Bankgeheim is passé, fiscale privacy niet

13/04/2016 | Fraude | Michel Maus
Tussen alle geweld door van de Panama Papers en de stoere politieke oproep naar meer fiscale transparantie moeten we in een rechtsstaat als de onze natuurlijk ook eens blijven stilstaan bij de juridische gevolgen van het gratuit openbaar maken van financiële gegevens en allerlei fiscale constructies. Akkoord, het tijdperk van duistere bankgeheimregimes mag dan wel voorbij zijn en meer fiscale openheid is de regel, maar de vraag is of de slinger nu niet te veel in de andere richting is doorgeslagen.
De voor- en tegenstanders van ons fiscaal systeem zullen allemaal erkennen dat het voor een rechtvaardige belastingheffing noodzakelijk is dat de fiscale administratie zicht krijgt op het inkomen dat we met zijn allen wereldwijd hebben verkregen. Vanuit dat perspectief is het dan ook noodzakelijk dat de fiscale administratie - hetzij via een aangifte, hetzij via internationale gegevensuitwisseling - in kennis wordt gesteld van financiële informatie die aan belastingplichtigen kan worden gekoppeld. Maar dezelfde voor- en tegenstanders zullen evengoed moeten erkennen dat het publiceren van namen van personen die de fiscale vlucht hebben genomen naar een of ander fiscaal paradijs, toch ook wel heel wat vragen rond privacybescherming doet rijzen, en terecht.

Maar let's face it, de tijden zijn veranderd en gelukkig maar. Bankgeheimsystemen waren destijds legitiem. Het Zwitsers bankgeheim was in 1939 bijvoorbeeld het directe antwoord van Zwitserland op het naziregime dat vijf mensen van Joodse afkomst had geëxecuteerd omdat zij hun vermogen bij Zwitserse banken hadden ondergebracht. Op dat moment bood het bankgeheim dus een bescherming tegen dubieuze regimes. Maar een paar decennia later is de legitimiteit van het bankgeheim natuurlijk volledig verdwenen als moet worden vastgesteld dat het bankgeheim dubieuze regimes precies is gaan beschermen en tevens voor fiscale onevenwichten is gaan zorgen door personen van allerlei pluimage toe te laten hun vermogen voor de fiscus te verbergen. En dat is natuurlijk niet meer goed te praten.

Dat er internationaal volledige transparantie mag worden gevraagd en landen op dat vlak intensief met elkaar gaan samenwerken, is eigenlijk de logica zelve. Dit is de conditio sine qua non voor een eerlijke en rechtvaardige belastingheffing. Vanuit fiscaal oogpunt mag er dan ook eigenlijk geen fiscale privacy meer zijn, althans niet ten overstaan van de fiscus. Mensenrechtenverdragen laten overigens toe dat de overheid afbreuk doet aan de privacy indien dit noodzakelijk is voor het economisch welzijn van het land. Op dat vlak en in het licht van fiscale rechtvaardigheid kunnen we de internationale fiscale revolutie van bankgeheim naar automatische uitwisseling van bankgegevens enkel maar toejuichen. Maar ook hier is voorzichtigheid raadzaam, getuige onder meer de vrij hypocriete houding van de Belgische overheid die staat te springen op de barricades om elk jaar automatisch buitenlandse bankgegevens te verkrijgen, maar anderzijds de eigen fiscus niet toelaat om zicht te krijgen op binnenlands roerend vermogen. Fiscaal protectionisme heet dat.

En hoewel de fiscale wereld in korte tijd positief is veranderd, moeten we toch waakzaam blijven en opletten voor de excessen. Het bankgeheim mag dan wel voor de geschiedenisboeken zijn, fiscale privacy is dat niet. Fiscale privacy blijft nog altijd bestaan in de onderlinge relatie tussen burgers. Op dat vlak is het name and shame-beleid tegenover fiscale vluchtelingen wel degelijk juridisch fout en te beschouwen als een echte privacyinbreuk. Bovendien moeten we ook rekening houden met het feit dat de gegevens die nu te grabbel worden gegooid, vaak op een onrechtmatige manier werden verkregen. Bijvoorbeeld na een diefstal door een ontslagen werknemer, zoals in de KB Lux-zaak, of na een computerhack, zoals bij de Panama Papers. Los van het feit dat dit juridisch kan leiden tot een veroordeling wegens allerlei misdrijven en het betalen van schadevergoedingen, moeten we ons de vraag stellen of we deze evolutie als maatschappij wel willen. Moeten we aanvaarden dat bepaalde grondrechten met de voeten worden getreden om toe te laten dat een bepaald onrecht zou kunnen worden aangekaart?

Ondermijnen we hiermee eigenlijk niet de basis van onze grondrechten? Stof om eens goed over na te denken.

Zie ook De Morgen