Nieuw statuut inzake semi-agorale sportbegeleiding: doorbraak binnen de Vlaamse Regering

07/03/2017 | Sociaal | Joris De Wortelaer
Sinds jaar en dag weerklinkt vanuit de sportsector de vraag naar de implementatie van een nieuw statuut voor de semi-agorale sportbegeleiders steeds luider. Deze echo werd eveneens door de Vlaamse Minister van Sport Philippe Muyters opgevangen en hier werk van maakt. Om dit statuut in een hapklaar wetontwerp te gieten, liet hij zich assisteren door een selecte ploeg van experten verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel, waaronder naast G Van Limberghen, drie vennoten van Bloom law, met name Michel Maus, Kristof Salomez en Joris De Wortelaer.
Met de recente goedkeuring van de Visienota betreffende het statuut van de semi-agorale sportbegeleider werd eind februari een belangrijke mijlpaal gezet.
De krachtlijnen van dit ontwerp luiden als volgt.
 

1. Nieuw semi-agoraal statuut, naast vrijwlligerswerk en reguliere arbeid

 
Het begrip ‘semi-agorale arbeid’ verwijst naar elke vorm van arbeid in de publieke of private non-profitsector, die niet als vrijwilliger, maar tegen een beperkte verloning wordt verricht. Dit in een georganiseerd verband ten behoeve van anderen of van de samenleving.
Semi-agorale arbeid onderscheidt zich zowel van het vrijwilligerswerk als van de agorale arbeid binnen een reguliere arbeidsmarkt. In de praktijk vormt een semi-agorale activiteit de semi-professionele opvulling van de eigen vrije tijd. Deze activiteit is enerzijds ‘te groot’ om via het vrijwilligerstatuut te worden ondervangen, en anderzijds dan weer ‘te klein’ om als een vorm van reguliere arbeid te worden beschouwd.
Het vrijetijdskarakter van de semi-agorale activiteit veronderstelt dat zij gelijktijdig met een reguliere beroepsbezigheid wordt uitgeoefend. De bedoeling van deze semi-agorale activiteit behelst immers niet de verwerving van een effectief inkomen, of de opbouw van een sociale bescherming. Daarvoor dient de reguliere tewerkstelling. Vandaar dat voor wat de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving betreft, semi-agorale arbeid geen eigenlijke beroepsarbeid vormt. Hierbij aansluitend is de vergoeding van semi-agorale arbeid niet te beschouwen als een vorm van bezoldiging of beroepsinkomsten.
 

2. Limitatieve opsomming van de betrokken sportbegeleiders

 
Niet elke ‘begeleider’ kan aanspraak maken op het nieuwe statuut. De club wordt beperkt. Dit via twee technieken. In de eerste plaats verduidelijkt het wetsontwerp het begrip ‘sportbegeleider’, door te verwijzen naar elke natuurlijke persoon die zich bezig houdt met sport specifieke of sport gerelateerde begeleiding van recreatieve en competitieve sportbeoefenaars of met het leiden of beoordelen van een sportcompetitie op basis van een geldend spel-, wedstrijd- of kampreglement, uitgevaardigd door de organiserende sportorganisatie. Vervolgens wordt deze algemene definitie concreet beperkt tot sporttrainers, sportlesgevers, sportcoaches, jeugdsportcoördinatoren, sportscheidsrechters, juryleden en stewards.


3. Geen commerciële sportorganisaties toegelaten

 
Uitsluitend feitelijke verenigingen of private of publieke rechtspersonen hebben toegang tot het statuut. Centraal hierbij staat het verwezenlijken van een onbaatzuchtige doelstelling, die het loutere individuele belang overstijgt. Dus de echte maatschappelijke meerwaarde rechtvaardigt het gebruik van dit statuut. Bijgevolg worden eenmanszaken of commerciële organisaties van het toepassingsgebied uitgesloten, waardoor verdere misbruiken worden voorkomen. Voor commercie is hier geen ruimte.
 

4. Semi-agorale sportbegeleiding blijft een nevenactiviteit

 
Als uitgangspunt geldt dat semi-agorale sportbegeleiding een nevenactiviteit vormt die moet gepaard gaan met een professionele hoofdbezigheid. Het is precies deze professionele hoofdbezigheid die garant staat voor de inkomensverwerving en sociale bescherming van de betrokkene en het recht op socialezekerheidsuitkeringen opent. Personen zonder professionele hoofdbezigheid vallen dan ook buiten dit stelsel. Voor gepensioneerden werd wel een uitzondering voorzien.
 

5. Absolute rechtszekerheid via een verplicht opgelegde standaardovereenkomst


Het wetsontwerp streeft naar een absolute rechtszekerheid. Vandaar dat het gebruik van een bij wet bepaalde schriftelijke standaardovereenkomst verplicht is. Voortaan geen gedoe meer met de vraag wat in dergelijke overeenkomst moet worden opgenomen.
In deze schriftelijke overeenkomst moeten volgende bepalingen opgenomen:
  1. de identiteit van semi-agorale sportbegeleider en de betrokken sportorganisatie, met inbegrip van het juridisch statuut van de organisatie en de maatschappelijke zetel, en, indien het gaat om een feitelijke vereniging, de identiteit en woonplaats van de verantwoordelijke(n) van de vereniging.
  2. het opschrift ‘overeenkomst inzake semi-agorale sportbegeleiding’.
  3. het voorwerp van de overeenkomst met een algemene omschrijving van de beoogde activiteiten. Deze omschrijving verduidelijkt voor welke activiteiten de semi-agorale sportbegeleider wordt ingezet, bijvoorbeeld als trainer, jurylid, scheidsrechter, steward, ….
  4. de plaats en het tijdstip of het rooster van uitvoering van de overeenkomst, alsmede de omvang van de semi-agorale sportbegeleiding, die per kalenderjaar maximaal 500 uren mag bedragen.
  5. de wijze van registratie van de effectieve prestaties van semi-agorale sportbegeleider.
  6. de bepaalde duur van de overeenkomst, die maximaal één jaar bedraagt.
  7. de berekeningswijze en het bedrag van de vergoeding van semi-agorale sportbegeleiding;
  8. de berekeningswijze en het bedrag van de eventueel overeengekomen vergoeding van de werkelijke kosten die de semi-agorale sportbegeleider maakt voor de sportorganisatie bij effectieve verplaatsingen tussen zijn woonplaats en de plaats van uitvoering van deze overeenkomst.
  9. het tijdstip van betaling van de vergoeding van semi-agorale sportbegeleiding en van de eventuele vergoeding voor verplaatsingskosten. Deze vergoedingen moeten worden betaald binnen de twee maanden na de prestatie of verplaatsing waarvoor zij verschuldigd zijn.
  10. de verzekeringen die door de organisatie werden gesloten ten behoeve van semi-agorale sportbegeleider. Naast de verplicht opgelegde verzekeringen, kan de betrokken sportorganisatie voorzien in bijkomende dekkingen. Ook deze bijkomende verzekeringspolissen moet worden vermeld in de overeenkomst;
  11. de opzeggingsmodaliteiten en -termijn(-en) en de eventueel verschuldigde opzeggingsvergoeding, zoals bepaald in deze wet.
  12. de toepasselijke regels inzake deontologie.
  13. de verklaring van de partijen dat zij ervan op de hoogte zijn dat het hen niet is toegestaan om een hogere vergoeding voor semi-agorale sportbegeleiding of een hogere verplaatsingsvergoeding te bedingen of toe te kennen dan toegestaan door deze wet.
  14. de verbintenis van semi-agorale sportbegeleider om
    a) de sportorganisatie alle nuttige inlichtingen te verstrekken omtrent de omvang van zijn semi-agorale sportbegeleiding tijdens hetzelfde en het vorige kalenderjaar bij andere sportorganisaties, en zijn vergoeding als semi-agorale sportbegeleider die door andere sportorganisaties tijdens hetzelfde en het vorige kalenderjaar werden of worden toegekend en
    b) alle voorzorgsmaatregelen te treffen, opdat hij nooit een hogere vergoeding van zijn semi-agorale sportbegeleiding of een hogere dan de toegelaten verplaatsingsvergoeding verwerft via het sluiten of uitvoeren van één of meer overeenkomsten inzake semi-agorale sportbegeleiding;
  15. de bevestiging dat de semi-agorale sportbegeleider alle noodzakelijke inlichtingen van de organisatie heeft verkregen op het vlak van de risico’s verbonden aan de semi-agorale sportbegeleiding en de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, alsmede de verbintenis van semi-agorale sportbegeleider om deze na te leven.
 

6. Verzekeringen

 

Sportbegeleiding gaat in de praktijk gepaard met een aantal risico’s die inherent zijn aan sportactiviteiten. Het wetsontwerp wil de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor de desbetreffende semi-agorale sportbegeleiders inperken en legt daarom aan alle betrokken sportorganisaties de verplichting op om een ongevallenverzekering, een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid en een verzekering inzake lichamelijke schade te sluiten. Afwijkingen op deze verplichting zijn niet toegestaan. De bescherming van de semi-agorale sportbegeleiders primeert.
 

7. Geen sociaalrechtelijke hinderpalen


Het doeltreffend organiseren van semi-agorale sportbegeleiding is onverenigbaar met de ongebreidelde toepassing van de sociale wetgeving. Anders dan bij een professionele arbeidsrelatie speelt de economische afhankelijkheid van de semi-agorale sportbegeleider ten opzichte van zijn organisatie geen primordiale rol. De semi-agorale sportbegeleider oefent immers een gewoonlijke en hoofdzakelijke beroepsbezigheid uit en ontleent daaraan zijn inkomen en zijn sociale bescherming.
De semi-agorale sportbegeleiding is daarentegen een zuiver nevenactiviteit. Hierbij behouden partijen een hoge graad van onafhankelijkheid ten opzichte van elkaar.
In deze context mag de sociale wetgeving geen hinderpaal vormen voor de verdere ontwikkeling van semi-agorale activiteit. Elke twijfel omtrent de mogelijke toepassing van de sociale wetgeving wordt vermeden. Dit in tegenstelling tot het actuele statuut van de vrijwilligers.
Om die reden bevestigt het wetsontwerp uitdrukkelijk dat een hele rits sociale spelregels niet van toepassing is (oa de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, de loonbeschermingswet, de RSZ-wet, …). Verborgen valkuilen worden zo vermeden.
 

8. Een begrensde vergoeding

 
Het specifieke karakter van semi-agorale sportbegeleiding heeft tot gevolg dat de sportorganisatie een beperkte vergoeding kan toekennen. Deze kan volgende componenten omvatten:
  • hetzij een vergoeding van semi-agorale sportbegeleiding,
  • hetzij een vergoeding van de werkelijke kosten die de betrokkene heeft gemaakt voor de sportorganisatie bij effectieve verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van de sportactiviteiten,
  • hetzij een combinatie van beide vergoedingen.
 
De overeengekomen vergoeding van semi-agorale arbeid kan zowel in geld als met in geld waardeerbare voordelen worden toegekend. In deze laatste hypothese geldt de courante waarde van het voordeel.
De semi-agorale sportbegeleider en de betrokken organisatie kunnen de vergoeding van semi-agorale arbeid en/of de vergoeding van de verplaatsingskosten grotendeels vrij bepalen. Er geldt geen gegarandeerde minimumvergoeding.
 

9. Maximale vergoeding


Het wetsontwerp legt wel de maximumbedragen van de overeengekomen vergoedingen vast. Deze kunnen wel nog fluctueren ingevolge de parlementaire besprekingen.
De maximale omvang van de vergoeding van semi-agorale arbeid bedraagt 5.000 EUR bruto per kalenderjaar (niet-geïndexeerd bedrag 3.255 EUR) en 10 EUR bruto per uur (niet-geïndexeerd bedrag 6,51 EUR). Het maximumbedrag per uur is het resultaat van de deling van de maximumvergoeding per kalenderjaar door het maximaal aantal uren dat per jaar mag worden besteed aan de semi-agorale sportbegeleiding. De maximaal toegelaten tijdsbesteding geldt als een afzonderlijk te respecteren voorwaarde en mag dus ook niet worden overschreden, ingeval een lagere vergoeding dan 10 EUR bruto per uur wordt overeengekomen. De maximale tijdsinvestering bedraagt 500 uren per kalenderjaar.
Deze drie maximumgrenzen gelden ongeacht het aantal sportorganisaties waarvoor de semi-agorale sportbegeleider optreedt in de loop van eenzelfde kalenderjaar.
Deze strikte maximumgrenzen, zowel qua vergoeding als qua tijdsbesteding, worden opgelegd om elke ongewenste uitstroom van professionele naar semi-agorale sportbegeleiding te vermijden.
De maximale vergoeding van semi-agorale sportbegeleiding vermijdt bovendien dat een te sterke looncompetitiviteit tussen sportorganisaties en semi-agorale sportbegeleiders zou ontstaan. Hierbij wordt opgemerkt dat deze vergoeding uitsluitend kan worden toegekend voor effectieve activiteiten als semi-agorale sportbegeleider. Meestal houden deze activiteiten rechtstreeks verband met een competitie, wedstrijd, training, manifestatie, … . Niettemin staat dit wetsontwerp ook toe, met het oog op de bevordering van de kwaliteit van de sportbegeleiding, om de overeengekomen uurvergoeding tevens toe te kennen voor de nodige voorbereidingstijd, de opvang en de bespreking na de wedstrijd, training, enz. en voor periodes van bijscholing, enz. De betrokken sportorganisatie en sportbegeleider moeten wel het bewijs kunnen leveren dat de activiteiten waarvoor dit gedeelte van de vergoeding is toegekend, ook effectief zijn verricht. Dus geen vergoeding voor fictieve prestaties.
 

10. Geen sociale bijdragen


Noch op de vergoeding van semi-agorale arbeid, noch op de eventuele vergoeding van verplaatsingskosten worden sociale bijdragen geheven.
 

11. Fiscaliteit


De vergoeding van semi-agorale sportbegeleiding wordt als diverse inkomsten gekwalificeerd.
Deze vergoeding bedraagt maximum 5.000 EUR bruto per kalenderjaar (niet-geïndexeerd bedrag 3.255 EUR). Om de administratieve belasting voor de sportorganisaties te beperken, wordt niet voorzien in de verplichting voor de sportorganisaties om een voorheffing in te houden en door te storten. De belasting van de vergoeding geschiedt na de voorafgaandelijke forfaitaire aftrek van 30 % wegens beroepskosten.
Er wordt niet voorzien in de mogelijkheid om een hoger bedrag aan bewezen beroepskosten af te trekken, rekening houdend met de mogelijkheid om een vergoeding tot terugbetaling van door de sportbegeleider voorgeschoten verplaatsingskosten toe te kennen. Het restsaldo (van geïndexeerd maximaal 3.500 EUR) wordt vervolgens onderworpen aan een vaste aanslagvoet van 25 %. De netto vergoeding bedraagt bijgevolg geïndexeerd maximaal 4.125 EUR. Of anders uitgedrukt, van een brutokost van 5.000 EUR voor de sportorganisatie, houdt de sportbegeleider 4.125 EUR netto over. Zeker niet slecht rekening houdend met de normale belastingdruk.

Voorts kan de semi-agorale sportbegeleider forfaitair worden vergoed voor de werkelijke kosten die hij per fiets, met de eigen wagen of het openbaar vervoer heeft gemaakt voor de sportorganisatie bij effectieve verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van semi-agorale sportbegeleiding. De maximale tussenkomst in deze kosten wordt thans wel beperkt tot:
  • de prijs van het ticket voor het openbaar vervoer
  • 0.22 EUR/km voor de fiets
  • 0.3363 EUR/km voor de wagen
 

12. En nu?

Het nemen van de eerste horden is onvoldoende. Vermits dit wetsontwerp ook impact heeft op de federale regelgeving, zal ook het nationale parlement zich hierover buigen. Wij duimen op een implementatie vanaf het najaar 2017 of begin 2018.