Beter fraudeur in eigen land dan op een eiland

12/04/2013 | Fraude | Michel Maus
Het zijn momenteel zware dagen voor de zwartspaarders. Nadat vorige week de offshoreleaks bekend werden gemaakt, volgde afgelopen woensdag de aankondiging dat Luxemburg zal afstappen van zijn traditionele bankgeheim en vanaf 2015 ook zal deelnemen aan de internationale fiscale uitwisseling van bankgegevens. De berichtgeving hieromtrent heeft heel wat politici ertoe bewogen om nogmaals te wijzen op het belang van de strijd tegen de (internationale) fiscale fraude en om de komst van nieuwe fraudemaatregelen aan te kondigen. Zo bijvoorbeeld lieten David Cameron in het Verenigd Koninkrijk, Fran├žois Hollande in Frankrijk en Wolfgang Schaube in Duitsland weten dat zij streng zullen optreden tegen landgenoten die hun centen frauduleus voor de fiscus hebben verborgen in belastingparadijzen. De Europese Commissie van haar kant spoorde alle landen van de Europese Unie aan om van de fraudebestrijding een absolute topprioriteit te maken. En ook in eigen land werden de spierballen gerold en kondigde de Staatssecretaris John Crombez doortastende fraudemaatregelen aan.
Deze politieke demarches zijn uiteraard te begrijpen en liggen volledig in de lijn van een internationale evolutie, zeg maar revolutie, die in 2009 van start is gegaan. In 2009 heeft de OESO de internationale gemeenschap nogmaals duidelijk gewezen op het feit dat de fiscale fraude niet ernstig kan bestreden worden zonder een duidelijk zicht op bancaire gegevens en zonder internationale uitwisseling van deze gegevens. In dit perspectief publiceerde de OESO in april 2009 een lijst van landen die beschouwd werden als belastingparadijs omdat zij weigerden om bankgegevens met andere landen te wisselen. Ook België figureerde op deze OESO-lijst. Het stigmatiserende karakter van deze lijst heeft zijn effect niet gemist en de internationale gemeenschap echt wakker geschud. Ook België liet zich op dat vlak niet onopgemerkt en heeft ondertussen met 42 landen fiscale akkoorden afgesloten die de uitwisseling van bankgegevens mogelijk maken. Daarnaast is België ook een voortrekker in de eis voor de invoering van een Europese FACTA-wetgeving die een automatische uitwisseling van bankgegevens binnen de Europese Unie mogelijk zou moeten maken.
 
Op het eerste zicht lijkt het er dan ook op alsof  België de strijd tegen de internationale fiscale fraude zeer ernstig neemt. Voor een stuk is dat ook zo, maar wie deze materie nauwgezet opvolgt kan eigenlijk enkel maar vaststellen dat België strengere transparantie-eisen stelt voor buitenlands vermogen dan voor binnenlands vermogen. Daar waar de Belgische regering sterk aanstuurt op het doorbreken van de fiscale privacy op internationaal vlak, blijkt dat in eigen land nog steeds vast te houden aan een zekere vorm van fiscale privacy voor de Belgische belastingplichtigen. De Belgische belastingplichtige die zijn wit, grijs of zwart vermogen in het buitenland heeft ondergebracht, heeft aldus meer risico om in het vizier van de fiscus te lopen dan diegenen die hun vermogen in België hebben geparkeerd. Bizar, maar wel juridische realiteit.
 
Vooreerst is er de fiscale kennisname van bankgegevens. In het kader van de Europese Spaarrichtlijn krijgt België zesmaandelijks van de andere Europese lidstaten een lijst met de namen en het bedrag aan interesten die Belgische belastingplichtigen hebben verkregen op een bankrekening in een andere lidstaat. In eigen land daarentegen echter werd vanaf 2013 de bevrijdende en dus anonieme roerende voorheffing ten aanzien van interesten opnieuw ingevoerd. Dit heeft tot gevolg dat de Belgische fiscus wel in kennis wordt gesteld van de identiteit van de Belgen met een buitenlandse rekening binnen de Europese Unie, maar niet van de identiteit van de Belgen met een Belgische rekening. Vreemd en een vrijgeleide voor de gelegaliseerde fraude met de fiscale vrijstelling op Belgische spaardeposito’s.
 
Ook indien de fiscus in het kader van de Inkomstenbelastingen bankrekeningen wil inzien is België strenger voor interne dan voor buitenlandse rekeningen. Belgische bankrekeningen kunnen doorgaans enkel worden ingezien indien de fiscus beschikt over aanwijzingen van fraude. Deze strenge voorwaarde is raar maar waar niet terug te vinden in de 42 uitwisselingsakkoorden die België met andere landen heeft afgesloten.
 
Tot slot is er nog de aangifteplicht voor spaarverzekeringen die recentelijk werd ingevoerd.  Ook hier is er de markante vaststelling dat deze aangifte enkel geldt voor de “buitenlandse” spaarverzekeringen, maar niet voor de spaarverzekeringen die de belastingplichtigen in eigen land hebben afgesloten waarvoor een volledige privacy geldt.
 
Het kan dan ook niet worden ontkend dat de fraudebestrijding in België gepaard gaat met een vorm van pervers protectionisme. Het is een juridisch feit dat de voorwaarden voor het creëren van fiscale transparantie strenger zijn voor buitenlands, dan voor binnenlands vermogen. In de steeds helder wordende internationale fiscale wereld blijkt België aldus voor zijn eigen onderdanen nog steeds een ideale schuilplaats te bieden voor zwarte en grijze vermogens. Deze “eigen volk eerst-politiek” maakt aldus dat de Belgische fiscale stropers beter af zijn in hun eigen bos wanneer zij dubieuze vermogens willen beleggen, en dat is uiteraard bedenkelijk. Ook in het land van de fiscale blinden is éénoog koning.