Invoering van een nieuw verlaagd tarief in de roerende voorheffing van 1,69 % op dividenden die worden uitgekeerd aan bepaalde buitenlandse aandeelhouders.

De roerende voorheffing kan negatieve gevolgen hebben voor Belgische ondernemingen wanneer die hun kapitaal willen openstellen voor buitenlandse investeerders.
I. BUITENLANDSE INVESTEERDERS EN DE ROERENDE VOORHEFFING OP DIVIDENDEN
 
De roerende voorheffing kan negatieve gevolgen hebben voor Belgische ondernemingen wanneer die hun kapitaal willen openstellen voor buitenlandse investeerders. In principe zijn dividenduitkeringen door een Belgische onderneming onderhevig aan een roerende voorheffing van 25 %. Ze kunnen echter genieten van een vrijstelling van roerende voorheffing in zoverre de aandeelhouder (i) een Belgische vennootschap, (ii) een EU-vennootschap of (iii) een vennootschap is die gevestigd is in een lidstaat waarmee België een dubbelbelastingovereenkomst heeft gesloten en gedurende een jaar een participatie heeft van minstens 10 % in de Belgische vennootschap (artikel 106, §5 en 6 KB/WIB).

Wat als de participatiedrempel van de aandeelhouder geen 10 % bedraagt? Dit is geen louter theoretisch geval. Bij investeringen in beursgenoteerde vennootschappen/ beleggingsfondsen is de investeerder niet altijd in staat om voldoende effecten te verwerven voor de vereiste participatie van 10 %. Men moet hier een onderscheid maken al naargelang de aandeelhouder een Belgische dan wel een buitenlandse vennootschap is.
 
  • Wanneer de aandeelhouder een Belgische vennootschap is, heeft de roerende voorheffing geen gevolgen voor hem aangezien ze kan worden verrekend (art. 279 WIB) en desgevallend wordt teruggegeven (art. 304,§2 WIB). Als de waarde van de investering in de Belgische dochtervennootschap (in de rekeningen van de Belgische moedervennootschap) minstens 2.500.000 euro bedraagt, kan de Belgische moedervennootschap aanspraak maken op de DBI aftrek ten belope van 95 % van het ontvangen dividend in de vennootschapsbelasting (art. 202 en 203 WIB). Dit resulteert in een totale belasting van 1,69 % (5 % x 33,99 %).
  • Voor buitenlandse moedervennootschappen is het systeem minder gunstig. Als de buitenlandse aandeelhouder een participatie heeft van minder dan 10 % in de Belgische dochtervennootschap, is de roerende voorheffing zijn finale belasting. Het Belgisch recht voorziet geen enkele methode om de dubbele belasting te neutraliseren wanneer de buitenlandse aandeelhouder een participatie heeft van minder dan 10 %, maar ten waarde van meer dan 2.500.000 euro.
     
De buitenlandse aandeelhouders worden bijgevolg zwaarder belast dan de Belgische aandeelhouders.

II. DE AB INBEV-AFFAIRE

De problematiek van de roerende voorheffing is een belangrijke factor op het gebied van de internationale fiscale concurrentie.

De AB InBev-affaire heeft aangetoond dat de roerende voorheffing een bepalende factor kan zijn in de lokalisatie van een multinationale onderneming. In de pers werd gesproken van een eventuele  verplaatsing van de zetel van AB InBev naar Londen om te vermijden dat buitenlandse aandeelhouders (naar aanleiding van de overname door AB InBev van concurrent SABMiller) Belgische roerende voorheffing op dividenden zouden moeten betalen (zie de artikelen hierover verschenen in De Morgen (http://www.bloom-law.be/nl/actualiteit/media/5126/de-morgen--fiscale-lolly-moet-ab-inbev-in-belgie-houden) en La Libre (http://www.bloom-law.be/fr/actualite/media/5127/la-libre-belgique--une-loi-pour-garder-le-siege-en-belgique). In tegenstelling tot België, voorziet het VK immers niet in een inhouding aan de bron op dividenduitkeringen, wat een aanzienlijk concurrentieel voordeel oplevert.

Zo zouden dividenden die AB InBev zou uitkeren aan de Amerikaanse onderneming Altria (die minder dan 10 % van het kapitaal van AB InBev in handen zou hebben) belast worden tegen 15 % (het basistarief van 25% wordt teruggebracht tot 15% in toepassing van artikel 10, § 2 van de dubbelbelastingovereenkomst tussen België en de VS). In geval van een zetelverplaatsing van AB InBev naar het VK, zouden de dividenden niet meer worden onderworpen aan een bronheffing.
 
III. WETSONTWERP TOT INVOERING VAN EEN VERLAAGDE ROERENDE VOORHEFFING VAN 1,69%
 
De regering besprak op 9 oktober jongstleden een wetsontwerp houdende diverse bepalingen dat vooral een einde moest maken aan dit verschil in behandeling tussen Belgische en buitenlandse beleggers. Het voorziet immers in een verlaagd tarief in de roerende voorheffing van 1,69% op dividenden uitgekeerd door Belgische vennootschappen aan buitenlandse aandeelhouders met een participatie van minder van 10 %, maar met een investeringswaarde van meer dan 2.500.000 euro. Het ontwerp zou niet alleen van toepassing zijn op aandeelhouders binnen de EER (Europese Economische Ruimte), maar ook op diegenen buiten de EER (mits het respecteren van een aantal voorwaarden).

Deze maatregel vergt enig commentaar.

Enerzijds is het evident dat de invoering van dit verlaagd tarief (zonder weerga) van 1,69 % er is gekomen vanuit de bezorgdheid dat AB InBev zou delokaliseren, wat ernstige gevolgen zou hebben voor de Belgische economie. We kunnen er niet omheen dat de regering hier is gezwicht voor de chantage van de internationale financiële lobby. Deze maatregel lijkt ook in te gaan tegen de recente tax-shift en de verhoging van de roerende voorheffing op dividenden van 25 % naar 27 %.

Anderzijds stellen we vast dat deze maatregel België aantrekkelijker maakt voor buitenlandse investeerders. Dat is positief, gezien de recente fiscale maatregelen die België op wereldvlak (negatief) in de schijnwerpers plaatste (fairness tax, taks van 0,4 % op meerwaarde op aandelen van grote ondernemingen ...). België kon overigens niet wachten met een oplossing voor de huidige situatie. Via een ordonnantie van 12 juli 2012 (zaak C-384/11) veroordeelde het Europees Hof van Justitie het verschil in behandeling tussen Belgische en buitenlandse (zie hierboven) aandeelhouders immers wegens inbreuk tegen het vrije verkeer van kapitaal.