Op naar een nieuwe vennootschapsbelasting

09/06/2016 | Fiscaal | Michel Maus
Onze huidige regering heeft aangekondigd om werk te maken van een hervorming van de vennootschapsbelasting. Op zich is dat goed nieuws natuurlijk, maar de vraag is hoe deze hervorming er moet uitzien. Indien de regering niet opnieuw bakken kritiek wil krijgen zoals met de taxshift, doet zij er goed aan om in te spelen op de twee basisproblemen van de vennootschapsbelasting, met name de hoge belastingdruk en vooral de ongelijke verdeling van de belastingdruk. Tevens lijkt het ook noodzakelijk om werk te maken van een taxificatie en om af te stappen van het fiscaal conflictmodel zodat dit plaats kan maken voor een fiscaal samenwerkingsmodel tussen de ondernemingen en de fiscus. Hierna volgt een voorstel hoe de vennootschapsbelasting hervormd zou kunnen worden.
 

1. Naar een “all animals are equal”-beleid

 
Het kan niet worden ontkend dat ons land met zijn belastingtarief van 33,99% terug bovenaan staat in alle internationale rankings. Binnen de OESO bijvoorbeeld moet België enkel nog Frankrijk (34,43%) en de USA (38,92%) voor zich laten. ( zie http://stats.oecd.org/Index.aspx?QueryId=58204 ) Het zeer hoge Belgische belastingtarief is aan de ene kant relatief, maar aan de andere kant ook zeer nefast. Het hoge tarief is relatief in die zin dat de belastingdruk kan worden getemperd door de vele fiscale gunstregimes in ons land. Zo bijvoorbeeld ziet een octrooi-vennootschap in ons land 80% van zijn inkomsten fiscaal vrijgesteld, zodat de belastingdruk zelfs met een belastingtarief van 33,99% uiteindelijk slechts 6,7% bedraagt. Anderzijds is het hoge tarief ook zeer nefast, in die zin dat vennootschappen die niet kunnen genieten van gunstregimes uiteindelijk wel de volle pot aan belasting moeten betalen.
 
Dit één-tweetje tussen het belastingtarief en de fiscale gunstregimes heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de belastingdruk tussen de Belgische vennootschappen zeer sterk verdeeld is geraakt, te meer de belangrijkste gunstregimes eigenlijk zijn geschreven op het lijf van de multinationale ondernemingen. Men kan dan ook moeilijk gaan stellen dat het huidige belastingsysteem in ons land fair zou zijn en als rechtvaardig wordt aangevoeld bij het gros van de Belgische KMO’s.
 
Deze fiscale ongelijkheid is het onontkoombare gevolg van het beleid van het verleden waarbij de overheid via allerlei fiscale gunstregimes heeft getracht om (buitenlandse) investeringen aan te trekken. Ondertussen is het ook duidelijk geworden dat dit beleid hoe langer hoe meer juridische en politieke problemen stelt. Zo werd België reeds door Europa veroordeeld voor het fiscaal statuut van  coördinatiecentra en nu dreigt ook hetzelfde voor het regime van de excess profit rulings voor multinationals. Anderzijds komt er ook meer en meer internationale druk op het systeem van de notionele interestaftrek.
 
“Niet fiscale gunstregimes, maar het belastingtarief moet het prioritaire middel worden om de economie fiscaal te ondersteunen en om (buitenlandse) investeringen aan te trekken.”
 
Om te komen tot een faire hervorming van de vennootschapsbelasting, moet dit beleid worden omgekeerd en moet het belastingtarief in plaats van fiscale gunstregimes prioritair worden uitgespeeld om de economie fiscaal te ondersteunen en om (buitenlandse) investeringen aan te trekken. Dit is het meest rechtvaardige systeem en zorgt ervoor dat elke Belgische onderneming klein of groot en ongeacht de activiteit kan profiteren van een competitief belastingtarief. Dit is de enige manier om de belastingdruk te equilibreren en te zorgen voor een gelijke behandelingen van de Belgische vennootschappen. Gunstregimes kunnen in een dergelijk systeem zeker nog blijven bestaan om beleidsondersteunend te werken ( al dan niet tijdelijk), maar dan wel op voorwaarde dat deze regimes duidelijk wervend zijn op economisch of ecologisch vlak, dan wel op arbeidsvlak.
 
Indien ons land met het belastingtarief internationaal competitief wil zijn, dan moet het belastingtarief van 33,99% wel tot ver onder de 20% zakken. Het is echter duidelijk dat een dergelijke zware ingreep op het tarief budgettaire gevolgen zal hebben, zodat compenserende maatregelen noodzakelijk zullen zijn. Maar ook dat hoeft niet noodzakelijk een probleem te zijn.
 

2. Naar een verbreding van de belastbare grondslag in ruil voor lagere tarieven

 
De budgettaire impact van een tariefverlaging zal moeten opgevangen worden, zoniet dreigt de begroting te ontsporen. Vandaar dat een tariefverlaging gepaard moet gaan met een verbreding van de belastbare grondslag, zodat er meer belastbare materie kan belast worden aan een lager tarief.
 
“Een tariefverlaging moet gepaard gaan met een verbreding van de belastbare grondslag, zodat er meer belastbare materie kan belast worden aan een lager tarief.”
 
Om deze doelstelling te bereiken kan gedacht worden aan:
  • De uitbreiding van het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting
  • De conditionering van fiscale gunstregimes
  • Het saneren van fiscale gunstregimes
  • Het belasten van winstuitkering en meerwaarden op aandelen.
 
2.1. Het uitbreiden van het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting
 
In de zoektocht naar budgettaire compensatie kan vooreerst worden gedacht aan een uitbreiding van het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting. Nu vallen enkel vennootschappen die een maatschappelijke zetel in België hebben en vennootschappen die vanuit België worden bestuurd onder de vennootschapsbelasting. Men zou dit toepassingsgebied kunnen uitbreiden door buitenlandse vennootschappen die voor meer dan 50% door een Belgische inwoner worden gecontroleerd ook onder de Belgische vennootschapsbelasting te laten vallen.
 
Dit is allicht de meest verregaande maatregel die men zou kunnen nemen en die eigenlijk tot doel heeft om de pure fiscale delocalisatie van economische activiteit tegen te gaan. Heel wat Belgische ondernemingen hebben de afgelopen jaren het geheel of deel van hun activiteit naar het buitenland overgebracht om te ontsnappen aan de zware loonkost en de zware belastingdruk in ons land. De Belgische vennootschappen zijn dan een soort holding geworden van hun buitenlandse dochtervennootschappen. Door ook buitenlandse vennootschappen die rechtstreeks of onrechtstreeks door een Belgische inwoner worden gecontroleerd onder de Belgische vennootschapsbelasting te laten vallen, kan men dergelijke structuren tegen gaan. Ook andere landen zoals de USA denken in deze richting. Binnen het Europese kader is voor deze maatregel wel overleg vereist met de Europese Commissie in het kader van het vrij verkeer van kapitaal.
 
2.2. Het conditioneren van fiscale gunstregimes
 
Zoals reeds gemeld heeft België in het verleden vooral gesteund op een beleid van fiscale gunstregimes om buitenlandse investeringen aan te trekken. Op dat vlak kan gerust gesteld worden dat België voor bepaalde economische niches misschien geen fiscaal paradijs, is, maar toch zeker een fiscale oase. Het is duidelijk deze gunstregimes de facto meer in het voordeel spelen van de grote ondernemingen. Het gaat hier in het bijzonder om de notionele interestaftrek, de aftrek voor octrooi-inkomsten en de excess profit rulings. ( voorlopig cfr kritiek Eur. Com. )
 
Van deze gunstregimes kan het bestaan zelf in vraag worden gesteld, maar het lijkt moeilijk om deze regimes radicaal af te schaffen. De vorige regeringen hebben immers deze gunstregimes gebruikt om België in het buitenland als investeringsland te gaan promoten zodat het politiek weinig verstandig zou zijn om deze regimes op relatief korte termijn af te schaffen. Hierdoor zou ons land enkel maar gezichtsverlies leiden.
 
Dit neemt echter niet weg dat deze regimes kunnen worden hervormd via een “quid pro quo”-beleid. Het probleem dat zich thans stelt is dat deze gunstregimes eigenlijk gratuit werken. Om deze fiscale voordelen te verkrijgen moet men wel aan tal van voorwaarden beantwoorden, maar aan het voordeel zelf zijn geen voorwaarden gekoppeld. Hoewel deze gunstregimes vaak tot doel hebben financiële zuurstof aan vennootschappen te geven, werden hier verder geen eisen gesteld. Dit moet anders aangepakt worden. Het is perfect verantwoordbaar dat men aan ondernemingen een gunstregime toekent onder de voorwaarde dat het fiscaal financieel voordeel van dat regime verder wordt gebruikt om de economie te ondersteunen, m.a.w. om te investeren of om tewerkstelling te creëren. Een voorbeeld kan hier gevonden worden in het stelsel van de gespreide taxatie van meerwaarden waar het voordeel is gekoppeld aan de verplichting tot herinvesteren.
 
Alle belangrijke gunstregimes in de vennootschapsbelasting zouden aan dezelfde verplichting moeten worden onderworpen en indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, dan moet het voordeel worden terug geroepen. Een fiscaal gunstregime moet immers wervend werken ( quid pro quo ) en kan niet enkel werken in het voordeel van de aandeelhouders van de vennootschap. Enig minpunt is dat men een investeringsverplichting enkel Europees kan invoeren, in die zin dat men de betrokken vennootschappen enkel kan verplichten in een EU-land te investeren en deze verplichting niet kan beperken tot het Belgisch grondgebied.
 
2.3. Het saneren van fiscale gunstregimes
 
Een derde compenserende maatregel kan gevonden worden in de sanering van fiscale gunstregimes:
 
a) Het systeem van de overaftrek
 
Ons systeem van vennootschapsbelasting kent verschillende aftrekmogelijkheden die als resultaat hebben dat meer dan 100% van een investering fiscaal kan worden gerecupereerd. In principe is dit budgettair vrij nefast aangezien dit eigenlijk neerkomt op een pure subsidiëring. Het gaat hier bijvoorbeeld om de investeringsaftrek en de aftrek van 120% voor een elektrisch voertuig, maar ook de aftrek van 150% voor investering in audiovisuele werken kan hier genoemd worden. Er is geen enkele reden om dergelijke systemen van fiscale overaftrek te blijven behouden. Het stimuleren van bepaalde vormen van investering kan ook op alternatieve manieren gebeuren bijvoorbeeld door het toekennen van kortere afschrijvingstermijnen. Hier kan worden voorgesteld om de afschrijvingspercentages per soort investering vast te leggen bij KB (cfr de regeling rond de btw-tarieven. Beleidskeuze tot het stimuleren van bepaalde investeringen kan dan via het toekennen van kortere afschrijvingsperiodes. Bijvoorbeeld een elektrische auto op 3j afschrijven, een auto met een hoge CO² op 6j afschrijven.
 
b) Het systeem van de definitief belaste inkomsten
 
Een ander voorbeeld is de aftrek voor definitief belaste inkomsten van dividenden. In het huidige systeem van vennootschapsbelasting is de aftrek voor definitief belaste inkomsten uitgesloten als de dividenden afkomstig zijn van een vennootschap die niet werd “onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting”. Dit criterium houdt nu enkel rekening met het gemeenrechtelijk nominaal tarief en niet met de effectieve belastingdruk. Dit criterium moet dan ook in deze zin herbekeken worden.
 
c) Het systeem van de overdraagbare verliezen
 
Ook kan gedacht worden aan het beperken in de tijd van overdraagbare verliezen. Nu zijn fiscale verliezen voor een vennootschap onbeperkt in de tijd aftrekbaar. Hier kan worden voorgesteld om de overdraagbaarheid tot 10 jaar te beperken.
 
d) Het systeem van de aftrek van beroepskosten
 
In ruil voor de toekennen van lagere tarieven dienen ook de beroepskosten te worden gesaneerd. Zo kan bijvoorbeeld de aftrek van restaurant-, receptie- en autokosten worden herbekeken. Wat specifiek de afschrijvingen betreft kan hier gedacht worden aan de afschaffing van het systeem van de degressieve afschrijvingen, zodat enkel nog lineaire afschrijvingen mogelijk zijn.
 
e) Het systeem van de verlaagde tarieven
 
In ruil voor de toekennen van lagere algemene tarieven moet ook de vraag worden gesteld of de verlaagde uitzonderingstarieven van de vennootschapsbelasting nog kunnen worden behouden.
 
2.4. Het belasten van winstuitkeringen en van de meerwaarden op aandelen
 
De doelstelling van een laag tarief in de vennootschapsbelasting is zorgen voor financiële zuurstof voor de Belgische vennootschappen zodat zij verder kunnen ondernemen. Dit lage tarief kan deels worden gecompenseerd met een hogere belasting op winstuitkering en met een (hogere) meerwaardebelasting.
 
Wat de winstuitkeringen aan natuurlijke personen betreft, is het idd zo dat de roerende voorheffing de afgelopen jaren reeds werd opgetrokken van 15% naar 27%. Op dat vlak is er allicht weinig ruimte om naar een belastingverhoging te gaan, hoewel het bijvoorbeeld verdedigbaar moet zijn om een stuk progressiviteit in deze vorm van belastingheffing in te voeren. Anderzijds is het tarief van 27% niet op alle dividenden van toepassing. In het kader van de compensatie voor een lagere vennootschapsbelasting is het verantwoordbaar om deze uitzonderingsregimes af te schaffen en de belastingheffing voor alle dividenden op gelijke hoogte te brengen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de zogenaamde Geens-dividenden, i.e. dividenden op aandelen die zijn gecreëerd na 1 juli 2013 en die aan 15% i.p.v. 27% worden belast. Wat de winstuitkeringen betreft t.a.v. rechtspersonen, speelt natuurlijk de DBI-aftrek. Niettemin lijkt het ook hier verantwoordbaar om specifiek voor het belastbaar deel van de dividenden een uitzonderingstarief toe te passen dat afwijkt van het lage algemene tarief.
 
Ook een meerwaardebelasting op aandelen moet hier overwogen worden. ( cfr o.m. de Reagan tax shift van 1986 ) Wat particulieren aandeelhouders betreft kan een algemene meerwaardebelasting op aandelen worden ingevoerd in de personenbelasting. Wat de vennootschapsbelasting betreft is er reeds een algemene meerwaardebelasting op aandelen van 25,75% op aandelen die binnen het jaar na de aankoop worden verkocht. Wat grote ondernemingen betreft is er ook een meerwaardebelasting op aandelen die worden verkocht langer dan één jaar na de aankoop. Deze belasting bedraagt slechts 0,412%. Deze vorm van belastingheffing kan worden uitgebreid tot alle vennootschappen en tegen een hoger tarief.
 

3. Naar een taxificatie

 
Een hervorming van de vennootschapsbelasting mag zich niet louter beperken tot de belastingheffing zelf, ook een betere verstandhouding tussen de fiscus en de vennootschappen is primordiaal. Thans blijven we nog veel te veel vast zitten in een fiscaal conflictmodel, waarbij er niet constructief wordt gecontroleerd door de fiscus en onmiddellijk zware sancties worden gehanteerd bij fiscale fouten. Dit is nefast voor de verhouding tussen de fiscus en de vennootschappen.
“We moeten afstappen van het conflictmodel en overgaan naar een samenwerkingsmodel tussen fiscus en vennootschappen.”
Ook hier kunnen verschillende stappen worden genomen:
 
3.1. Het oprichten van een fiscale helpdesk om vennootschappen bij te staan
 
Het huidige klantvriendelijke model van de FOD Financiën is te veel gericht op grote multinationale ondernemingen. Zo is er binnen de schoot van de FOD Financiën een “Cel fiscaliteit van de buitenlandse investeringen” opgericht die buitenlandse investeerders bijstaat, alsook een “Centrum Grote Ondernemingen” waar volgens fiscus de “grote ondernemingen” terecht kunnen bij sectorcoördinatoren met vragen over specifieke fiscale informatie, over attesten en vergunningen en over de aangiften en de indieningswijzen. Het is eigenlijk bijzonder pijnlijk om te moeten vaststellen dat dergelijke initiatieven niet bestaan voor KMO’s. Nochtans zitten KMO’s met evenveel fiscale vragen als de grote ondernemingen. Er moet dan ook duidelijk worden overwogen om het klantvriendelijk beleid van de FOD Financiën uit te breiden tot alle vennootschappen.
 
3.2. Het oprichten van regionale cellen van de rulingdienst
 
Het verdient ook een aanbeveling om de rulingdienst meer toegankelijk te maken voor KMO’s.  Dit kan door de oprichting van regionale cellen van de rulingdienst. Hier zou het motto moeten zijn ‘de fiscus komt naar u toe” naar het goed werkende voorbeeld van de fiscale bemiddelingsdienst.
 
3.3.        Het invoeren van een constructief controlebeleid
 
Het is ook ten zeerste aangewezen om het controlebeleid van de FOD Financiën te wijzigen. In de huidige context is de fiscale controle al te zeer gericht op fiscale repressie en niet op fiscale preventie hetgeen karakteristiek is voor het conflictmodel. Een andere manier van benaderen kan zorgen voor heel wat meer fiscale burgerzin en wederzijds respect tussen fiscus en vennootschappen.
 
a) Het eerste nazicht
 
Nieuwe vennootschappen worden meestal pas na een aantal jaar aan een fiscale controle onderworpen. Het resultaat hiervan is vaak dat de gemaakte fiscale keuzes ter discussies worden gesteld, met fiscale naheffingen en boetes tot gevolg. Het verdient dan ook aanbeveling om binnen de eerste drie jaar na de opstart vennootschappen aan een eerste nazicht te onderwerpen. De doelstelling van een dergelijke controle is een eerste analyse van de boekhouding en administratie van de vennootschap om de manier van werken waar nodig te kunnen bijsturen.
 
b) De waarschuwingscontrole
 
In de huidige stand van zaken wordt er door de fiscus in de meeste gevallen onmiddellijk gesanctioneerd bij de vaststelling van fiscale onregelmatigheid of slordigheden in de boekhouding. Dat zet vaak zeer veel kwaad bloed bij de belastingplichtigen. De vraag is dan ook waarom de fiscus hier niet zo kunnen werken met een waarschuwingsbeleid i.p.v. een sanctioneringsbeleid. Binnen dit beleid zou men dan kunnen werken met een waarschuwing bij een eerste vaststelling van niet frauduleuze overtredingen. Indien de overtredingen later opnieuw plaats vinden, kan dan wel onmiddellijk en zwaar worden gesanctioneerd.
 
c) De omgekeerde controle
 
Bij een omgekeerde controle sluit de fiscus met de belastingplichtige een contract waarbij deze laatste zich ertoe verbindt om periodiek en vrijwillig alle boekhoudkundige en financiële gegevens aan de fiscus over te maken. In ruil voor deze transparantie moet de fiscus van zijn kant zich ertoe verbinden om binnen een relatief korte periode van 3 tot 6 maanden te reageren indien er opmerkingen zijn m.b.t. de aangeleverde data. Indien fiscus binnen de gestelde termijn niet reageert, mag de belastingplichtige ( behoudens fraude ) ervan uitgaan dat de gemaakte fiscale keuzes van de onderneming door de fiscus worden aanvaardt.
 
d) De controle op verzoek
 
Als laatste voorstel zou de fiscus ook werk kunnen maken van de controle op verzoek waarbij de vennootschap zelf aan de fiscus kan vragen om gecontroleerd te worden. Op die manier kan dan aan de belastingplichtige vennootschap een soort van fiscaal kwaliteitsattest worden afgeleverd, hetgeen dan van belang kan zijn bij latere overnames, fusies of splitsingen.