Arbeidsrechtelijke topics in de federale beleidsverklaring: wat is nieuw?

18/10/2016 | Sociaal | Kristof Salomez
Waar blijft een werkelijke hervorming van het arbeidsrecht en het herstel van het sociaal overleg.
In de federale beleidsverklaring kondigde de premier een hele rits van maatregelen aan. Ook op arbeidsrechtelijk vlak worden een aantal hervormingen aangekondigd. Meer bepaald gaat het om een hervorming van de Wet op de competitiviteit, een hervorming van het interprofessionele minimumloon voor werknemers die jonger zijn dan 21 jaar en de vergroting van de flexibiliteit op het vlak van arbeidsduur.

Wij beschikken vooralsnog niet over uitgeschreven voorstellen, de grote lijnen lijken echter min of meer vast te liggen.
 

- Wijziging van de Wet op de competitiviteit

 
Deze wet kwam tot stand in 1996 onder de benaming “Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen”. De wet kwam er op initiatief van de toenmalige Minister van tewerkstelling en Arbeid, Miet Smet (CVP). Het doel van de wet bestond er niet in de zogeheten loonkostenhandicap weg te werken, maar wel om ervoor te zorgen dat de lonen in België niet sneller zouden stijgen dan het gemiddelde in enkele van onze buurlanden (Nederland, Frankrijk, Duitsland). Hiertoe voorzag de wetgever dat hetzij de sociale partners op interprofessioneel vlak, hetzij de regering, tweejaarlijks de marge vastlegden voor de loonkostontwikkeling (zeg maar de gemiddelde stijging van de lonen), dewelke de sectoren bij het onderhandelen van de loon-cao’s dienden te respecteren. Gelet op de doelstelling van de wetgever, diende de marge voor loonkostenontwikkeling te worden bepaald op basis van de verwachte gemiddelde loonkostontwikkeling in de buurlanden. Met de loonkostenhandicap diende met andere woorden geen rekening te worden gehouden. Slechts wanneer in de twee voorafgaande jaren de loonkosten in België sneller stegen dan in onze buurlanden kon dit verrekend worden bij de vaststelling van de marge voor de komende twee jaren. Voor het overige bleef de historische loonkostenhandicap geheel buiten beschouwing bij het bepalen van de marge voor de loonkostenontwikkeling, of diende deze buiten beschouwing te blijven.

De Wet op de competitiviteit zoals deze destijds door Minister Smet werd uitgewerkt hield een beperking in van de onderhandelingsvrijheid van de sociale partners  op het vlak van de loonvorming, doch deze beperking was al bij al niet al te vergaand gelet op de omstandigheid dat naast het gegeven dat de indexering en de baremieke verhogingen werden gegarandeerd, de vrije onderhandeling slechts beperkt werd doordat werd opgelegd dat de loonkostenontwikkeling gelijke tred diende te houden met de buurlanden.

Afgaande op de verklaring van de premier tijdens zijn ‘State of the union’ zou de onderhandelingsvrijheid van de sociale partners nu verder worden ingeperkt. Met name zou naar de toekomst toe, bij de vaststelling van de marge voor de loonkostenontwikkeling voor de komende twee jaar ook rekening moeten worden gehouden met de historische loonkostenhandicap. Hiertoe zal de marge die op interprofessionele vlak voor alle sectoren wordt vastgelegd, in de regel substantieel kleiner worden, hetgeen de vrijheid om collectief te onderhandelen over het loon op sectoraal vlak zal verkleinen.
 

- Wijziging van het minimumloon voor min 21-jarigen

 
De minimumlonen worden in ons land bepaald in collectieve arbeidsovereenkomsten. Zo zijn er interprofessionele minimumlonen vastgelegd in cao’s die in de Nationale Arbeidsraad werden gesloten. Deze zijn echter enkel van toepassing in de mate dat er geen hoger minimumloon is vastgelegd in sectorale cao’s, hetgeen in tal van  sectoren wel degelijk het geval is.

Door de minimumlonen voor min 21-jarigen te verminderen grijpt de federale regering eens te meer in, in wat bij uitstek onderhandelingsmaterie uitmaakt voor de sociale partners. De bedoeling van de regering is hierbij de jeugdwerkloosheid terug dringen door het goedkoper maken van deze groep van werknemers.


- Wijzigingen op het vlak van de arbeidsduur


Op het vlak van de arbeidsduur gelden al enkele decennia tal van flexibiliseringsmogelijkheden. De invoering van opeenvolgende flexibiliseringsmogelijkheden hebben van dit onderdeel van het arbeidsrecht een haast onontwarbaar kluwen gemaakt, waarin overigens de overheidsinstellingen zelf het spoor soms kwijt geraken.

Thans wordt aangekondigd dat een flexibele toepassing van de arbeidsduur wordt ingevoerd waarbij per week maximaal 45 uren wordt gewerkt en de 38 uren grens gemiddeld op jaarbasis wordt gerespecteerd. Hoewel de berichtgeving hierover allesbehalve eenduidig is lijkt er te moeten worden van uitgegaan dat bij de invoering in de bedrijven van dit bijkomend flexibiliteitsmechanisme niet collectief zal moeten worden onderhandeld.  Zoniet zou deze ‘nieuwe’ flexibiliteit’ overigens in niets verschillen met wat al bestond. Op basis van de reeds bestaande ‘kleine flexibiliteit’ kan men immers tot 45 uren per week werken en op basis van de ‘grote flexibiliteit’ tot 84 uren per week. De essentie van deze maatregel zou derhalve niet zozeer de uitbreiding van de flexibiliteitsmogelijkheden zijn, maar wel dat voorzien wordt in een flexibiliteit die kan worden ingevoerd op ondernemingsvlak zonder collectief overleg.
 
*
 
Opvallend bij de maatregelen die op het vlak van arbeid worden genomen is dat deze inhoudelijk eigenlijk geen substantiële hervorming bewerkstellingen van het arbeidsrecht, maar dat het slechts punctuele wijzigingen betreft waarbij het belangrijkste kenmerk erin bestaat dat zij het recht op collectief onderhandelen inperken. De regering doet er nochtans goed aan om spaarzaam te zijn met het nemen van maatregelen die deze onderhandelingsvrijheid beperken. Hierdoor wordt immers mogelijk ook het gunstig verloop van toekomstige onderhandelingen gehypothekeerd, hetgeen overigens des te meer het geval is wanneer de sociale partners het gevoel krijgen dat bij vastlopende onderhandelingen de regering de neiging heeft om het standpunt te volgen van hetzij de werkgeversorganisaties, hetzij de werknemersorganisaties, naargelang een rechtse dan wel een linkse regeringscoalitie aan de macht is. Teneinde het vlot verloop van collectieve onderhandelingen te bewerkstelligen zou het beter te zijn om op voorhand de aangelegenheden vast te leggen die worden overgelaten aan het sociaal overleg en hierin, als regering, niet tussen te komen. Onder meer op het vlak van de loonkostencompetitiviteit kan bijvoorbeeld moeilijk worden ingezien dat de werkgeversorganisaties niet bij machte zouden zijn om hierover te waken bij een loononderhandeling. Laat ons immers niet uit het oog verliezen dat loonsverhogingen er slechts komen mits instemming van de werkgeversorganisaties en/of werkgevers. Misschien dient de regering in deze wat meer vertrouwen te hebben in de werkgeversorganisaties en in de sociale partners in het algemeen.

Verder valt het te betreuren dat door dergelijke punctuele maatregelen de coherentie en daarmee de toegankelijkheid van het arbeidsrecht er eens te meer op achteruitgaat. Wanneer men zich tot doel stelt de competitiviteit te verbeteren is het dringend tijd om het arbeidsrecht globaal te hervormen en te codificeren. Dit zal een grotere hinderpaal om te ondernemen wegnemen dan pakweg de invoering van de zoveelste tewerkstellingsmaatregel of flexibiliseringsregime, waarvan het in de sterren geschreven staat dat zoals zovele maatregelen de toepassing in de praktijk uitermate ingewikkeld zal blijken en daardoor het succes zal uitblijven.

De Minister van sociale zaken heeft een 15-tal jaar geleden een initiatief genomen om het sociaal strafrecht te codificeren met als gevolg een sociaal strafwetboek dat mag gezien worden en dat dit sociaal strafrecht begrijpelijk en voorzienbaar maakt voor de werknemers, werkgevers en sociaal verzekerden die hieronder vallen. Tot een vergelijkbaar initiatief om het arbeidsrecht te codificeren is het nog niet gekomen. Een dergelijk initiatief veronderstelt overigens een visie op langere termijn, vermits de ervaring van het sociaal strafwetboek ons leert dat dit werk wellicht niet zal kunnen worden afgerond binnen één legislatuur. Het blijft dus voorlopig nog even wachten op een Minister van Werk die bereid is om verder te kijken dan de lopende legislatuur en het algemeen belang laat primeren op onmiddellijk politiek gewin. Dat het ooit zover zal komen staat m.i. vast, de vraag is alleen wanneer.