Zin of onzin van een apart statuut voor freelancers

20/10/2017 | Sociaal | Kristof Salomez
Voka bond de kat de bel aan. Er moet aldus de werkgeversorganisatie worden nagedacht over de invoering van een tussenstatuut tussen werknemers en de zelfstandigen, voor freelancers. Op deze tussencategorie zou dan de bescherming van het arbeidsrecht gedeeltelijk van toepassing zijn. Met name zouden de regels inzake de arbeidsduur, minimumlonen en jaarlijkse vakantie van toepassing zijn.
De arbeidsrechtelijke regels inzake ontslag zouden niet van toepassing zijn op de freelancers en er zou geen minimum aantal prestaties moeten worden gegarandeerd. Abstractie makend van het overheidspersoneel en reeds bestaande tussenstatuten van beperktere omvang, zouden hierdoor drie soorten beroepscategorieën ontstaan, te weten de werknemers die onder het arbeidsrecht en de sociale zekerheid der werknemers vallen, de zelfstandigen die niet onder de bescherming van het arbeidsrecht vallen en onder de beperktere sociale zekerheid der zelfstandigen vallen, en tenslotte de freelancers die onder een deel van de arbeidsrechtelijke bescherming en de sociale zekerheid der werknemers vallen en daarbuiten onder de regeling vallen die ook geldt voor de zelfstandigen. Het betreft bijgevolg geen kleinigheid maar een behoorlijk fundamentele hertekening van het Belgisch sociaal recht. De mosterd is Voka gaan halen in het buitenland. Zo bestaan in sommige buurlanden reeds dergelijke tussenstatuten.

De andere werkgeversorganisaties en de vakbonden reageren allesbehalve enthousiast op het voorstel van Voka. De werkgeversorganisaties vrezen ervoor dat de samenwerking met zelfstandigen hierdoor rigider wordt en de vakbonden vrezen ervoor dat dit de bescherming van het arbeidsrecht zou uithollen, doordat steeds meer mensen zouden ondergebracht worden in deze tussencategorie.

Is deze terughoudendheid nu terecht of niet en is het voorstel van Voka zinvol in België? Vakbonden en werkgeversorganisaties nestelen zich in hun klassieke posities, doch de vraag rijst of dit voorstel niet meer aandacht verdient, nu dit verband houdt met de vraag wie wel en wie niet onder de sociale bescherming der werknemers valt. Dit is een fundamentele vraag die zowel op beleidsvlak als in de rechtspraktijk tot tal van discussies en onduidelijkheden aanleiding geeft.

Een van de oorzaken, en misschien wel de belangrijkste oorzaak hiervan, is de sleutel voor de toegang tot de bescherming der werknemers. Deze sleutel is de zogeheten band van ondergeschiktheid. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie gaat het om een juridische ondergeschiktheid, in die zin dat deze inhoudt dat de werkgever de bevoegdheid heeft om bevelen te geven en de werknemer de verplichting heeft om deze bevelen op te volgen. Of de werknemer of zelfstandige al dan niet economische afhankelijk is van zijn opdrachtgever is hierbij niet relevant. Iemand die slechts 1 opdrachtgever heeft en hiervan volledig afhankelijk is om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en mogelijk zijn prestaties zelfs verricht in de lokalen van deze opdrachtgever, zal op die gronden niet als werknemer kunnen worden beschouwd. Slechts wanneer aangetoond wordt dat hij werkt onder het juridisch gezag van de opdrachtgever zal de arbeidsrelatie als een arbeidsovereenkomst kunnen worden gekwalificeerd en zal de betrokkene dus de bescherming van het arbeidsrecht genieten.

Het is precies dit onderscheid tussen economische afhankelijkheid en juridische ondergeschiktheid dat door velen, de Belgische wetgever incluis, slecht wordt begrepen. Het gevolg hiervan is een begripsverwarring die ertoe leidt dat niet iedereen dezelfde opvatting heeft over de vraag wie nu volgens de actuele wetgeving onder de bescherming der werknemers valt en wie niet. Hierdoor is er ook een verschil in opvatting betreffende de freelancers. Voor de enen zijn dit werknemers en zou de invoering van een tussenstatuut dus afbreuk doen aan de sociale bescherming. Volgens anderen zijn het zelfstandigen en zou door de invoering van het tussenstatuut een deel van de zelfstandigen gedeeltelijk onder het arbeidsrecht worden gebracht.
Hanteert men correcte begrippen, dan kan men er moeilijk aan voorbij dat naast de personen die onder juridisch gezag werken van een werkgever, er zelfstandigen zijn die volledig economisch afhankelijk zijn van hun opdrachtgever, geen eigen bedrijfsmateriaal en personeel hebben en zich ook niet als onderneming profileren op de markt en anderen die wel als een daadwerkelijke onderneming profileren en niet afhankelijk zijn van 1 opdrachtgever.

De cruciale vraag die daarbij rijst is of deze onderscheiden groepen van zelfstandigen wel voldoende vergelijkbaar zijn om op dezelfde wijze te worden behandeld, dan wel of zich een specifieke regeling opdringt voor de economisch afhankelijke zelfstandigen. Dit is een fundamentele vraag die een grondig debat verdient. Thans sluiten sociale partners hun ogen voor deze maatschappelijke realiteit en delen deze freelancers in als werknemer, dan wel als zelfstandige naargelang de invulling die zij zelf geven aan het werknemersbegrip.

Nu, snel, snel een tussencategorie creëren is een bijzonder slecht idee, en zou eens te meer het sociaal recht dat reeds bijzonder complex is, nog complexer maken. De discussie over het toepassingsgebied van de sociale wetten uit de weg gaan is evenwel een al even slecht idee.

De werknemers, werkgevers, zelfstandigen en opdrachtgevers hebben recht op duidelijkheid.