Zin en onzin van de BTW-verlaging

09/11/2013 | Michel Maus
Het beloven weer boeiende politieke weken te worden. Na het rondje armworstelen over de aanwijzing van de Belgische Europese commissaris kunnen de formatiegesprekken weer overgaan tot de politieke orde van de dag. In het kader van het hoofdstuk over de begroting liet CD&V zich meteen van zijn sterkste kant zien door vriend en vijand te verbazen met het voorstel om een “vermogenswinstbelasting” in te voeren in ons land. Een dergelijke vorm van belasting zou dan passen in het zogenaamde tax shift-verhaal waarbij de fiscale druk op arbeid zou worden verschoven naar o.a. vermogen en inkomsten uit vermogen. Meteen werd CD&V verweten om absoluut een linkse trofee binnen te halen om de traditionele ACW-achterban gunstig te stemmen. Eerder hadden inderdaad ook S-PA en Groen! reeds een dergelijke belasting voorgesteld, zij het zonder veel politiek resultaat.
Maar wat is dat nu een “vermogenswinstbelasting” en moeten we dat idee toejuichen of juist niet?
 
Om te beginnen moet een vermogenswinstbelasting duidelijk worden onderscheiden van een vermogensbelasting. Bij een vermogensbelasting wordt het vermogen van een bepaalde belastingplichtige in kaart gebracht en gewaardeerd en op de waardering wordt dan een belastingtarief losgelaten. In België bestaat er al een dergelijke vorm van belastingheffing voor rechtspersonen zoals VZW’s met een vermogen van meer dan 25.000,00 euro. Zij moeten op hun vermogen een jaarlijkse belasting betalen van 0,17%. Een vermogenswinstbelasting is eigenlijk een variant van de vermogensbelasting waarbij men niet het vermogen op zich belast maar wel het forfaitair bepaald rendement van dat vermogen. Men gaat er dan bijvoorbeeld van uit dat het vermogen 4% forfaitair rendement oplevert en dat rendement wordt dan belast. Er worden ook sociale correcties toegepast zodat bijvoorbeeld de eigen woning wordt vrijgesteld en  enkel het vermogen boven een bepaalde grens wordt belast. Eerder al had Groen! de inkomsten uit een dergelijke vorm van belasting geraamd op 7,5 miljard euro. SP-A was meer bescheiden in zijn berekening en raamt de belastingopbrengst op 4 miljard euro.
 
Op het eerste zicht lijkt de vermogenswinstbelasting misschien een interessante politieke piste, maar wie eens blijft stilstaan bij de praktische gevolgen van een dergelijke belasting zal al snel tot de conclusie komen dat men het kind beter met badwater en al zo ver mogelijk weggooit.
 
Vooreerst is het duidelijk dat een vermogenswinstbelasting pas effectief kan werken indien de overheid zicht heeft op het Belgisch en buitenlands roerend en onroerend vermogen van de belastingplichtigen. Op heden is dit absoluut nog niet het geval en nochtans is een dergelijk vermogenskadaster onontbeerlijk voor een rechtvaardige toepassing van de vermogenswinstbelasting. Hierbij aansluitend is ook de vraag wat men onder vermogen gaat verstaan. Kan men zich beperken tot het onroerend vermogen, de spaargelden en de roerende effecten? Ik denk het niet, want dan zou men discrimineren hetgeen impliceert dat men ook kunst, juwelen, maar pakweg ook postzegelverzamelingen, old timers, paarden, koningspoedels etc. en alles wat maar enige vorm van waarde heeft in het vermogenskadaster moet gaan opnemen.
 
Een tweede probleem dat zich stelt is dat van de waardering van het roerend en het onroerend vermogen. Ook wat dat aspect betreft bemoeilijken praktische bezwaren de invoering van de vermogenswinstbelasting. Een rechtvaardige toepassing van de vermogenswinstbelasting vereist immers een jaarlijkse en correcte waardering van het vermogen en dat zie ik de fiscale administratie nog niet onmiddellijk doen. Het mooiste voorbeeld zijn allicht de kadastrale inkomens, die volgens de fiscale wetgeving tienjaarlijks moeten worden herzien maar sinds 1975 niet meer zijn aangepast. En hoe gaat men bijvoorbeeld niet beursgenoteerde aandelen gaan waarderen, en kunst en juwelen? Dat is onbegonnen werk. Bovendien moet de fiscus zich realiseren dat bij elke waardering de belastingplichtige het recht moet krijgen om de waardering aan te vechten. Indien de fiscus er al in zou slagen om een vermogenskadaster aan te leggen en het vermogen jaarlijks te waarderen, dan mag hij zich ook gaan voorbereiden op het voeren van een ware geschillenoorlog met de belastingplichtigen. Qua kosten en baten zal dat tellen.
 
Tot slot moet men zich ook rekenschap geven van het feit dat het belasten van een forfaitair rendement ook wel wat ethische bezwaren oproept. Bepaalde vermogensactiva zijn vrij amorf en brengen geen jaarlijkse inkomsten op. Goudstaven, juwelen, niet verhuurde gebouwen en gronden etc. brengen voor de belastingplichtige niets op, maar zouden toch aan belastingheffing worden onderworpen wat een overbelasting zou betekenen. Anderzijds is het een publiek geheim dat het reële rendement van echt grote vermogens niet in verhouding staat tot het rendement van kleinere vermogens, hetgeen dan weer aanleiding zou geven tot een onderbelasting van de eigenaars van supervermogens.
 
Kortom de praktische bezwaren van een vermogenswinstbelasting zijn eigenlijk niet te overzien. De enige bevolkingsgroep die echt baat zou hebben bij een dergelijke vorm van belasting zijn de fiscale advocaten, hetgeen niet echt de bedoeling kan zijn. Dit neemt echter niet weg dat de tax shift van arbeid naar vermogen absoluut wenselijk is, maar dan enkel via een belasting op de werkelijke vermogensinkomsten en dat is totaal andere discussie.