Ieder zn puupe en ieder zn toebak

27/01/2015 | Fiscaal | Michel Maus
Het worden terug spannende weken voor de regering. Ter voorbereiding van de begrotingscontrole in maart werden deze week de gesprekken met de sociale partners heropgestart en wordt gezocht naar een compromis om de besparingsmaatregelen vorm te geven en dit alles onder het waakzame oog van Europa. In het kader van deze discussie komt ook weer nadrukkelijk het tax shift debat naar voor en wordt er aan vakbondszijde zeer sterk aangedrongen op een vermogens(winst)belasting. De druk van de vakbonden laat ook de politiek niet onberoerd. Zelfs de tegenstanders van het eerste uur laten ondertussen weten dat de tax shift bespreekbaar blijft, maar dat ze dit rustig willen bekijken in de schoot van de regering.
Op zich goed nieuws dus voor wie in een fiscale hervorming gelooft. Maar wie ook wil geloven dat we afstevenen op een grote fiscale hervorming is eraan voor de moeite. Bij elke stap die de politiek gaat willen zetten in de richting van een tax shift zal onmiddellijk duidelijk worden hoe moeilijk de fiscale verhoudingen liggen in dit o zo complexe land. Sinds de zesde staatshervorming is de fiscale bevoegdheid dusdanig versnipperd geraakt tussen de federale overheid en de gewesten dat een deugdzaam en efficiënt fiscaal beleid eigenlijk is uitgesloten. Dat kan makkelijk worden geïllustreerd.
 
Vooreerst zitten er in ons fiscaal systeem heel wat perverse evenwichten die maken dat een fiscaal beleid op het ene niveau zal worden gecounterd door een fiscaal beleid op een ander niveau. Sinds dit jaar bijvoorbeeld wordt de fiscale bevoegdheid met betrekking tot de personenbelasting gedeeld tussen de federale overheid en de gewesten. De gewesten kunnen nu net als de gemeenten een aanvullende belasting heffen op de federale personenbelasting. Indien de federale regering nu een tax shift wil organiseren door de belastingdruk op arbeid te verlagen dan gaat hij de facto ook de personenbelasting verlagen. Op federaal vlak kan het budgettair evenwicht dan worden gevonden in roerende inkomsten, in consumptie of in ecofiscaliteit,  zodat er dus in essentie voor de federale overheid geen probleem rijst wat de fiscale inkomsten betreft. Maar waar er in dit geval wel een probleem rijst, is op het niveau van de gewesten en van de gemeenten. Immers door  de verlaging van de federale personenbelasting, verkleint de basis waarop zij hun aanvullende belasting kunnen heffen. Indien de gewesten en de gemeenten geen fiscaal inkomstenverlies willen leiden, dan zullen zij geen andere keus hebben dan hun eigen belastingdruk te verhogen en aldus de federale belastingverlaging op het vlak van de personenbelasting opnieuw deels gaan compenseren.
 
Eenzelfde pervers effect is er ook als de gewesten gebruik maken van hun fiscale bevoegdheid om een groen beleid te voeren. Dit kan door bijvoorbeeld op het vlak van de gewestelijke personenbelasting een belastingvermindering  toe te staan voor het plaatsen van dakisolatie in woningen of door op het vlak van de gewestelijke verkeersbelasting wagens met een hogere CO²-uitstoot zwaarder te gaan belasten. Indien de gewesten deze groene kaart trekken, dan zal dit automatisch leiden tot minder energieverbruik, hetgeen de federale overheid dan weer gaat voelen in de fiscale inkomsten van BTW en accijnzen.
 
Daarnaast zijn bepaalde fiscale beleidsmaatregelen in ons land ook gewoon totaal uitgesloten. In Nederland heeft men vorig jaar een verstandige fiscale relancemaatregel ingevoerd die erin bestaat dat schenkingen tussen ouders en kinderen vrijgesteld zijn van schenkingsrechten op voorwaarde dat de gelden worden gebruikt voor de renovatie van onroerende goederen. Dit moet de bouwsector stimuleren hetgeen fiscaal voor BTW-inkomsten moet zorgen. Wel een dergelijke maatregel is in België uitgesloten omdat dit dan zou betekenen dat de gewesten een vrijstelling zouden moeten verlenen van schenkingsrechten ten voordele van verhoogde BTW-inkomsten die uitsluitend in de federale schatkist terecht komen.
 
Ook indien de gewesten nieuwe inwoners zou willen aantrekken met een fiscaal beleid rijzen er problemen. De gewesten kunnen bijvoorbeeld voorzien in lagere registratierechten voor wie een huis koopt op  het grondgebied van het gewest met de bedoeling om daar effectief te wonen. Maar dit kan enkel voor  bestaande huizen en niet voor nieuwbouw, want nieuwbouw is niet onderworpen aan gewestelijke registratierechten, maar wel aan federale BTW en op die belasting hebben de gewesten dan weer geen inspraak.
 
Het is dan ook meteen duidelijk dat indien de politici een substantiële fiscale hervorming willen doorvoeren, zij meteen zullen stuiten op de beperkingen van het systeem dat zij zelf hebben gecreëerd.  Nochtans heeft ons land echt nood aan een grondige fiscale hervorming en aan een modern fiscaal systeem dat stimulerend werkt voor de economie en de belastingdruk evenredig verdeelt over alle actoren van de maatschappij. Dit kan enkel maar indien zowel de federale overheid als de gewesten kunnen beschikken over homogene fiscale bevoegdheidspakketten om een eigen en onafhankelijk fiscaal beleid te kunnen voeren. Maar dat vereist een zevende staatshervorming en toch net iets meer dan vijf minuten politieke moed.