumpingpraktijken? Het antwoordt luidt helaas dat er nagenoeg geen impact te verwachten valt van deze maatregel.

De bezoldiging die volgens het voorstel zou moeten worden gegarandeerd, zijn de lonen die verplicht zijn bij nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard. Vertaald naar België zijn dit de facto de loonbarema’s die vastgelegd zijn in de algemeen verbindend verklaarde sectorale CAO’s. Het betreft de minimumlonen zo men wil. Deze sectorale barema’s gelden immers als ondergrens ook al worden in de praktijk de meeste bouwvakkers en chauffeurs betaald conform deze barema’s waardoor deze lonen de effectieve lonen zijn. Belangrijker evenwel is dat, op dit ogenblik, deze loonbarema’s reeds verplicht moeten worden nageleefd ten aanzien van de gedetacheerde werknemers, op basis van de actuele Detacheringswet.

Voor België zal er dus bitter weinig veranderen. Ook de invoering van een maximale detacheringsduur zal weinig verandering brengen, daar in de praktijk reeds met deze maximumduur rekening wordt gehouden opdat de gedetacheerde onder de sociale bijdragen zou blijven vallen van zijn land van herkomst.

De impact van de maatregelen op het geschetste fenomeen van sociale dumping is dus nagenoeg nihil. Dit is wellicht voor een deel te verklaren door een gebrek aan draagvlak bij de Lidstaten van de EU om dit fenomeen daadwerkelijk aan te pakken, doch tevens houdt dit verband met een foutieve inschatting van het probleem.

Wanneer de naar België gedetacheerde werknemers minder loon zouden krijgen dan hun Belgische collega’s zal dat in de meerderheid der gevallen, en zeker in de bouwsector en de transportsector, gepaard gaan met een overtreding van de detacheringsregels. En indien men doelbewust de toepasselijke loonbarema’s naast zich neer wenst te leggen werkt men met (schijn)zelfstandigen waarvoor de barema’s hoe dan ook niet gelden. Een groot deel van het financieel voordeel dat is verbonden aan het werken met Oost-Europese en Portugese arbeidskrachten zit hem evenwel niet in het verschil in loon, maar in het verschil in sociale zekerheidsbijdragen dat op het loon verschuldigd is. Op het loon van de naar Belgische gedetacheerde Poolse bouwvakker zijn immers in de regel de Poolse bijdragen en dus niet de Belgische bijdragen verschuldigd, althans wanneer de detachering niet meer dan 24 maanden bedraagt. In de bouwsector bedragen de patronale bijdragen om en bij de 50% berekend op het volledige loon. In de meeste Oost-Europese lidstaten en Portugal is dat een stuk lager en worden niet zelden slechts bijdragen betaald op het minimumloon in het land van herkomst.

Het is precies deze realiteit die wordt miskend wanneer men het stelselmatig over sociale dumping heeft, en waardoor de Europese initiatieven, die misschien goed bedoeld zijn, hun doel missen.

Het zou accurater zijn wanneer men het fenomeen aanduidt met ‘sociale concurrentie’. Een belangrijk neveneffect van de interne markt met een vrij verkeer van diensten is precies dat lidstaten elkaars concurrenten worden op het vlak van sociale bescherming, sociale bijdragen en overigens ook belastingen. Op sociaal vlak, is er m.i. slechts één oplossing, namelijk de tarieven van de sociale bijdragen vereenvoudigen zodat zij gemakkelijk vergelijkbaar zijn tussen alle lidstaten en vervolgens het tarief laten afhangen van de lidstaat waar men werkt. Zo zal een Poolse bouwvakker mogelijk aangesloten blijven bij de Poolse sociale zekerheid, maar voor zijn tewerkstelling in België bijdragen betalen volgens de in België geldende tarieven. Dit lost nog niet alles op, maar hiermee geraken we toch al een heel eind.