Lokale belastingen in Cyberspace

21/10/2016 | Fiscaal | Michel Maus
Dat de wereld niet stil staat, dat kunnen we met zijn allen elke dag aan den lijve ondervinden. De technologische evolutie gaat razendsnel vooruit en zorgt ervoor dat we over tal van zaken opnieuw moeten gaan nadenken. The rise of the robots zorgt voor een totaal nieuwe vorm van (deel)economie waar het klassieke overheidsfunctioneren momenteel maar moeilijk vat op krijgt.

I. Inleiding
 

Dat de wereld niet stil staat, dat kunnen we met zijn allen elke dag aan den lijve ondervinden. De technologische evolutie gaat razendsnel vooruit en zorgt ervoor dat we over tal van zaken opnieuw moeten gaan nadenken. The rise of the robots zorgt voor een totaal nieuwe vorm van (deel)economie waar het klassieke overheidsfunctioneren momenteel maar moeilijk vat op krijgt.
 
Dit is niet anders voor wat onze steden en gemeenten betreft en dat laat zich uiteraard ook gevoelen op het vlak van de belastingheffing. Ook onze steden en gemeenten worden geconfronteerd met deze nieuwe deeleconomie en dat zorgt voor heel wat praktische en juridische problemen. Twee voorbeelden zijn daarbij zeer illustratief. Heel wat steden en gemeenten kennen een toeristenbelasting of een belasting op het verhuren van kamers. Dat werkt perfect voor de klassieke hotelsector en de particuliere B&B-sector. Maar hoe moeten gemeenten omgaan met nieuwe vormen van toeristische verhuur zoals Airbnb, waarbij de klant via een internetplatform bij een persoon terecht komt die een kamer ter beschikking stelt in zijn woning. Dat doet verschillende vragen rijzen. Wie is de belastingplichtige? Waar is de belastingplichtige gevestigd? Worden er wel belastbare handelingen gesteld en hoe kunnen gemeenten dit controleren? Hetzelfde geldt ook voor wat betreft de belasting op taxi’s waar plotseling een internetplatform zoals Uber optreedt en waar dezelfde vragen rijzen zoals hierboven geschetst voor Airbnb.
 
De wijze waarop de economie evolueert heeft dus ook zijn gevolgen voor de locale belastingheffing. Ook de steden en gemeenten zullen dus genoodzaakt zijn om zich aan te passen aan deze nieuwe realiteit willen zij niet tussen wal en schip vallen. En het gaat hier niet enkel om de belastingheffing op zich, maar ook over de gelijke behandeling van de belastingplichtigen. Het belasten van een hotel en het niet (kunnen) belasten van een Airbnb-verhuurder en het belasten van een taxi-bedrijf en het niet (kunnen) belasten van een Uber-chauffeur, leidt tot een economische scheeftrekking op het vlak van concurrentie. Maar ook op het vlak van de overheid zelf is er ondertussen enige evolutie om deze problemen aan te pakken. Op de website van Airbnb bijvoorbeeld is te lezen dat het bedrijf ondertussen heeft beslist om met heel wat steden zoals Amsterdam, Chicago, Parijs, Philadelphia, San Francisco en Washington samen te werken om het bijvoorbeeld mogelijk te maken de toeristenbelasting te innen.
 
In het licht van deze bijdrage gaan we de focus leggen op de deeleconomie en de vraag proberen te beantwoorden in hoeverre steden en gemeenten belastbare activiteiten via internetplatformen in kaart kunnen brengen, kunnen gaan belasten en kunnen gaan controleren. In het bijzonder zullen we hier de cassusen van Airbnb en Uber behandelen.
 

II. Stellen internetplatformen belastbare handelingen?

 
In de zoektocht naar een oplossing voor de belastingproblematiek van de internetplatformen is de eerste vraag natuurlijk die moet worden gesteld, of de onderneming die het internetplatform uitbaat wel een belastbare handeling stelt. Indien dit het geval is, dan kan de gemeente deze onderneming rechtstreeks gaan aanspreken en gaan belasten op de gestelde belastbare handelingen. Indien dit echter niet het geval is, dan fungeert het internetplatform enkel als een soort van niet belastbare tussenpersoon en kan de gemeente enkel de personen gaan belasten die van het platform gebruik maken en via dit platform belastbare handelingen stellen. Dit is natuurlijk qua techniek van belastingheffing een wereld van verschil. Indien de gemeente de onderneming/uitbater van het internetplatform rechtstreeks kan aanspreken, is er maar één belastingplichtige tot wie de gemeente zich moet richten. In het andere geval moet de gemeente zelf nog op zoek gaan naar de belastingplichtigen die van het internetplatform gebruik hebben gemaakt. Dit is uiteraard geen sinecure, temeer omdat het vertrouwen op de aangifteplicht van de belastingplichtigen hier weinig of geen effect zal hebben.
 
Om het antwoord op deze vraag te vinden, moeten we in eerste instantie gaan kijken naar de omschrijving van de belastingplicht in het gemeentelijke belastingreglement. Het is deze omschrijving die cruciaal zal zijn om te bepalen of de onderneming/uitbater van het internetplatform rechtstreeks kan worden aangesproken. De subtiliteit van de bewoordingen van het belastingreglement zullen op dat vlak het verschil maken. Een aantal voorbeelden zullen dit duidelijk maken.

Wat de toeristenbelasting of de belasting op het verstrekken van logies of kamer betreft kunnen we vooreerst wijzen op de Belasting op de overnachtingen in toeristische logies van de Stad Antwerpen.[1] In artikel 2 van het belastingreglement wordt door de Stad Antwerpen de belastingplichtige als volgt omschreven: “Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een toeristisch logies aanbiedt of voor wiens rekening een toeristisch logies worden aangeboden. Onder aanbieden wordt zowel de economische activiteit als het gratis aanbieden en ter beschikking stellen van toeristische logies verstaan.” In dit belastingreglement wordt het “aanbieden” van een toeristisch logies als belastbaar feit omschreven, los van het feit of dit voor eigen rekening of voor rekening van een derde is. Dit betekent aldus dat het voor de Stad Antwerpen perfect mogelijk is om bijvoorbeeld Airbnb als belastingplichtige te gaan beschouwen en rechtstreeks te gaan belasten op het “aanbieden” van toeristische logies in naam van de Antwerpse klanten van het internetplatform. Ook kan de Stad Antwerpen bij Airbnb een samenwerking afdwingen, in die zin dat het bedrijf zich houdt aan de aangifteplicht die in het belastingreglement is voorzien.
 
Indien we echter de Antwerpse belasting gaan vergelijken met de Belasting op het verstrekken van logies van de Stad Gent, komen we echter tot een totaal andere conclusie. In het belastingreglement van de Stad Gent[2], wordt de belastingplicht als volgt omschreven: “De belastingplichtige is de natuurlijke- of rechtspersoon die een logiesverstrekkend bedrijf uitbaat.” In tegenstelling tot de Stad Antwerpen waar het “aanbieden” van toeristische logies belastbaar wordt gesteld, wordt in de Stad Gent enkel het “uitbaten” belastbaar gesteld. Toegespitst op een bedrijf zoals Airbnb betekent dit dat de Stad Gent AirBnB zelf niet kan belasten, aangezien dit bedrijf het toeristisch logies zelf niet uitbaat zodat enkel de gebruikers-uitbaters van het internetplatform van Airbnb als belastingplichtigen kunnen worden beschouwd.
 
Ook wat de belasting op taxi’s betreft, blijken de bewoordingen van het belastingreglement vrij grote gevolgen te hebben. In het belastingreglement op het in dienst stellen van taxi’s met en zonder standplaats op de openbare weg en op de exploitatie van diensten voor het verhuur van voertuigen met bestuurder van de Stad Brugge[3] wordt wat de belastingplicht betreft het volgende gesteld: “De belasting is verschuldigd door:
1. de exploitanten van een taxidienst zonder standplaats op het grondgebied van de stad Brugge;
2. de exploitanten van een taxidienst met standplaats op de openbare weg te Brugge;
3. De uitbaters van een exploitatie van diensten voor het verhuur van voertuigen met bestuurder.
De belasting is verschuldigd door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de houder is van de
vergunning op het moment van de afgifte. Voor de daaropvolgende aanslagjaren is de belastingplichtige de houder van de vergunning op 1 januari van het aanslagjaar.”[4]
 
Aangezien enkel de eigenlijke exploitant/houder van een vergunning belastbaar wordt gesteld, is er geen mogelijkheid voor de Stad Brugge om de onderneming achter het internetplatform Uber rechtstreeks te gaan belasten. En zelfs al zou door de overheid beslist worden dat de Uber-chauffeurs zich als “taxidienst” moeten laten vergunnen, dan nog biedt dit geen oplossing voor het rechtstreeks belasten van het Uber-platform. Het belasten van taxidiensten is echter wel geregeld door het Vlaams Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer. Artikel 36 van dit decreet voorziet dat gemeenten enkel de houders van een vergunning voor de exploitatie van een taxidienst onderworpen kunnen worden aan een jaarlijkse belasting. Het is voor een gemeente aldus niet mogelijk om de “aanbieder” van taxidiensten te gaan belasten. Om dit mogelijk te maken en om het aldus ook mogelijk te maken om een bedrijf als Uber rechtstreeks te gaan belasten is een decretale wijziging noodzakelijk.
 
De vraag of internetplatformen belastbare handelingen stellen, hangt dus in grote mate af van de definiëring van de belastingplicht in het belastingreglement. Internetplatformen kunnen belas worden als het belastingreglement daaraan is aangepast. Dit betekent in grote lijnen dat men het “aanbieden” van diensten belastbaar moet gaan stellen als alternatief van het “uitbaten” of “exploiteren”. Ook het belastbaar stellen van “het innen van de vergoeding voor rekening van de uitbater” kan als uitbreiding gebruikt worden van het louter belasten van het “uitbaten” of “exploiteren”. Dit zou dan kunnen via de creatie van een hoofdelijke belastingplicht.
 

III. Het belasten van een internetplatform of het belasten via een internetplatform

 
Indien een internetplatform effectief belastbare handelingen stelt, is het uiteraard mogelijk om de onderneming achter dit platform te gaan belasten. Dit lijkt op het eerste zicht vrij eenvoudig, maar in de praktijk is dat niet zo en stellen er zich verschillende problemen. In het bijzonder moet worden vastgesteld dat het vaak niet zo eenvoudig is om de exploitant van het internetplatform te identificeren en vooral om die te localiseren. Vaak zal de exploitant niet in België zijn gevestigd, maar wel in het buitenland zodat de vraag zich zal stellen naar internationale samenwerking en dit zowel met het oog op de taxatie als met het oog op de invordering van de belasting.
 
Maar ook als het internetplatform geen belastbare handelingen stelt, is het voor een gemeente nog altijd zeer interessant om via de onderneming achter het internetplatform aan informatie te geraken om de eigenlijke belastingplichtigen te gaan identificeren en te gaan belasten. De gegevens van de personen die bijvoorbeeld in Gent via Airbnb logies ter beschikking stellen (en dus onder het belastingreglement vallen) zijn uiteraard gekend bij Airbnb en zijn dus zeer waardevol voor een correcte belastingheffing van de inwoners van de Stad Gent. Ook hier stelt zich de vraag naar de internationale fiscale samenwerking met het oog op de fiscale controle in hoofde van de gemeente.
 
Aangezien zowel Airbnb als Uber een vestiging hebben binnen de Europese Unie (respectievelijk Luxemburg en Ierland) zal in dit bestek enkel de Europese fiscale samenwerking worden besproken.
 
A De Europese fiscale samenwerking met het oog op de taxatie
 
De Europese fiscale samenwerking met het oog op de taxatie is geregeld in de EU Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen.[5] Deze Richtlijn werd ondertussen geïmplementeerd op federaal niveau[6] en door de gewesten[7]. Artikel 2 van de Richtlijn voorziet dat de Richtlijn van toepassing is op elke vorm van belastingen die door of namens een lidstaat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een lidstaat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven. Qua samenwerking voorziet de Richtlijn in de mogelijkheid tot het uitwisselen van inlichtingen op verzoek, automatische en spontane uitwisseling van inlichtingen, gelijktijdige belastingcontroles en de aanwezigheid van buitenlandse ambtenaren bij een administratief onderzoek.[8]

De mogelijkheden die deze Richtlijn biedt zijn aldus bijzonder verregaand en zeer nuttig voor de gemeente in het kader van het belasten van het internetplatform zelf en van de gebruikers van de internetplatformen. Via de uitwisseling van inlichtingen kunnen gemeenten in het land waar de onderneming achter het internetplatform is gevestigd, de nodige inlichtingen inwinnen met het oog op een (ambtshalve) aanslag indien de gemeente het internetplatform zelf kan belasten op basis van de bewoordingen het belastingreglement. Anderzijds kunnen de gemeenten ook via de uitwisseling van inlichtingen de gegevens opvragen van bijvoorbeeld de identiteit van de Airbnb-verhuurders die een logies binnen de gemeente hebben verhuurd. Ook dat is mogelijk op basis van de Richtlijn.
 
Wat de praktische uitwerking betreft van de samenwerking, moet echter wel worden vastgesteld dat er bijzonder weinig is uitgewerkt. Enkel in het Vlaams Gewest is er een Besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2014[9] waar de Vlaamse Belastingdienst werd aangesteld als de bevoegde autoriteit , wat betreft de belastingen, rechten en heffingen geheven door de Vlaamse provincies en gemeenten. Vlaamse steden en gemeenten die op basis van de bepalingen van de Richtlijn internationale samenwerking willen bekomen moeten hun verzoek derhalve richten tot de Vlaamse Belastingdienst.
 
B De Europese fiscale samenwerking met het oog op de invordering van de belasting
 
En ook als de gemeente een belasting zou vestigen op naam van de onderneming van een buitenlands internetplaform, stelt zich uiteraard het probleem van de invordering van de belasting. Ook daar is er ondertussen een Richtlijn voor uitgewerkt op Europees niveau, meer bepaald de EU-Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen.[10] Ook deze Richtlijn is ondertussen geïmplementeerd op federaal[11] en gewestelijk niveau.[12]
Wat het toepassingsgebied betreft voorziet de Richtlijn in artikel 2 dat de Richtlijn van toepassing is op schuldvorderingen die voortvloeien uit alle vormen van belastingen en rechten, geheven door of ten behoeve van een lidstaat of zijn territoriale of staatkundige onderdelen, lokale overheden daaronder begrepen, dan wel ten behoeve van de Unie. Wat de bijstand zelf betreft voorziet de Richtlijn in het uitwisselen van inlichtingen en in bijstand voor de eigenlijke invordering en voor het nemen van bewarende maatregelen.[13]
 
De Richtlijn maakt het aldus voor de gemeenten mogelijk om effectief tot invordering in het buitenland over te gaan en om aldus bijvoorbeeld rechtstreeks de verschuldigde belasting bij de onderneming achter het internetplatform te gaan invorderen.
 
Wat de praktische modaliteiten betreft is de situatie wel duidelijk geregeld in het samenwerkingsakkoord van 26 februari 2014 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en in het kader van de gemengde bilaterale en multilaterale verdragen tussen het Koninkrijk België en een andere Staat of andere Staten die voorzien in een wederzijdse bijstand inzake de invordering van belastingvorderingen.[14] In dit samenwerkingsakkoord is voorzien dat de dienst CLO Recouvrement - CLO Invordering van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt aangeduid als het centraal verbindingsbureau voor de vragen om bijstand. Specifiek voor de lokale overheden werd voorzien dat de verzoeken om bijstand en de vragen om informatie moeten verlopen via de verbindingsdienst van het betrokken Gewest, voor Vlaanderen de Vlaamse Belastingdienst. Ook werd voorzien dat het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zich ertoe verbinden om de lokale besturen waarover ze voogdij uitoefenen, in te lichten omtrent hun verplichtingen die volgen uit de richtlijn wederzijdse invorderingsbijstand en afspraken te maken met de lokale besturen met het oog op een correcte uitvoering van deze verplichtingen.
 

Conclusie

 
Ook lokale besturen ontsnappen aan de technische evolutie van de economie en moeten zich daaraan aanpassen. Ook op fiscaal vlak is dat zo. De traditionele fiscale technieken van aangifte, controle en belastingheffing zijn voor heel wat nieuwe belastbare activiteiten niet meer efficiënt genoeg. Dit is in het bijzonder het geval voor wat betreft belastbare handelingen die worden gesteld via de internetplatformen van de deeleconomie. Om deze belastbare handelingen effectief te kunnen belasten is een regelgevend kader nodig. Voor een groot stuk is dat regelgevend kader reeds aanwezig. Wat de identificatie van de belastingplichtige betreft, het vergaren van relevante informatie voor de belastingheffing en de invordering van de belasting, kunnen de gemeenten reeds terug vallen op Europese regelgeving. Maar deze regelgeving is natuurlijk niet voldoende. Ook intern op het lokale en gewestelijke vlak zal bijsturing nodig zijn. De gemeenten kunnen internetplatformen effectief rechtstreeks gaan belasten als hun definitie van belastingplicht in de belastingreglementen dit toelaat. Dit kan door in plaats van de uitbaters van belastbare activiteiten, de aanbieder ervan te gaan belasten. En op gewestelijk vlak zal ook regelgevend ingrijpen noodzakelijk zijn, om gemeenten toe te laten Uber-diensten te gaan belasten. Een beroemde Nobelprijs-winnaar literatuur schreef ooit: The times they are a changing. Dat is zeer juist en dat geldt ook voor onze gemeenten.
  
 

[1]. http://www.ondernemeninantwerpen.be/sites/default/files/documents/Belastingreglement_ToeristischeLogies_2014.pdf
[2] https://stad.gent/system/files/regulations/2016_RE_logies_1_0.pdf
[3] https://www.brugge.be/2014-2019-taxis-en-vvbpdf-2
[4] Onder taxidienst wordt in Brugge verstaan het bezoldigd vervoer van personen door middel van gemotoriseerde voertuigen met bestuurder.
[5] http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32011L0016&from=NL
[6] Wet 17/08/2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 16 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen.
[7] Zie:
-  Vlaams Decreet 21/06/2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen (BS, 26/06/2013)
- Besluit van de Vlaamse Regering van 21/03/2014 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen (BS, 15/05/2014)
- Brusselse Ordonnantie 26/06/2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (BS, 03/09/2013)
- Waals Decreet 19/09/2013 houdende verscheidene fiscale bepalingen (BS, 10/11/2013)
[8] Zie hoofdstuk II en III van de Richtlijn.
[9] Besluit van de Vlaamse Regering van 21/03/2014 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen (BS, 15/05/2014)
[10] http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32010L0024&rid=1
[11] Wet 09/01/2012 houdende omzetting van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen (BS, 26/01/2012)
[12] Zie:
- Brusselse Ordonnantie houdende omzetting van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen (BS, 05/07/2012)
- Waals Decreet 05/07/2012 tot omzetting van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen (BS, 13/07/2012)
- Vlaams Decreet 21/12/2012 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen (BS, 28/12/2012)
- Besluit van de Vlaamse Regering van 21/03/2014 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (BS, 18/04/2014)
[13] Zie hoofdstuk II tot IV van de Richtlijn.
[14] Samenwerkingsakkoord 26/02/2014 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse /Hoofdstedelijk Gewest in het kader van de Richtlijn 2010/24/EU van d/e Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en in het kader van de gemengde bilaterale en multilaterale verdragen tussen het Koninkrijk België en een andere Staat of andere Staten die voorzien in een wederzijdse bijstand inzake de invordering van belastingvorderingen (BS, 24/04/2014)