Lessen in fiscale ethiek

04/02/2013 | Fiscaal | Michel Maus
Afgelopen weekend publiceerde de krant De Tijd een spraakmakende reportage over België als welgekomen tussenstop op de fiscale sightseeing tour van multinationale ondernemingen. Uit de confronterende reportage blijkt dat België zeer hoog scoort onder de fiscale pretparken. Het is niet voor niets dat 20 van de 100 grootste bedrijven ter wereld ondertussen hun fiscale weg naar België hebben gevonden. De reden zit natuurlijk bij onze fiscale wetgeving die tal van fiscale wortels bevat die bij een oordeelkundig gebruik fantastische perspectieven bieden voor grotere bedrijven om hun belastingdruk serieus te…drukken. Twee zaken springen hierbij in het oog. Het regime van de definitief belaste inkomsten, dit zijn uitkeringen van dochterbedrijven waarop al buitenlandse belastingen zijn betaald en die ons land conform een Europese richtlijn niet nog eens kan belasten en de notionele-intrestaftrek. Deze regimes komen vooral holdingstructuren en finance-vehikels van multinationals ten goede.
Het is natuurlijk voornamelijk de notionele interestaftrek die in het oog springt en heel wat multinationals naar België heeft gelokt. Het systeem is eigenlijk poepsimpel. Bedrijven krijgen jaarlijks een forfaitaire aftrek van 3 à 4%, berekend op hun kapitaal en deze aftrek kan dan worden afgezet tegenover de jaarlijkse winst.  Hiermee kan men als multinational fantastische dingen doen. Klassiek is de Belgische finance-vennootschap. Dit is een soort fiscale testosteronvennootschap die door een multinational wordt volgepompt met kapitaal, dat vervolgens dient om leningen te verstrekken aan alle vennootschappen binnen de wereldwijde groep van de multinational. De finance vennootschap krijgt zijn notionele interestaftrek op het gestort kapitaal en kan deze aftrek gebruiken om zijn winst, bestaande uit de intresten die men op de verstrekte leningen heeft verkregen, te compenseren. De resultaten zijn vaak spectaculair. De 25 grootverdieners van de maatregel zoals Exxon, BP, Carrefour, Coca Cola, Ikea etc. boekten in 2011 een winst van 25 miljard euro en betaalden daarop een contador-belasting ten belope van 0,7%. Confronterende cijfers uiteraard, waar men nog mee zou kunnen leven indien de fiscale winst van de notionele interest rechtstreeks in onze economie zou worden geïnjecteerd, maar dat is niet het geval. De 25 grootverdieners van de notionele interest geven in België slechts werk aan 760 mensen. Dit betekent dat de notionele interest in feite door deze bedrijven als een soort geregistreerde kassa wordt gebruikt, en dat is nu net het pervers effect van de maatregel.
 
In de fond is het systeem van de notionele interest niet slecht. De bedoeling was immers dat de notionele interest als een quid pro quo-regel zou gelden. Door het toekennen van een fiscale aftrek zouden bedrijven extra financiële ruimte krijgen om te investeren en dus werkgelegenheid te creëren. Fantastisch uitgangspunt, maar de politiek is wel zo kinderlijk naïef geweest om geen wettelijke investeringsvereiste te koppelen aan de notionele investeringsaftrek. Je kan het de multinationals dan ook niet verwijten dat ze de euro’s die zij aan de notionele intrestaftrek hebben verdiend niet hebben geherinvesteerd in de Belgische economie? Deze vereiste heeft de fiscale wetgeving nu eenmaal niet voorzien. Het gevolg is dat de notionele interestaftrek nu grotendeels ten goede komt van holding- en financevennootschappen die enkel fiscaal optimaliseren zonder in ons land echt te investeren. Het zijn met andere woorden pure fiscale binge drinkers van de notionele interest.
 
En hiermee komen we natuurlijk bij de kern van de discussie. Niettegenstaande we de multinationals geen enkel juridisch verwijt kunnen maken, doet een en ander wel vragen rijzen naar de fiscale moraliteit van deze bedrijven. Moeten we als maatschappij aanvaarden dat goedbedoelde initiatieven van de overheid ontaarden in een vorm van pervers fiscaal parasitisme? Wat hebben we er als maatschappij aan om Arcelor Mittal over de jaren een fiscaal cadeau te doen van 2 miljard euro om dan vast te stellen dat het bedrijf in België zijn activiteiten gaat afbouwen? De vraag stelt zich dan ook in hoeverre we nog langer kunnen en moeten aanvaarden dat fiscaal gunstregimes louter dienen voor puur plat fiscaal opportunisme.
 
Zou het niet veel beter zijn om fiscale incentives toe te kennen aan operationele vennootschappen en niet aan holdingstructuren en finance-vehikels die, let’s face it, geen of zeer weinig echte toegevoegde waarde hebben voor onze economie. Ik denk het wel en het wordt hoog tijd dat ook onze beleidsvoerders dit inzien. Een economische relance bekomt men niet door ondernemingen ongeconditioneerd fiscale gunstregimes toe te kennen. De excessen van de notionele interestaftrek tonen dit duidelijk aan. Indien we de fiscaliteit algemeen goedkoper en rechtvaardiger willen maken, dan is het noodzakelijk dat de fiscaliteit vertrekt van een brede gemeenschappelijke basis. Fiscale gunstregimes moeten uiteraard mogelijk zijn, maar ze moeten steeds gekoppeld worden aan voorwaarden die een beleid kunnen ondersteunen. Indien het de bedoeling is van de regering om de economie te stimuleren, de werkgelegenheid aan te sporen, milieuvervuiling tegen te gaan, etc. wel dan moet zij de fiscale gunstregimes in die zin gaan conditioneren en aldus louter nog gaan toekennen aan vennootschappen die dit beleid actief willen ondersteunen. Indien de regering dit niet doet, dan geeft zij in wezen een blanco cheque aan economisch amorfe entiteiten en dit leidt enkel tot een lose-lose situatie. Niet alleen heeft dit negatieve effecten op de begroting, dit is ook nefast voor de beleidsdoelstellingen en daar is niemand mee gebaat.  Het debat kan beginnen.