Hof van Beroep Antwerpen veroordeelt sociale dumpingpraktijk met behulp van het beginsel ‘Fraus omnia currumpit’

02/10/2015 | Sociaal | Kristof Salomez
De problematiek van de sociale dumping beroert reeds geruime tijd de geesten in Europa. Een aspect hiervan betreft het misbruik van de Europeesrechtelijke regels inzake de aanwijzing van het toepasselijk socialezekerheidsrecht, dat erop gericht is zich te onttrekken aan de sociale bijdragen dewelke op basis van een correcte toepassing van deze aanwijzingsregels verschuldigd zijn. De meest flagrante situatie bestaat erin een postbusvennootschap op te richten in een Europese lidstaat alwaar lagere sociale bijdragen gelden, teneinde daar vervolgens zijn personeel in te schrijven om dat dan nadien op basis van het vrij verkeer van diensten met behoud van het sociale zekerheidsregime van dat land, te detacheren naar bijvoorbeeld België. Deze personeelsleden zullen dan in België werkzaam zijn maar op hun loon zullen niet de Belgische sociale bijdragen worden betaald, doch de lagere sociale bijdragen dewelke gelden in het land van waaruit zij gedetacheerd worden. Gelet op de grote verschillen tussen de Europese lidstaten op het vlak van de sociale bijdragen, resulteert een dergelijke constructie in een aanzienlijk concurrentieel en financieel voordeel ten behoeve van degenen die hiervan gebruik maken.
Cruciaal in dit verband is de bindende kracht van de zogeheten A1-attesten (voorheen de E101-attesten). Werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van een bepaalde lidstaat kunnen, gelet op het bepaalde in de Europese verordening 883/2004 slechts onderworpen zijn aan het socialezekerheidsstelsel (miv de sociale bijdragen) van een andere lidstaat, mits aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden verhinderen dat werkgevers binnen Europa zouden kunnen kiezen aan welk nationaal socialezekerheidsstelsel zij hun personeel onderwerpen en dus in welke staat en aan welk tarief zij bijdragen betalen. Het zwakke punt is echter precies de voormelde bindende kracht van de A1-attesten. De bevoegde dienst in de staat waar het personeel is ingeschreven en van waaruit deze worden uitgezonden (zendstaat)  naar een andere staat (ontvangststaat) levert een attest af waarin bevestigd wordt dat de betrokken werknemer(s) onderworpen zijn en blijven aan hun socialezekerheidsstelsel. Op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie en het bepaalde in de verordening 987/2009 is dat attest bindend voor de administratie én de rechter in het land naar waar deze werknemers worden uitgestuurd en waar zij dus effectief arbeidsprestaties verrichten (ontvangststaat). Wanneer men in de ontvangststaat van oordeel is dat niet aan de voorwaarden is voldaan om onderworpen te kunnen zijn aan het socialezekerheidsstelsel van de zendstaat, dient aan de bevoegde instanties in de zendstaat te worden gevraagd om het afgeleverde A1-attest in te trekken. Zolang dit niet gebeurt blijft het A1-attest zijn bindende kracht behouden en zal men zich in ontvangststaat hieraan dienen te conformeren. In de praktijk blijken evenwel niet alle lidstaten een even grote bereidheid te tonen om afgeleverde A1-attesten in te trekken en bovendien neemt het niet zelden een lange tijd in beslag alvorens tot een effectieve intrekking van het A1-attest wordt overgegaan. Het is precies dit mechanisme dat door sommigen wordt gebruikt om zich in strijd met de aanwijzingsregels in het Europees recht te onttrekken aan het toepasselijk socialezekerheidsrecht.

Eurosceptici zien hierin het zoveelste falen van de Europese Unie. Dat dit niet zo hoeft te zijn, bewijst een rijk gedocumenteerd en goed opgebouwd arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dat werd gewezen op 10 september 2015 (AR 2014/SO/41).

Het Hof van Beroep stelt de aanwijzingsregels in de Europese verordeningen, gezien hun supranationaal karakter, terecht niet ter discussie. Het Hof stelt ook de bindende kracht van de A1-attesten niet ter discussie. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in fiscale zaken en met verwijzing naar het zogeheten Paletta II arrest van het Hof van Justitie in sociale zaken, alsook met verwijzing naar twee arresten van het Franse Hof van Cassatie, vestigt het Hof van Beroep de aandacht op de toepasselijkheid van Fraus omnia currumpit, als een algemeen rechtsbeginsel dat evenzeer als de voormelde verordeningen deel uitmaakt van het Europese positieve recht en bovendien volgens het Hof geacht wordt de openbare orde te raken.

Met name is het Hof van Beroep van oordeel dat “het algemeen maatschappelijk belang vereist dat bedrog volstrekt wordt verboden en dat de rechtsgevolgen ervan volledig worden geneutraliseerd, of met andere woorden, dat de bedrieglijk tot stand gekomen rechtshandeling of de bedrieglijk verkregen toepassing van een rechtsregel volledig wordt uitgeschakeld nu er geen subjectieve rechten mogen ontstaan op basis van de bedrieglijk verkregen toepassing van een rechtsregel’.

Wanneer in rechte wordt vastgesteld dat op bedrieglijke wijze een A1-attest wordt bekomen met het oog op het ontduiken van een correcte toepassing van de aanwijzingsregels, dienen volgens het Hof overeenkomstig het voormeld beginsel, aan degene die het bedrog heeft gepleegd de door de Europese regelgeving aan het A1-attest verbonden rechtsgevolgen te worden ontzegd. Derwijze aanvaardt het Hof van Beroep niet dat men zich in een correctionele procedure zou beroepen op een bedrieglijk bekomen A1-attest, teneinde een strafrechtelijke veroordeling te ontlopen wegens het niet in acht nemen van het toepasselijke Belgische sociale zekerheidsrecht.

Opvallend hierbij is dat het Hof van Beroep uitdrukkelijk beslist dat ter zake geen prejudiciële vraag dient te worden gesteld aan het Europees Hof van Justitie, daar het Hof van Beroep van oordeel is dat het slechts toepassing maakt van de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie.

Deze discussie is hiermee evenwel nog verre van voltooid, nu op zijn minst de Europese Commissie er een andere mening op lijkt na te houden. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de Commissie België voor het Hof van Justitie heeft gedaagd omdat het de wetsbepalingen die in België het voormeld verbod op bedrog en misbruik codificeren strijdig acht met het Europees recht.

Kristof Salomez
Jasmien Arryn