Fiscale doodstraf onder vuur?

04/06/2014 | Fiscaal | Michel Maus
Een van de meest gehate belasting van ons fiscaal stelsel is ongetwijfeld de zogenaamde aanslag op de geheime commissielonen. Deze belasting is een bijzondere aanslag van 309% die vennootschappen verschuldigd zijn op vergoedingen of voordelen die niet door een fiscale fiche worden verantwoord. Het gaat hier bijvoorbeeld om kosten die de vennootschap heeft gedragen, maar in werkelijkheid privé-kosten zijn van de zaakvoerder. Aanvankelijk werd de aanslag op de geheime commissielonen maar zeer zelden toegepast. In realiteit primeerde bij de meeste fiscale controleurs het gezond verstand. Indien men bij een controle tot de vaststelling kwam dat de vennootschap inderdaad privé-kosten van de zaakvoerder had bekostigd zonder vermelding op de fiscale fiche, dan werd dit rechtgezet door deze kosten hetzij bij de vennootschap als beroepskost te verwerpen, hetzij bij de zaakvoerder als bezoldiging te gaan belasten.
Onder de Regering Di Rupo I werd echter beslist om vanaf 1 juli 2012 te werken met een zero tolerance-beleid. Elke kost waarvan het beroepsmatig karakter door de fiscus wordt betwist, kan sindsdien worden belast à rato van 309%. In een circulaire van 16 december 2012 stelde de fiscus dat men enkel nog kon ontsnappen aan deze superbelasting door onder meer de goede trouw van de belastingplichtige aan te tonen. Dit zero tolerance-beleid leidde tot een zelfde geziene storm van fiscaal protest.
 
De aanhoudende kritiek verplichtte de wetgever uiteindelijk om de fiscale wetgeving te wijzigen. Met een wet van 17 juni 2013 werd voorzien dat men ook kan ontsnappen aan de bijzondere aanslag indien de privé-kosten die de vennootschap heeft gedragen nog bij de genieter met zijn akkoord kunnen wordt belast en dit binnen de driejarige aanslagtermijn. Keerzijde is dat de uitgaven verbonden aan het voordeel of de vergoeding bij de vennootschap niet meer aftrekbaar zijn. In navolging van deze wet is de fiscus met een volgende circulaire van 22 juli 2013 nog een stap verder gegaan.  Volgens deze circulaire is het akkoord van de genieter niet meer noodzakelijk. De aanslag op de geheime commissielonen wordt met andere woorden niet toegepast als de fiscus binnen de wettelijke aanslagtermijn een aanslag kan vestigen bij de genieter, zelfs zonder zijn akkoord.  Ook in tegenstelling tot wat de wet bepaalt, blijven de  gemaakte kosten bij de vennootschap fiscaal aftrekbaar indien er geen sprake is van kwade trouw bij de vennootschap. Sinds de wet van 17 juni 2013 en de circulaire van 22 juli 2013 is de aanslag op de geheime commissielonen een uitzonderingsmaatregel geworden die slechts toepassing vindt als een effectieve belasting bij de verkrijger van het voordeel onmogelijk is.
 
Ondanks het feit dat de aanslag op de geheime commissielonen thans opnieuw een uitzondering vormt, moet in de praktijk worden vastgesteld dat de fiscus toch nog met de regelmaat van de klok dergelijke monsterlijke aanslagen vestigt. Dit leidt omwille van de zware financiële consequenties van de aanslag quasi altijd tot een procedure tegen de fiscus. Een van de meest voorkomende argumenten is dan dat de aanslag op de geheime commissielonen omwille van zijn omvang geen belasting meer is, maar wel een straf die moet worden aangepast aan de aard en de ernst van de overtreding. Deze argumentatie die ontwikkeld werd in de rechtsleer, vond aanvankelijk maar moeizaam ingang in de rechtspraak.  
 
Daar is nu recent verandering in gekomen door een arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juni 2014. In dit arrest aanvaardt het Hof dat de aanslag op de geheime commissielonen het karakter vertoont van een strafsanctie. Het gevolg hiervan is dat de belastingplichtige aan wie deze aanslag wordt opgelegd de rechtsbescherming geniet van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit betekent onder meer dat de belastingplichtige recht heeft op een rechter die met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen op de afzonderlijke aanslag. Dat toezicht moet het de rechter mogelijk maken om na te gaan of de aanslag op de geheime commissielonen in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Zeker dat laatste is van belang omdat dit impliceert dat de rechter de hoogte van de aanslag op de geheime commissielonen kan milderen tot een niveau dat redelijkerwijs aanvaardbaar is. Dit is cruciaal voor de fiscale rechtsbescherming. Zolang de fiscus niet zelf beseft dat ze de ook de belastingplichtigen die over de fiscale schreef zijn gegaan, met respect moeten behandelen zal zij met de vereisten van de mensenrechtenverdragen worden geconfronteerd.  En dat is maar goed ook.