Antigoon

22/03/2017 | Fiscaal | Michel Maus
Afgelopen week raakte bekend dat justitie en fiscus volgens het Hof van Cassatie gebruik kunnen maken van gestolen bankgegevens om belastingfraude aan te tonen. Het Hof van Cassatie kwam tot deze conclusie in het dossier tegen de textielfamilie Dejager. Een aantal telgen van deze familie werden strafrechtelijk vervolgd op basis van gegevens die waren gestolen bij de Liechtensteinse bank LGT. Deze gegevens waren in handen gekomen van de Bijzondere Belastinginspectie, die op haar beurt de gegevens had verkregen van de Duitse overheid. De Duitse overheid had zelf 4 miljoen euro voor deze gestolen gegevens betaald.
Het arrest van het Hof van Cassatie in de zaak Dejager is niet geheel verassend, aangezien het hier gaat om een toepassing van de zogenaamde Antigoon-rechtspraak. Reeds in 2003 stelde het Hof van Cassatie dat onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken slechts in uitzonderlijke omstandigheden van de bewijsvoering moet worden geweerd. In 2015 bevestigde het Hof van Cassatie deze Antigoon-rechtspraak in fiscale zaken. Op basis van deze rechtspraak moet een rechter onrechtmatig verkregen bewijs enkel uitsluiten van het dossier wanneer de wet een onrechtmatigheid op straffe van nietigheid heeft voorgeschreven of wanneer het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt. In strafzaken komt daar nog bij dat onrechtmatig bewijs niet kan worden toegelaten als de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast. In fiscale zaken werd tevens gesteld dat onrechtmatig bewijs in fiscale zaken ook moet worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht.
 
Sinds deze Antigoon-rechtspraak hebben de strafrechtelijke en fiscale speurders wat meer ademruimte en worden onderzoeken niet meteen bij de minste geringste procedurefout met de grond gelijk gemaakt. Het is inderdaad maatschappelijk niet verantwoord om elke procedurefout zo zwaar te gaan sanctioneren dat een strafrechtelijke of fiscale vervolging niet meer mogelijk zou zijn. In het fiscale Antigoon-arrest bijvoorbeeld was de fiscus fictieve leveringen op het spoor gekomen na inlichtingen te hebben opgevraagd bij de Portugese belastingadministratie. Deze inlichtingen waren opgevraagd door de BBI en niet door de bevoegde dienst, met name de Centrale Eenheid voor de internationale administratieve samenwerking. Deze onrechtmatigheid was voor het Hof van Cassatie niet zwaarwichtig genoeg om tot de nietigheid van het onderzoek te besluiten, en daar valt uiteraard iets voor te zeggen.
 
Maar anderzijds mogen we ook niet uit het oog verliezen dat in een rechtstaat ook van de overheid mag worden verwacht dat zij de wetgeving respecteert, die democratisch is tot stand gekomen via een parlementair beslissing. Indien de overheid deze wetgeving in het kader van een strafrechtelijk of fiscaal onderzoek niet respecteert, dan begaat zij een onrechtmatigheid en gaat zij in wezen in tegen de wil van het volk en dat moet op de een of andere manier worden gesanctioneerd. Met andere woorden, het kan volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie misschien maatschappelijk verantwoord zijn, dat niet elke onrechtmatigheid bij de bewijsinzameling tot de nietigheid van het onderzoek leidt, dit betekent niet dat de overheid of de ambtenaren die de onrechtmatigheid hebben begaan daarvoor niet zouden moeten worden gesanctioneerd. Momenteel is het debat vrij zwart wit en wordt er in de rechtspraak enkel beslist of het bewijs door het parket of de fiscus mag worden gebruikt of niet zonder zich verder over de begane onrechtmatigheden uit te spreken.
 
Het is precies net op dat punt dat een maatschappelijk debat verantwoord is, en dat er moet worden bijgestuurd in de rechtspraak of in de wetgeving. Indien we dit niet doen, dan lopen we het risico in de far west te belanden omdat politiemensen en fiscale ambtenaren zich onaantastbaar achten. In mijn eigen praktijk hebben we nu al kunnen vaststellen dat fiscale ambtenaren bijvoorbeeld er niet voor terugdeinzen om over omheiningen te klauteren om via de tuin foto’s te nemen van uitgevoerde verbouwingswerken of zelfs binnen te vallen in de praktijkruimte van een geneesheer in een appartement op de zeedijk en een halfnaakte patiënte aan te treffen en dit enkel en alleen omdat de ambtenaar niet gelooft dat er in het appartement een praktijkruimte is gevestigd. En wat te denken van de VRT-reeks De Fiscus waarbij ambtenaren hun beroepsgeheim hebben geschonden door fiscale invallen te laten filmen en de beelden aan gans Vlaanderen te laten zien.
 
Het is duidelijk dat dit soort toestanden niet kunnen en mogen aanvaard worden. Als de bewijsuitsluiting te streng is als sanctie voor de gepleegde onrechtmatigheid, dan moet we op zoek naar een andere vorm van sanctionering. Recent liet het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Kalnéniené in dit verband reeds verstaan dat de rechtsonderhorige dan gerechtigd moet zijn op een schadevergoeding. In het belang van de rechtstaat wordt het dan ook hoog tijd voor een maatschappelijk debat.