Lastenverlaging van 33% naar 25%, wat blijft er nog van over?

09/11/2015 | Sociaal | Kristof Salomez
In een blogbericht van 12 augustus 2015 hebben wij erover bericht, dat de lastenverlaging van 33% naar 25% naar onze inschatting wellicht zou gefinancierd worden met het budget van de thans bestaande structurele bijdrageverminderingen. Wij kwamen tot dit besluit op basis van een analyse van de budgetten die de regering, blijkens de mededelingen in de pers, zou hebben voorzien voor de financiering van deze lastenverlaging.
Wij maakten destijds de opmerking dat wanneer de vermindering van 33% naar 25% in de plaats zou komen van de bestaande structurele bijdrageverminderingen, dat dit zou inhouden dat (1) er geen daadwerkelijke lastenverlaging van 8% zou komen maar slechts een veel beperktere van ongeveer 2%, en (2) dat hierdoor zou afgestapt worden van het gedeeltelijk progressief karakter van de patronale bijdragen. Het laatste zou  erop neerkomen dat de bijdragen op de hoge lonen zouden verlaagd worden en die op de lage lonen zouden verhogen, hetgeen geen goede zaak zou geweest zijn voor de concurrentiepositie van de sectoren die beroep doen op de tewerkstelling van werknemers met lage lonen. Het zou met andere woorden niet zozeer om een fundamentele lastenverlaging gaan, maar om een fundamentele hervorming van de verdeling van de lasten, waarbij vooral werkgevers die met laaggeschoold personeel werken de rekening zouden betalen. De werkgevers die met hooggeschoold en goedbetaald personeel zouden werken zouden hun kosten ernstig zien dalen. Dit zou in de aangehaalde hypothese overigens ook het geval zijn voor werkgevers die nu niet het voordeel van de structurele bijdrageverminderingen genieten, zoals een belangrijk deel van de publieke sector. Deze genieten geen structurele bijdragevermindering maar zouden op het eerste gezicht wel kunnen genieten van het verlaagde tarief.

De afgelopen maanden is er gaandeweg iets meer duidelijkheid gekomen omtrent de wijze waarop de aangekondigde lastenverlaging zou worden doorgevoerd. Op basis van de actuele informatie waarover wij beschikken zou men effectief het tarief verlagen van ongeveer 33% naar 25%. Dit zou naar verluidt niet gelden voor alle werkgevers maar enkel voor die werkgevers die aanspraak kunnen maken op de zogeheten structurele bijdrageverminderingen van categorie 1. Dit is de private sector en dat gedeelte van de publieke sector dat is onderworpen aan alle takken van de sociale zekerheid, met uitzondering van de beschutte werkplaatsen en van de non-profitsector. Het toepassingsgebied van de lastenverlaging wordt dus beperkt wat de kostprijs ervan evident lager maakt. Niettemin wordt deze verlaging van het tarief van de bijdragen gecombineerd met een hervorming van het stelsel van de structurele bijdrageverminderingen, althans deze van categorie 1. Anders dan aanvankelijk werd gedacht, wordt de structurele bijdragevermindering niet volledig afgeschaft, hetgeen mogelijk een gevolg is van de beperktere kost van de lastenverlaging. De hervorming van de structurele bijdragevermindering van categorie 1 zou er naar verluidt op neerkomen, dat het bedrag van de bijdrageverminderingen niet langer zou bestaan uit enerzijds een vast gedeelte en anderzijds een variabel gedeelte voor respectievelijk de lage lonen en de hoge lonen. Voortaan zou de structurele bijdragevermindering enkel nog bestaan uit een variabel gedeelte en zou dit enkel nog voor de lage lonen gelden. Wat als een laag loon wordt beschouwd zou evenwel gevoelig worden opgetrokken van 5560 euro per kwartaal naar 8850 euro per kwartaal. De structurele bijdragevermindering zou met andere woorden worden omgevormd van een algemene lastenverlaging naar een lastenverlaging op de lage en gemiddelde lonen. Hiermee wordt het effect van de aangekondigde sociale flattax van 25% geneutraliseerd ten voordele de lage en in mindere mate de gemiddelde lonen.

Daarnaast blijft het een open vraag welke maatregelen al dan niet zullen genomen worden ten aanzien van de publieke werkgevers waarvan het contractueel personeel niet onder alle takken van de sociale zekerheid der werknemers vallen en ten aanzien van de non-profit sector en de beschutte werkplaatsen. Het heeft er alle schijn van dat voor hen het bestaande tarief behouden blijft. Voor de non-profit en de beschutte werkplaatsen zouden evenwel de structurele bijdrageverminderingen (categorie 2 en 3) worden opgetrokken.

De conclusie van het verhaal is dat de aangekondigde maatregelen het sociaal recht er niet doorzichtiger, hanteerbaarder en coherenter op zullen maken. Nadat de federale regering in juli van dit jaar een fundamentele lastenverlaging van 33% naar 25% aankondigde, wordt een veel beperktere lastenverlaging doorgevoerd en wordt teruggekomen op het door het bestaande stelsel van structurele bijdrageverminderingen ingevoerde voorzichtig progressief karakter van de bijdragevoet, doch, wellicht ten gevolge van de reacties van bepaalde werkgeversorganisaties, met een uitzondering voor de laagste lonen.

Veel duidelijker was het geweest wanneer de percentages van de sociale bijdragen progressief zouden zijn gemaakt, zoals dat ook voor de personenbelasting het geval is. Duidelijke en coherente maatregelen lijken echter maar moeilijk door het politieke onderhandelingsproces te geraken. Nochtans zou de competitiviteit met geen enkele maatregel zo gebaat zijn als met het toegankelijk en begrijpelijk maken van het sociaal recht.