Europe, where are you? Wanneer gaan we naar de stembus om de president van Europa te verkiezen?

07/03/2017 | Sociaal | Kristof Salomez
Recent werden de resultaten gepubliceerd van een studie betreffende de minimumlonen in de landen van de Europese Unie. Hieruit blijkt dat er nog steeds enorme verschillen bestaan tussen de minimumlonen in de diverse lidstaten. Tussen België en zijn buurlanden zijn er geen aanzienlijke verschillen. Zo is het minimumloon in België over alle sectoren heen, 9,28 euro/uur, terwijl dit in onze buurlanden schommelt tussen 8,79 euro (Groot-Brittanië) en 11,27 euro in Luxemburg. Het verschil met de Zuid-Europese en Oost-Europese lidstaten is evenwel enorm. Geen van deze lidstaten komt uit boven de 5 euro en in Bulgarije en Roemenië is het minimumloon zelfs minder dan 2 euro per uur. Dit is een fractie van het minimumloon in België en zijn buurlanden.
Het minimumloon zegt uiteraard niet alles over de loonkostencompetitiviteit, omdat het werkelijk gemiddeld loon hoger is, er grote verschillen zijn tussen de sectoren en ook rekening moet worden gehouden met de verschuldigde sociale bijdragen en de productiviteit. Het grote verschil op het vlak van de minimumlonen geeft niettemin een sterke indicatie van de loonverschillen in de diverse staten van de EU.

Het hoeft dan ook weinig te verbazen dat daar waar bedrijven uit het noordwesten van Europa in concurrentie treden met bedrijven uit het Zuiden en Oosten van Europa deze een concurrentieel nadeel lijden op het vlak van de loonkost. Een logisch gevolg is dan dat bedrijven waarvoor de loonkost per uur doorslaggevend is, en waarvan de activiteit niet gebonden is aan een welbepaald grondgebied (zoals dat het geval is voor de bouw en de horeca) vaak verhuizen naar een Europese lidstaat waar de lonen lager zijn. Gelet op de vrije markt binnen de Europese Unie kunnen de geproduceerde goederen immers nadien vrij worden uitgevoerd naar andere lidstaten, in het bijzonder naar de lidstaten waar de consumenten voldoende koopkracht hebben om de desbetreffende goederen aan te kopen. De bedrijven kunnen bezwaarlijk ten kwade worden geduid dat zij zich aanpassen aan deze maatschappelijke realiteit. Een gevolg is wel dat hierdoor het concurrentieel nadeel op het vlak van de lonen wordt verschoven naar de werknemers. Werknemers uit België, Nederland, Duitsland of Frankrijk zullen in de regel meer kosten per uur dan hun collega-werknemers uit bijvoorbeeld Oost-Europa en lopen daardoor, in het bijzonder voor die sectoren die aan sterke internationale concurrentie onderhevig zijn, het risico om uit de arbeidsmarkt te worden geprijsd. Enkel wanneer het verschil in loonkost wordt gecompenseerd door bijvoorbeeld een hogere productiviteit kan dit worden opgevangen. Doch daarmee zal men maar moeilijk een verschil tussen 9,28 euro en 1,42 euro opvangen.

Een illustratie van de voormelde problematiek is de stad Dortmund die bij een openbare aanbesteding als bijzondere voorwaarde stelde dat een minimaal uurloon van 8,62 euro moest worden in acht genomen, ongeacht vanuit welke lidstaat de diensten zouden worden verstrekt. Dit werd aangevochten door de Bundesdruckerei die deze diensten wenste te laten verstrekken door een Poolse onderaannemer die hiervoor personeel wilde inzetten aan het Poolse loon dat veel lager lag. Het Europese Hof Justitie volgde het standpunt van de Bundesdruckerei en oordeelde dat een dergelijke voorwaarde een niet gerechtvaardigde inperking uitmaakte van het vrij verkeer van diensten.

Men zou hieraan kunnen remediëren door op Europees regelgevend vlak dergelijke voorwaarden toelaatbaar te maken, doch daarmee is de voormelde problematiek verre van opgelost. Net zo min als dat de concurrentiële spanning die wordt veroorzaakt door te grote loonverschillen tussen de lidstaten van de EU worden opgelost door te morrelen aan de regels betreffende de tijdelijke tewerkstelling op het grondgebied van een andere lidstaat (Detacheringsrichtlijn) zoals Europees Commissaris Marianne Thyssen wil doen.

De Europese Unie heeft nood aan visie en ambitie. Er is dringend nood aan een daadwerkelijk Europees beleid om dit ten gronde aan te pakken in de plaats van te morrelen in de marge. Er dient een plan te worden gemaakt om deze grote verschillen weg te werken. Waarom zou men bijvoorbeeld niet kunnen overwegen om te voorzien in een regeling waarbij binnen multinationals het verschil in uurloon in de verschillende lidstaten van de EU niet groter mag zijn dan een bepaald percentage (bv. 10%), of waarom zou men niet kunnen bepalen dat bij een delocalisatie gedurende een bepaalde periode het voordien bestaande loonniveau moet worden gehandhaafd. Waarom zou niet kunnen worden voorzien dat bij een tijdelijke tewerkstelling in een andere lidstaat men niettegenstaande men onderworpen blijft aan de sociale zekerheid van het thuisland, het bijdragepercentage moet overeenstemmen met het land waar de desbetreffende werknemer naartoe gezonden wordt, hetgeen een harmonisering van het systeem van de sociale zekerheid veronderstelt zonder dat daarmee ook de hoogte van de bijdragen en uitkeringen dezelfde dienen te zijn.

Dit is allemaal verre van evident en zal zeker niet in een hik en gauw kunnen worden verwezenlijkt, doch dit neemt niet weg dat men een visie en beleid dient te ontwikkelen, zoniet zullen na de Brexit onvermijdelijk nog andere exits volgen en zullen binnen de lidstaten de nationalistische reflexen slechts toenemen. Dit geldt overigens niet enkel voor het domein van het sociaal beleid, doch ook voor andere beleidsdomeinen, zoals bijvoorbeeld migratie, en ook wat de organisatie van de Europese instellingen betreft. Het antwoord op de maatschappelijke problemen waarmee we ons vandaag geconfronteerd zien op o.m. sociaalrechtelijk vlak en op het vlak van migratie is met andere woorden niet minder maar net meer Europa.

Wanneer gaan we naar de stembus om de president van Europa te verkiezen? Misschien is een systeem met kiesmannen zoals in de Verenigde Staten nog niet zo’n slecht idee.