Tussen droom en daad staan Europese wetten in de weg

05/07/2013 | Michel Maus
Eerder deze week besliste het Europees Hof van Justitie dat de Belgische regeling rond de notionele intrestaftrek in strijd is met het Europees recht, meer bepaald met het recht op vrije vestiging. Het Hof volgt hiermee de stelling van de Argenta Spaarbank die had gesteld dat zij ook gerechtigd moet zijn om haar Europese activa buiten Belgiƫ in de berekening van de notionele intrestaftrek te betrekken. In zijn arrest stelt het Europees Hof dat het uitsluiten van de activa van een vaste inrichting in een andere lidstaat bij de vaststelling van de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek een beperking inhoudt van de vestigingsvrijheid in de EU en dus het Europees recht schendt. Lap de zoveelste streep door de Europese fiscale rekening van de Belgische Staat en een vervelende catch-22. Het Europees uitbreiden van de notionele interestaftrek levert budgettaire problemen op en het afbouwen van de notionele interestaftrek levert internationale imagoschade op als investeringsland.
Het moet gezegd het arrest over de notionele interestaftrek is zeker geen unicum. Vrij recent nog kreeg de Belgische Staat een oorveeg van het Europees Hof van Justitie voor haar fiscale vrijstelling voor intresten op spaarboekjes. Deze vrijstelling van 1.880 euro geldt immers enkel voor Belgische spaarrekeningen. Begin juni stelde het Europees Hof daaromtrent dat België het Europese vrij verkeer van diensten schendt indien zij de bankrekeningen van de Belgische rijksinwoners in andere Europese lidstaten van deze vrijstelling uitsluit. Volgens het Hof ontmoedigt de Belgische regelgeving aldus spaarders om hun geld bij banken in andere lidstaten onder te brengen en is er sprake van een protectionistische maatregel. Eerder was ook België bijvoorbeeld ook al veroordeeld voor haar fiscale regeling rond de aanvullende gemeentebelasting, die wel van toepassing was op buitenlandse roerende inkomsten maar niet op Belgische roerende inkomsten. En ook de aftrekregeling van schulden op onroerende goederen in de Successierechten was reeds een doorn in het oog van het Europees Hof. Hier oordeelde het Europees Hof dat de regel dat de aftrekbaarheid van schulden in de Successierechten enkel mogelijk was op onroerende goederen van Belgische rijksinwoners, een verboden beperking is van het vrije verkeer van kapitaal. En we kunnen zo nog wel een tijdje doorgaan.
 
Dat België op fiscaal vlak zo vaak met de Europese vinger wordt gewezen, heeft alles te maken met de povere kwaliteit van de fiscale wetgeving.  Geef een student fiscaal recht 24 uur om de Belgische fiscaliteit te screenen en hij zal terugkomen met een karrenvracht aan Europese mankementen.  Om te beginnen is de kans vrij groot dat hij zal wijzen op de recent ingevoerde aangifteverplichting van de “buitenlandse” spaarverzekeringen. Inderdaad het feit dat men enkel op zijn aangifte in de personenbelasting de “buitenlandse” spaarverzekeringen moet vermelden en niet de Belgische is een protectionistische maatregel die absoluut in strijd is met het vrij kapitaalverkeer in de Europese Unie. Ook de belastingheffing van huurinkomsten op buitenlands tweede verblijven zal allicht op het lijstje van onze student staan. Deze huurinkomsten worden belast op basis van de werkelijk ontvangen huur. De huurinkomsten op een tweede verblijf aan de Belgische kust daarentegen worden enkel belast op basis van het totaal onderschatte kadastraal inkomen. Ook een pure discriminatie dus.
 
Het is aldus duidelijk dat België op fiscaal vlak nog niet klaar is met het Europees Hof van Justitie. Dat fundamentele Europese rechten zo frappant met de voeten worden getreden door de fiscale wetgever is uiteraard bedenkelijk en eigenlijk ronduit beschamend. De werkgroep fiscaalcorrect heeft er reeds eerder dit jaar op gewezen dat het raadzaam zou zijn om een “Commissie voor Fiscale Normen” in te richten met een adviserende bevoegdheid voor de fiscale wetgever. Deze Commissie zou dan worden samengesteld met experten die de regering en het parlement kunnen adviseren over de door hen gefabriceerde fiscale wetteksten.  Een kwaliteitsvolle fiscale wetgeving vereist een gedegen juridische screening van de teksten, zoveel is ondertussen duidelijk. Met deze screening zou de Belgische Staat veel problemen kunnen vermijden. En de screening moet ook verder gaan. Ook een studie over de  macro-economische effecten van fiscale wetten is onontbeerlijk om na te gaan om de maatregelen budgettair het verhoopte resultaat zullen opleveren, welke de impact is van de maatregel op onze economie en wat de macro-economische (ongewilde) neveneffecten zijn tot dewelke de maatregel aanleiding kan geven. Tot slot is een ook praktische screening van fiscale wetgeving noodzakelijk teneinde ervoor te zorgen dat de maatregel geen onredelijke administratieve overlast voor de belastingplichtigen en voor derden met zich meebrengt, zoals recent is gebeurd met de regeling van voordelen van bedrijfswagens en de regeling van de roerende voorheffing. Maar ja wat baten kaars en bril als de uil niet zienen wil.