Het risico van de aanvullende personenbelasting

09/04/2015 | Fiscaal | Michel Maus
De afgelopen week stond politiek België weer op zijn achterste poten. De federale regering kondigde met zeer veel trots aan dat de zoektocht in de begrotingscontrole naar 1,2 miljard euro in 2 dagen was geklaard. Dat was mede het gevolg van een financiële meevaller waarbij op basis van nieuwe berekeningsmodellen van de bijzondere financieringswet het federale niveau plotseling 725 miljoen euro minder diende door te storten aan de gewesten dan aanvankelijk was begroot. Consternatie alom op bij de gewesten die het plotseling met veel minder moeten rooien en de gewestelijke begroting zien ontsporen. Een goede oude communautaire rel was ontstaan waarbij de federale regeringspartijen door de Vlaamse regering werd verweten hetzij onbekwaam te zijn, hetzij schuldig verzuim te plegen.
Dat de zesde staatshervorming fiscale en budgettaire problemen zou gaan stellen was voor iedereen op voorhand al zonneklaar. De moeilijke zoektocht naar een politiek compromis over meer fiscale autonomie voor de gewesten heeft geleid tot een draak van een wetgeving die zo complex is dat zelfs Einstein ervoor zou passen. Dat er binnen dit absurd complex wettelijk kader accidenten zouden plaatsvinden stond buiten kijf.
 
Een van de cruciale discussiepunten die er thans ook zit aan te komen betreft de vraag of het Vlaams Gewest dit jaar wel gerechtigd is om een aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting te gaan heffen. Voor wie nog niet mee zou zijn, de zesde staatshervorming heeft ervoor gezorgd dat de financiële dotaties van de federale overheid aan de gewesten grotendeels zijn afgeschaft. In ruil voor deze afschaffing hebben de gewesten de bevoegdheid gekregen om een aanvullende belasting te heffen op de personenbelasting. In feite gaat het hier om een belasting op de gereduceerde personenbelasting. De federale personenbelasting wordt namelijk eerst verminderd met de zogenaamde autonomiefactor, dit is in feite het percentage van de personenbelasting dat vroeger via een dotatie aan de gewesten werd toegekend. Deze autonomiefactor bedraagt voor de eerste drie jaar 25,99%.
 
Op de gereduceerde personenbelasting kunnen de gewesten vervolgens in het kader van hun nieuwe fiscale autonomie een aanvullende gewestbelasting gaan heffen. Indien de gewesten over een zelfde niveau aan inkomsten willen blijven behouden als in het dotatiesysteem, moeten ze 35,117% aanvullende gewestbelasting gaan heffen op de gereduceerde personenbelasting. En hier knelt nu precies het juridische schoentje, althans voor het Vlaams gewest.
 
Het Waalse gewest en het Brussels gewest hebben respectievelijk in een decreet van 12 december 2014 en een ordonnantie van 15 december 2014, gebruik gemaakt van hun fiscale autonomie en netjes voor einde 2014 het tarief van de aanvullende gewestbelasting inderdaad vastgesteld op 35,117%. Het Vlaams gewest heeft dit echter niet gedaan en de vraag stelt zich nu of dat geen juridische problemen stelt en of Vlaanderen wel aanvullende gewestbelasting kan heffen.
 
De Vlaamse regering zal ongetwijfeld wijzen op het feit dat de Bijzondere Wet van 6 januari 2014, die de Bijzondere Financieringswet heeft gewijzigd, in artikel 75 heeft bepaald dat de aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting wordt gefixeerd op 35,117% tot wanneer de gewesten hun eigen regels hebben aangenomen inzake de gewestelijke opcentiemen. Dat is correct, maar de vraag is of dit juridisch wel kon. Dezelfde wet van 6 januari 2014 kent immers aan de gewesten de bevoegdheid toe om een aanvullende gewestbelasting op de personenbelasting in te voeren. Dat impliceert dan ook dat het aan de gewesten is om het tarief van deze aanvullende belasting vast te leggen en dat de federale wetgever daar geen enkele inspraak meer in heeft. Op basis van artikel 170 van de Grondwet kan de federale overheid de fiscale autonomie van de gewesten enkel gaan beperken door de uitzonderingen te gaan bepalen waarvan de noodzakelijkheid blijkt. Het probleem dat zich hier stelt is dat de federale wetgever hier geen uitzonderingen op de fiscale autonomie heeft ingevoerd, maar wel het tarief heeft vastgelegd van de eigenlijke aanvullende gewestbelasting zelf. Het gaat hier dus niet om het noodzakelijk beperken van de fiscale autonomie van de gewesten zoals de grondwet voorschrijft, neen het gaat hier om het regelen zelf van de fiscale autonomie van de gewesten en dat is grondwettelijk principieel niet mogelijk.
 
Er valt juridisch dus heel wat voor te zeggen dat het bepalen van het eigenlijke tarief van de aanvullende gewestbelasting enkel door de gewesten zelf kon gebeuren en niet door de federale overheid. Het Waalse en het Brussel gewest hebben dit probleem doorzien en door een decreet en ordonnantie te stemmen in ieder geval het zekere voor het onzekere genomen. Het Vlaams gewest heeft dit niet gedaan en de wettelijkheid van haar eigen aanvullende belasting op de personenbelasting in vraag gesteld. Hiermee heeft het Vlaams gewest eigenlijk onnodige juridische risico’s genomen en elke Vlaamse belastingplichtige munitie gegeven om de belasting te protesteren. Het Instituut voor Accidentologie dat minister Galant wil oprichten bevat best ook een afdeling fiscaliteit en staatshervoming.