No taxation without representation

25/08/2013 | Michel Maus
Sinds de regering Di Rupo is aangetreden is er in fiscaal België al heel wat commotie geweest rond een aantal fiscale maatregelen die vooral de vennootschappen treffen. De hervorming van de notionele interestaftrek, de belasting van de meerwaarden op aandelen, de beperking van de interestaftrek bij onderkapitalisatie en recent nog de invoering van een “fairness”-taks zijn slechts enkele voorbeelden van wetgeving die voor heel wat beroering heeft gezorgd in ondernemersmiddens. Of de kritiek op deze maatregelen nu al dan niet correct is, laat ik hierbij in het midden.
Waar we echter wel eens fundamenteel moeten blijven bij stilstaan, is de vraag of het aanvaardbaar is dat vennootschappen - die een juridische persoonlijkheid hebben – zich zo maar moeten onderwerpen aan allerlei fiscale maatregelen zonder dat ze een rechtstreekse invloed hebben op de democratische besluitvorming rond deze fiscale wetgeving. Dit kan een vreemde vraag lijken, maar we mogen niet uit het oog verliezen dat ons fiscaal rechtsdenken reeds sinds de Magna Charta van 1215 wordt gedomineerd door de regel “no taxation without representation”.  Deze regel is vandaag ook nog prominent aanwezig in de Belgische Grondwet waar in artikel 170 is neergeschreven dat “Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet”. Het idee achter dit principe is vanuit historisch oogpunt vrij eenvoudig te verklaren. Het is niet meer of minder dan een protectionistische maatregel om de belastingplichtigen te beschermen tegen de willekeur of inhaligheid van een soeverein staatshoofd. Het zijn dus de belastingplichtigen zelf die in een democratie over hun eigen fiscaliteit moeten kunnen beslissen, zij het via de personen die zij hebben afgevaardigd in het parlement. Dit principe werd zeer sterk naar voor geschoven zowel tijdens de Franse als tijdens de Amerikaanse revolutie en blijft een van de basisfundamenten van de Westerse democratieën.
 
Een fundamenteel probleem is echter dat we moeten vaststellen dat in ons democratisch denken enkel fysiek bestaande personen over het recht beschikken om via een politieke stem invloed uit te oefenen op de democratische besluitvorming, en zo dus mee de fiscale wetgeving kunnen bepalen. Voor rechtspersonen, zoals vennootschappen en VZW’s, bestaat dit politiek stemrecht niet. Voor hen geldt dus de regel dat er wel taxation is, maar eigenlijk geen representation. Nochtans zijn rechtspersonen wel degelijk volwaardige juridische personen die net als particulieren handelingsbekwame personen zijn met rechten en plichten. En een van de plichten is uiteraard het betalen van belasting.
 
De vraag die zich aldus stelt is of de eerbiediging van het beginsel “no taxation without representation” in een moderne democratie niet vereist dat ook rechtspersonen politiek stemrecht moeten krijgen om de fiscaliteit waaraan zij worden onderworpen mee te sturen. Dit is vandaag niet het geval en hierdoor creëert men eigenlijk een soort van dwangwetgeving die door natuurlijke personen wordt opgelegd aan rechtspersonen. Het enkele feit dat rechtspersonen worden bestuurd door natuurlijke personen die op hun beurt wel kunnen stemmen zou dit probleem eventueel kunnen oplossen maar ook dit kan ook niet echt overtuigen. Vooreerst wordt niet elke Belgische rechtspersoon bestuurd door personen die een stemrecht in België kunnen uitoefenen. Daarenboven kan een natuurlijke persoon maar 1 stem uitbrengen en moet hij tussen allerlei partijprogramma’s kiezen in functie van hetzij zijn eigenbelang, hetzij dat van de vennootschap.  
 
De gedachte dat men stemrecht zou toekennen aan rechtspersonen lijkt misschien op het eerste zicht absurd, maar leeft wel degelijk bij fiscalisten. Zo is bijvoorbeeld ook Werner Niemegeers een pleitbezorger van de gedachte. En terecht, want bij nader toezien zijn een aantal zaken juridisch toch niet zo evident. Vooreerst wordt noch in de Grondwet en noch in de Kieswet met zo veel woorden gezegd dat het politieke stemrecht enkel is voorbehouden aan natuurlijke personen. In de Grondwet worden de politieke rechten en het stemrecht in het bijzonder voorbehouden voor “personen” die “de staat van Belg” hebben. Stellen dat “de staat van Belg” enkel kan worden toegekend aan fysieke personen met de Belgische nationaliteit is te kort door de bocht. Zo bijvoorbeeld erkent de Belgische Grondwet in het hoofdstuk “De Belgen en hun rechten” verschillende fundamentele grondrechten zoals het recht op privacy, onschendbaarheid van de woonst, het recht op eigendom, het recht op vereniging etc. waarvan algemeen wordt aanvaard dat die rechten gelden zowel voor fysieke personen als voor rechtspersonen. Dit impliceert dat de Grondwet erkent dat ook vennootschappen “Belg” kunnen zijn. Daarnaast erkent ook het Wetboek van Vennootschappen in verschillende bepalingen dat er zoiets bestaat als de “Belgische vennootschappen”. Juridisch lijkt een stemrecht voor rechtspersonen dan ook wel een zeker fundament te hebben.
 
Wie als persoon onderworpen wordt aan de belastingwetten, moet als persoon eveneens in staat zijn om rechtstreeks via het stemrecht invloed uit te oefenen op die belastingwetten. Een revolutionaire gedachte? Allicht wel, maar zeker voer voor een debat.