Slapend rijk of werkend arm?

21/08/2014 | Michel Maus
Een van de politiek meest besproken fiscale items van de laatste jaren is ongetwijfeld de fameuze fiscale spaarvrijstelling van de intresten op spaarboekjes. Aanvankelijk was deze vrijstelling enkel voorzien voor de Belgische spaarboekjes, maar na een veroordeling door het Europees Hof van Justitie, heeft de regering deze vrijstelling ook moeten uitbreiden tot de spaarrekeningen die Belgische belastingbetalers aanhouden in een andere Europese lidstaat. Wie jaarlijks minder dan 1.900 euro intresten ontvangt op een spaarrekening, moet daar geen belasting op betalen. Wie boven dit grensbedrag zit, is wel belastbaar maar moet geen aangifte doen van de ontvangen interesten. De belasting wordt immers rechtsreeks door de bank vereffend via het systeem van de roerende voorheffing. Het resultaat van dit anoniem systeem is dat men verschillende malen van de vrijstelling kan “genieten” door zijn spaargeld te spreiden over verschillende banken. Om deze praktijk de kop in te drukken discussiëren politici nu al enkele jaren over een fiscale aangifteplicht voor roerende inkomsten, maar tot op heden zonder resultaat.
Gisteren verscheen nu in verschillende media het bericht dat in de formateursnota van Charles Michel en Kris Peeters werd voorzien om de bestaande fiscale vrijstelling op spaarboekjes uit te breiden naar aandelen en obligaties, zij het dat deze vrijstelling nu wel zou worden gekoppeld aan een aangifteplicht. Het voorstel bepaalt dat iedereen voortaan roerende voorheffing moet betalen op de rente op spaarboekjes en dan later via de fiscale aangifte zijn vrijstelling kan recupereren.  Officieel luidt de redenering dat men door de uitbreiding van de fiscale vrijstelling slapend spaargeld naar andere beleggingsproducten wil mobiliseren.
 
Het voorstel is op zich niet nieuw. In mei 2013 pleitte Minister Geens op advies van de Nationale Bank nog om de fiscale vrijstelling op de spaarboekjes af te schaffen, maar in december 2013 stelde hij dan weer voor om de bestaande vrijstelling uit te breiden naar onder meer aandelen en obligaties. Dit idee werd nu hernomen in de formateursnota.
 
De vraag stelt zich echter of dit wel zo verstandig is en of het niet beter zou zijn om de vrijstelling gewoon volledig af te schaffen. Qua doelstelling zou dit voor de toekomstige regering geen verschil mogen maken. Hoe men het ook draait of keert, of men nu de fiscale vrijstelling uitbreidt tot andere beleggingsproducten of ze net helemaal afschaft, de facto betekent dit toch dat het fiscaal regime van inkomsten uit beleggingsproducten gelijk wordt geschakeld. Dit betekent dat de belegger zich niet meer door de fiscaliteit zal moeten laten leiden om te beslissen waarin hij gaat beleggen. In beide pistes zal aldus hoofdzakelijk het financieel rendement gaan bepalen in welk beleggingsproduct de wakkere burger zijn centen gaat investeren.  
 
Het idee van de uitbreiding van de fiscale vrijstelling op sparen is ongetwijfeld politiek zeer sexy en makkelijk verkoopbaar, maar iedereen lijkt hierbij te vergeten dat er door deze maatregel weer een pak minder centen ter beschikking zullen zijn om echt werk te gaan maken van de zo verhoopte verlaging van de fiscale druk op arbeid. Let’s face it, in elke internationale ranking steekt België er met kop en schouders boven uit wat dit aspect van de belastingdruk betreft en internationale organisaties zoals Eurostat en de OESO adviseren België jaarlijks om iets aan deze situatie te doen.
 
De klemtoon van de fiscale hervorming moet dan ook de fiscale druk op arbeid zijn en niet het toekennen van een aanvullende fiscale vrijstelling voor de vermogensbelegger. De vorige en de nieuwe regering lijken blijkbaar niet te beseffen dat het op lange termijn veel beter is om het verwerven van vermogen fiscaal te stimuleren in plaats mensen die reeds een vermogen hebben verworven daarvoor fiscaal met een vrijstelling te belonen.
 
Dit is de wereld op zijn kop. Het aanhouden van een absurde belastingdruk op arbeid tast de koopkracht aan en verhindert mensen om vermogen op te bouwen. Nochtans is deze vermogensopbouw ook zeer belangrijk in het kader van ons pensioendebat. Eerder dan vermogensopbouw via de absurde belastingdruk op arbeid af te remmen zou de toekomstige regering er net alles aan moeten doen om de koopkracht van de bevolking te verhogen, niet alleen om de economie te stimuleren, maar ook om hen toe te laten vermogen op te bouwen hetgeen uitermate belangrijk is voor de sociale mobiliteit.
 
Maar om deze doelstelling te bereiken moeten er heilige huisjes sneuvelen en moet men bereid zijn om moeilijke politieke keuzes te maken. Het substantieel verlagen van de belastingdruk op arbeid kan inderdaad enkel maar via compenserende fiscale maatregelen, waaronder het halen van meer fiscale opbrengsten uit inkomsten vermogen. En dat mag op zich geen probleem zijn. Wie dank zij een lagere belastingdruk op arbeid vermogen heeft kunnen opbouwen heeft de beste pensioengarantie. Dat men in ruil daarvoor een wat hogere belastingdruk moet ondergaan op het inkomen van dat vermogen is de logische pasmunt en tast het vermogen op zich niet aan. Slapend rijk of werkend arm, het is een fiscale wereld van verschil.