Vermogenswinsten belasten is enkel goed voor fiscale advocaten

09/09/2014 | Michel Maus
Een van de meest opmerkelijke maatregelen uit de begrotingscontrole is ongetwijfeld de invoering van BTW op de erelonen van advocaten. In ruil voor de toegevingen op de accijnsverhoging voor diesel heeft de regering beslist dat er vanaf volgend jaar 21 procent BTW komt op de diensten van advocaten. Deze maatregel zou in 2014 89 miljoen euro voor de begroting moeten opleveren. Helemaal verassend is deze maatregel niet. Belgiƫ was immers het enige land in de Europese Unie waar de prestaties van advocaten nog waren vrijgesteld van BTW. Bovendien had de regering ook reeds vorig jaar beslist om ook de prestaties van notarissen en van gerechtsdeurwaarders aan BTW te onderwerpen. Vanaf 1 januari 2014 zullen dus alle juridische prestaties aan BTW worden onderworpen.
Onmiddellijk na de aankondiging van deze maatregel rees onmiddellijk ook de kritiek dat deze nieuwe belasting de drempel naar justitie aanzienlijk zou verhogen. Woorden als klassenjustitie en een advocaat wordt een luxezaak werden in verschillende media overgenomen. Deze kritiek moet grotendeels worden gedeeld. Men mag immers niet vergeten dat de BTW-invoering in se de advocaten niet zal treffen. Door vanaf 1 januari 2014 onder de BTW-plicht te vallen hebben advocaten enkel de plicht om BTW aan te rekenen op hun ereloonstaten. De BTW moet dus van het cliënteel komen. Indien dit cliënteel ook BTW-plichtig is, is er helemaal geen probleem aangezien deze cliënten de BTW die zij aan de advocaat hebben betaald ook kunnen recupereren in hun eigen aangifte. Wie dit echter niet zal kunnen doen is het particulier cliënteel van de advocaat. Zij hebben geen recht op BTW-aftrek en zullen dus de belastingverhoging volledig aangerekend krijgen. En het  is precies dit aspect dat vragen oproept.
 
Particuliere klanten van advocaten zullen inderdaad vanaf 1 januari 2014 21% meer moeten betalen wanneer zij een advocaat om juridische bijstand verzoeken. Dat dit drempelverhogend werkt is duidelijk en doet inderdaad de vraag rijzen of dit de toegang tot justitie niet bemoeilijkt. Dit is een belangrijke vraag te meer moet worden vastgesteld dat de BTW op prestaties van advocaten eigenlijk het sluitstuk is van een verregaande fiscalisering van de juridische bijstand. De regering heeft weliswaar nu beslist om de prestaties van advocaten aan BTW te onderwerpen, maar vorig jaar heeft zij ook reeds beslist om de prestaties van notarissen en gerechtsdeurwaarders met BTW te belasten. Dit betekent dat wie thans in een juridische procedure wordt betrokken het fiscaal gelag mag betalen. Wie heden ten dage in een echtscheiding betrokken raakt zal zeer snel voelen dat scheiden ook fiscaal lijden betekent. Niet alleen wordt de factuur van de tussenkomende advocaat, notaris en gerechtsdeurwaarder voor hem (of haar) 21% duurder ook is er nog de fameuze miserietaks die van toepassing is op de verdeling van de gezinswoning tussen de echtgenoten en die vorig jaar van 1% naar 2,5% werd opgetrokken. Voor de minderbedeelden kan dit probleem voor een stuk worden opgevangen door het pro deo-systeem, maar ook daar zijn de zaken aan het evolueren aangezien de minister van justitie er aan denkt om een remgeld in te voeren voor pro deo-cliënten van advocaten. 
 
Sommigen hebben ook reeds gesteld dat advocaten zelf kunnen bijdragen aan het betaalbaar houden van justitie, door hun tarieven te verlagen. Of advocaten hun erelonen zullen verlagen om de factuur voor de particuliere cliënt betaalbaar te houden valt echter te betwijfelen. Binnen de Europese Unie zijn de Belgische advocaten immers de op één na goedkoopste, na de Griekse confraters. Veel ruimte voor een tariefverlaging is er dus niet, zodat het nu reeds duidelijk is dat de kostprijsverhoging volledig aan het cliënteel zal worden doorgerekend.
 
Indien we dit allemaal op een rijtje plaatsen kunnen we op het vlak van de toegang tot juridische bijstand stilaan echt gaan spreken van een fiscale uitsluiting van een aanzienlijk deel van de bevolking. Dat mag niet de bedoeling zijn van een rechtstaat die naam waardig.