De fiscale regularisatie. Tussen droom en daad staan bevoegdheidswetten in de weg.

22/10/2015 | Fiscaal | Michel Maus
In het kader van het taxshift-akkoord besliste de regering om werk te maken van een nieuw wet rond fiscale regularisaties. Deze beslissing heeft tot doel rechtszekerheid te bieden aan fiscale zondaars, maar moet ook centen in het laatje brengen voor de federale overheid. In 2016 wordt aldus gehoopt op 250 miljoen euro aan inkomsten.
Op zich is deze beslissing een goede zaak. De fiscale praktijk is al langer vragende partij voor een duidelijk wettelijk regularisatiekader en ook het momentum is daar. Vanaf 2017 treden zowel op Europees niveau als op het niveau van de OESO verschillende internationale akkoorden in werking rond automatische uitwisseling van bankgegevens. Wie nog steeds een en ander te verbergen heeft en niet in het vizier van de fiscus wil komen, zet dus maar beter de stap naar de fiscale regularisatie. Vanuit dit perspectief bekeken is de regeringsbeslissing een uiting van gezond pragmatisch verstand.
 
Uit de details van de regeringsbeslissing blijkt dat de regering de nieuwe regeling wil laten aansluiten bij de vorige regularisatieregeling die in 2013 is afgelopen. Dit betekent dat men opnieuw een onderscheid maakt tussen fiscaal verjaarde en fiscaal niet verjaarde kapitalen en inkomsten. Wie in het bezit is van fiscaal verjaarde kapitalen en inkomsten zal die kunnen regulariseren tegen een eenmalige heffing van 36%. Wie over oud kapitaal beschikt maar de rechtmatige herkomst niet kan aantonen zal over zijn volledig kapitaal het boetetarief moeten betalen. Vanaf 2017 wordt het tarief jaarlijks met 1% verhoogd tot maximaal 40% vanaf 2020.. Wie anderzijds in het bezit is van fiscaal niet verjaarde kapitalen en inkomsten zal terug de normaal verschuldigde belasting moeten betalen verhoogd met een boete van 20% bovenop het normale belastingtarief.
 
Op zich lijkt dit allemaal vrij duidelijk en eenvoudig, maar in dit krankzinnige land is natuurlijk niets wat het lijkt. Een sluitende regeling rond fiscale regularisaties is immers pas mogelijk als er ook gewestelijke fiscale regularisaties worden ingevoerd. Dit is nu eenmaal het gevolg van de fiscale bevoegdheidsverdeling in ons land. Voor wat Inkomstenbelastingen en BTW betreft bijvoorbeeld heeft de federale overheid alle touwtjes in handen en kan zij een eigen regularisatiekader vastleggen. Maar voor de registratie- en successierechten is dit niet het geval. Deze belastingen zijn immers gedeeltelijk geregionaliseerd en hiermee moet rekening worden gehouden. De federale overheid kan dan ook niet zo maar een regeling invoeren die belastingzondaars toelaat om successiefraudes te regulariseren.
 
Voor wat Vlaanderen betreft, heeft de federale overheid op heden zelfs geen enkele bevoegdheid meer om een regeling voor fiscale regularisaties in te voeren die ook van toepassing is op Vlaamse registratie- en successierechten. Het Vlaams Gewest heeft immers beslist om vanaf 1 januari 2015 zelf in te staan voor de “dienst van de belasting” van de registratie- en successierechten. Hierdoor is de bevoegdheid om de fiscale procedure te regelen, zoals het vastleggen van een nieuwe fiscale regularisatie, een exclusieve  bevoegdheid van het Vlaams Gewest geworden en waar de federale overheid geen enkele inspraak in heeft.
 
Voor wat Brussel en Wallonië betreft, is de situatie nog complexer. In deze gewesten staat immers nog steeds de federale overheid in voor de “dienst van de belasting” van de registratie- en successierechten. Met andere woorden hier kan de federale overheid wel een wettelijke regeling invoeren die van toepassing is op de Brusselse en de Waalse registratie- en successierechten. De voorwaarde is dan wel dat de federale regering geen afbreuk doet aan de wettelijk verschuldigde belasting, want dat is dan weer wel de exclusieve bevoegdheid van het Brussels en het Waals Gewest. Indien de federale regering, zoals onder de vorige wettelijke regularisatieregeling, bijvoorbeeld zou beslissen dat er bij een regularisatie geen nalatigheidsintresten verschuldigd zijn, wel dan treedt zij op het bevoegdheidsterrein van het gewest en dat is uitgesloten. Ook indien een fiscale regularisatie opnieuw zou gepaard gaan met een strafrechtelijke amnestie is dit het geval.
 
En ook wat verjaarde belastingschulden betreft is er bevoegdheidsprobleem. In principe kunnen deze belastingschulden niet meer worden ingevorderd, maar om een fiscale regularisatie mogelijk te maken maakt men hier gebruik van de techniek van de indiciaire taxatie. Hierbij wordt er van uit gegaan dat het vermogen op dag van vandaag een “tekort” vertoont dat niet kan worden verantwoord en dat tekort kan dan worden belast in de Inkomstenbelastingen. Ook dat leidt tot bevoegdheidsproblemen. Wie verjaarde gewestelijke successierechten wil regulariseren, betaalt dus eigenlijk federale Inkomstenbelastingen zodat de opbrengst van dergelijke regularisaties in de federale schatkist belanden.
 
Het invoeren van een sluitende nieuwe fiscale regularisatie is dus een mooie oefening in fiscale bevoegdheidsverdeling, althans voor juristen, maar niet voor de burger die rechtszekerheid zoekt. Maar om het met de woorden van Achille Van Acker nog eens te zeggen “ieder z’n puupe en ieder z’n toebak.” Dat is nu eenmaal de fiscale helaasheid der dingen in dit land.