Levensverzekering gekoppeld aan een geïndividualiseerd fonds: twee welgekomen rulings

Sinds 1 januari 2016 worden interesten en dividenden ontvangen door natuurlijke personen in principe belast tegen 27 % (binnenkort 30%). De spaarders blijven echter niet onbewogen tegenover die verhoging van de belastingvoet op roerende inkomsten.
Een eerste strategie om die belasting te vermijden bestaat erin roerend vermogen te investeren in een vennootschap die van een fiscaal gunstregime kan genieten, bijvoorbeeld een offshorebedrijf in de Bahama’s of in Panama. Een tweede techniek is de reorganisatie van het vermogen zodat het uit minder belaste en zelfs vrijgestelde activa bestaat. Deelbewijzen van beveks en levensverzekeringsproducten (tak 21 of 23) zijn bijvoorbeeld klassieke vrijgestelde spaarproducten.

De wetgever laat zich echter niet langer om de tuin leiden en heeft verschillende oplossingen bedacht, zoals de transparantieregeling in de personenbelasting op inkomsten uit offshorebedrijven (Kaaimantaks) of de belasting van meerwaarden uit obligatiebeveks (artikel 19bis WIB). We stellen vast dat een erg populaire investering van Belgische particulieren nog altijd door de mazen van het net weet te glippen: het tak23-levensverzekeringscontract gekoppeld aan een geïndividualiseerd fonds.

Dat hoofdzakelijk door Luxemburgse verzekeringsmaatschappijen gecommercialiseerde product is geheel op maat van de klant. Het onderliggende investeringsfonds is immers volledig aan de klant-verzekeringsnemer ‘toegewezen'. Zo kan de verzekeringnemer met de verzekeraar zijn/haar investeringsprofiel opmaken (welke activa opnemen en welke niet, regels voor beheer van het fonds...), de bankier van zijn keuze voorstellen (familiebankier) om de fondsen te beheren, de identiteit van de depositobank suggereren enz. In twee rulings van 2 februari 2016 bevestigde de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) dat de levensverzekeringsovereenkomsten gekoppeld aan geïndividualiseerde fondsen (“fonds dédiés") (zonder rendementsgarantie) in principe geen "fiscaal misbruik" zijn. Als we die beslissingen volgen, zijn de inkomsten die uit dit product voortkomen niet belastbaar als roerende inkomsten.

Gaat het om een onoverwinnelijk fiscaal instrument? Men is meteen geneigd om dat te bevestigen. De inschrijving op een dergelijke overeenkomst laat niet alleen toe om de roerende voorheffing van 27 % te besparen, maar ook om de Kaaimantaks te vermijden. Als een Belgische natuurlijke persoon daarentegen aandelen verwerft in een privaat fonds dédié (bijvoorbeeld een Luxemburgse SICAV-SIF) valt hij in principe onder de Kaaimantaks. De juridische omkleding (verzekeringsovereenkomst vs. aandelen in een bevek) heeft duidelijk zijn belang. De taks op beursverrichtingen (TOB) is overigens niet verschuldigd op aankopen en verkopen van effecten in het kader van het toegewezen investeringsfonds.

Dat instrument moet evenwel met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd.

Men moet eerst en vooral rekening houden met de taks op verzekeringsverrichtingen van 2 % op het bedrag van de aan de verzekeringsmaatschappij betaalde premies (relatief dure kapitaaltaks). De Belgische spaarder heeft overigens alleen belang om zich tot dit product te wenden als hij een langetermijninvestering wil doen (om maximaal te profiteren van de afwezigheid van roerende voorheffing op de inkomsten).

De DVB heeft (volgens mij terecht) zijn twee rulings aan meerdere voorwaarden verbonden:
  • het beheer van een fonds dédié dat door een onafhankelijke beheerder moet worden verzekerd: de verzekeringnemer kan op geen enkel ogenblik tussenkomen in het beheer van het fonds;
  • men moet meerdere investeringsbeperkingen vastleggen, in het bijzonder het verbod om niet-liquide effecten te verwerven van een onderneming waarin de verzekeringnemer invloed uitoefent. Het is dus uitgesloten om aandelen van de familieonderneming van de verzekeringnemer in het fonds te parkeren. Hetzelfde geldt voor diegenen die aandelen van een offshorevennootschap in het fonds zouden plaatsen om bijvoorbeeld de Kaaimantaks te ontlopen (parlementaire vraag van 6 juli 2016).
  • De DVB lijkt impliciet te eisen dat de premies in geld en niet in natura worden betaald. Welnu, het gebeurt erg vaak dat de verzekeringnemer een effectenportefeuille overmaakt aan de verzekeraar. Volgens ons gaat het echter niet om een conditio sine qua non voor de toekenning van een gunstige ruling. Dat punt moet zo snel mogelijk worden opgehelderd door de DVB.