De absurde logica van de woonbonus

27/08/2014 | Fiscaal | Michel Maus
Een van de fiscale paradepaardjes van de zesde staatshervorming is ongetwijfeld de regionalisering van de woonbonus. Met het oog op het toekennen van meer fiscale autonomie aan de gewesten werd immers beslist de gewesten ook bevoegd te maken voor de bestaande fiscale gunstregimes van de aangelegenheden die nauw aansluiten bij hun bevoegdheden. Aangezien de gewesten exclusief bevoegd worden voor huisvesting, kregen zij ook de bevoegdheid over de zogenaamde woonbonus, de fiscale aftrek waarvan eigenaars van een enige en eigen woning kunnen genieten op hun hypothecaire lening.
De euforie over de nieuw verkregen bevoegdheden verdween echter vrij vlug als sneeuw voor de zon toen duidelijk werd dat Vlaanderen niet genoeg budget heeft om de woonbonus in stand te houden. Meteen werden dan ook vanuit politieke hoek meteen de nodige studies van stal gehaald om te anticiperen op de potentiële afbouw van het systeem. Zo verwees Freya Van den Bossche, de voormalige minister van Wonen, naar een studie van de KUL waarin werd gesteld dat de woonbonus huizen 28% duurder heeft gemaakt en aldus zijn belangrijkste doelstelling, met name betaalbaar wonen, totaal niet heeft gehaald. Een belastingverhoging aldus verkopen als een goede zaak voor de mensen is inderdaad een fantastisch staaltje van politiek vernuft.
 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in het Vlaamse regeerakkoord werd beslist om de woonbonus af te bouwen en dit voor leningen aangegaan vanaf 1  januari  2015. Daar waar de woonbonus nu een voordeel oplevert van maximaal 3.250 euro wordt dit voordeel vanaf 2015 beperkt tot maximaal 1.950 euro, hetzij 1.300 euro minder. Of deze afbouw van de woonbonus wonen inderdaad betaalbaarder gaat maken zal nu natuurlijk nog moeten blijken.
 
Indien de woonbonus daadwerkelijk zo nefast is voor de betaalbaarheid van woningen, dan had men zich vanuit politieke hoek de vraag moeten stellen of men de woonbonus beter niet gewoon volledig afschaft. Let’s face it, de woonbonus is in wezen vanuit het oogpunt van fiscale politiek vrij absurd. In het woonbonus-debat lijkt iedereen blijkbaar te vergeten dat de aankoop van een woning ook gepaard gaat met vrij forse gewestelijke registratierechten of federale BTW. Wie in Vlaanderen een bestaande woning koopt ziet zijn kostprijs stijgen met 10% registratierechten en in Brussel en Wallonië bedraagt het tarief zelfs 12,5%. Wie een nieuwe woning koopt is er fiscaal zelfs nog slechter aan toe, want die moet in om het even welk gewest 21% federale BTW betalen op de verkoopprijs.
 
De absurde overheidslogica is dus blijkbaar dat men eerst op de aankoop fiscaal moet worden afgestraft met forse registratierechten of BTW en pas na de aankoop fiscaal kan worden beloond met een aftrekbare woonbonus. Dit is natuurlijk fiscaal slaan en fiscaal zalven terzelfdertijd en dit mist elke coherentie. De overheid gaat de aankoop van een woning immers eerst fiscaal bemoeilijken via de registratierechten of BTW en pas daarna terug fiscaal aanmoedigen via de woonbonus. Men moet zich dan ook inderdaad de vraag durven stellen wat voor nut dit dubbel systeem van fiscaal bestraffen en belonen eigenlijk nog heeft.
 
Als het inderdaad de bedoeling is van de overheid om in te spelen op de betaalbaarheid van woningen, dan moet zij er ook voor zorgen dat de fiscale kost bij de aankoop van een woning onder controle blijft. Dit is nu niet het geval. De registratierechten en de BW die een particuliere koper nu moeten betalen op de aankoop van zijn woning zijn voor hem een pure kost die gelet op de omvang van de belasting een verregaande implicatie heeft op de betaalbaarheid van de woning. Bovendien zijn deze registratierechten in vergelijking met onze buurlanden ook onredelijk hoog. Zo betaalt men bijvoorbeeld in Nederland slechts 2% overdrachtsbelasting op de aankoop van een woning en in Frankrijk 5,09%.
 
Eerder dan vast te houden aan een afgeslankte versie van de woonbonus zouden politici er goed aan doen om de woonbonus af te schaffen en het beschikbare budget te besteden aan het verlagen van de fiscale kostprijs bij de aankoop van een woning, hetgeen een rechtstreekse impact heeft op de betaalbaarheid ervan. De Vlaamse regering en de andere gewestregeringen hebben daar in ieder geval de mogelijkheid toe, aangezien zij nu zowel bevoegd zijn voor de woonbonus als voor de registratierechten op de aankoop van bestaande woningen. Enig probleem is dan weer de aankoop van een nieuwbouwwoning waarop geen registratierechten verschuldigd, maar wel BTW en laat de gewesten daar nu net niet voor bevoegd zijn. Een rechtlijnig fiscaal beleid gericht op de betaalbaarheid van woningen vereist dan ook dat zowel het regionale als het federale niveau dezelfde fiscale kaarten trekken. En dit is een land van fiscale kakafonie hoe langer hoe meer een utopische gedachte.