Woekerinterest

31/08/2017 | Fiscaal | Michel Maus
Wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Dit gezegde is onze contreien alom gekend en staat symbool voor de menselijke fout en het aspect van vergeving. Niemand is onfeilbaar en dus moeten we aanvaarden dat mensen fouten kunnen maken. Elk zinnig mens staat achter dit principe, behalve de fiscus. Simpele en gewone fiscale fouten worden door de fiscus niet door de vinger gezien. Bij elke fout hoort volgens de fiscus een sanctie.
En ook ik heb dit ondertussen aan den lijve mogen ondervinden. Puur uit vergetelheid was ik tegen de deadline de verschuldigde BTW vergeten over te maken aan de fiscale administratie en hopla een administratieve boete was mijn deel. Maar bovenop deze boete werd door de fiscus ook nog eens nalatigheidsinteresten gevorderd wegens laattijdige betaling.
 
Op zich is dat toch normaal zult u zeggen, uiteraard op voorwaarde dat ook het percentage van de gevorderde interesten normaal zou zijn. En dat is niet het geval. Op vlak van BTW vordert de fiscus maar liefst 9,6 procent aan nalatigheidsinteresten. 
 
En dat mogen we als belastingbetalers absoluut niet langer meer aanvaarden. Bij de invoering van de BTW in 1970 was het de bedoeling van de wetgever dat de interestvoet voor de fiscale nalatigheidsinteresten de wettelijke interestvoet moest volgen. In 1970 werd aldus 7,2 procent nalatigheidsinterest gevorderd. Dit percentage werd een eerste maal aangepast in 1976 en verhoogd tot 12 procent. In 1986 werd het tarief verlaagd tot 9,6 procent. Terzelfdertijd werd door de wetgever aan de uitvoerende macht de bevoegdheid gegeven het percentage aan te passen "wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is". Sinds 1986 is het percentage van de fiscale nalatigheidsinteresten voor BTW echter niet meer gewijzigd. 
 
Dit is natuurlijk absurd want sinds 1986 zijn er uiteraard wel nog significante schommelingen geweest met de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten. Zo bijvoorbeeld is de wettelijke interest voor 2017 vastgesteld op 2 procent, maar zelfs deze historisch lage interestvoet inspireert de overheid niet om de fiscale interestvoeten inzake BTW te verlagen. 
 
Op het vlak van de Inkomstenbelastingen heeft de overheid wel al ingegrepen en werd het percentage van de nalatigheidsinteresten in 1998 van 9,6 procent tot 7 procent herleid. Terzelfdertijd werd echter om pure budgettaire redenen bij wet ook bepaald dat de fiscale nalatigheidsinteresten altijd minstens 7 procent moeten bedragen, zelfs al zakt de rentevoet van de wettelijke interesten onder dit niveau. 
 
Het feit dat de overheid blijft vasthouden aan dergelijke absurd hoge interestvoeten doet uiteraard juridische vragen stellen. Nalatigheidsinteresten hebben immers tot doel de werkelijk geleden schade te dekken die het gevolg is van de aan de schuldenaar toe te rekenen vertraging in de betaling. Fiscaal luidt het verder dat de nalatigheidsinteresten tot doel hebben een burgerlijke schadevergoeding toe te kennen aan de overheid, zodat de overheid het voordeel kan terugnemen dat de belastingplichtige heeft bekomen door laattijdig te betalen.
 
Het is duidelijk dat de absurd hoge nalatigheidsinteresten die door de fiscale administratie worden gevorderd het schadevergoedend karakter ruimschoots overtreffen. Door interesten te vorderen die verder gaan dan interesten die louter vergoedend werken, gaat de fiscus in wezen de belastingplichtige gaan bestraffen. En in dit geval moeten bepaalde juridische principes worden gerespecteerd. In het bijzonder kan er dan naast bestraffende nalatigheidsinteresten geen sprake meer zijn van een andere bestraffing onder de vorm van een belastingverhoging of een fiscale boete, want men kan maar één keer voor hetzelfde feit worden bestraft. Tevens moet een rechter de bestraffende nalatigheidsinteresten ook kunnen remediëren en aanpassen in functie van de gepleegde feiten.
Het wordt dan ook hoog tijd voor een debat over deze problematiek. Niet alleen moet de vraag worden beantwoord waarom de nalatigheidsinteresten inzake BTW 9,6 procent bedragen en voor Inkomstenbelastingen 7 procent, ook moeten de absurd hoge interestvoeten bediscussieerd worden en aangepast worden aan de normale tarieven. In Nederland bijvoorbeeld bedraagt de “invorderingsrente” bij een laattijdige betaling van belastingen 4 procent. Misschien moeten we daar een voorbeeld aan nemen.