De Tijd: Hervorm onze hele scheefgetrokken fiscaliteit

06/12/2019 | Fiscaal | Mark Delanote
Het arrest dat het Gentse hof van beroep dinsdag velde over de fiscale aftrekbaarheid van een appartement aan zee is logisch en coherent. In plaats van ons druk te maken over dat arrest, ijveren we beter voor een hervorming van onze hele scheefgetrokken fiscaliteit.
In verschillende media waren de reacties op het nieuws, dat De Tijd gisteren op zijn voorpagina bracht, niet min. Volgens sommigen is de fiscale rechtlijnigheid nu totaal zoek en staat de deur wagenwijd open om allerhande ‘privébeleggingen’ fiscaal in mindering te brengen van de belastbare inkomsten van de vennootschap. Een nadere lezing van het arrest doet mij besluiten dat het hof van Gent de bestaande fiscale logica wel degelijk gevolgd heeft.


De kern van het verhaal is relatief simpel. Een vennootschap verwerft in volle eigendom een appartement aan zee en stelt dat appartement gratis ter beschikking aan haar bedrijfsleider. De kosten die verband houden met de aankoop van het appartement worden door de vennootschap fiscaal in aftrek gebracht. De bedrijfsleider op zijn beurt wordt belast op het door hem verkregen voordeel van alle aard.

Een perfecte balans dus? Zeker niet altijd. De aftrek van de kosten bij de vennootschap ligt vaak substantieel hoger dan het bedrag van het, toch wel vrij absurd gewaardeerde, voordeel van alle aard, dat in principe een belastbaar inkomen is bij de bedrijfsleider. Dat is meteen ook de reden waarom de kwestie de krantenkoppen blijft halen.
 
Uit dit arrest kan je niet afleiden dat nu allerhande beleggingen fiscaal kunnen worden afgetrokken


Maar er zijn natuurlijk ook verklaringen voor dat onevenwicht. Een belangrijk deel van de kosten die de vennootschap maakt, zijn de zogenaamde afschrijvingen. Dat betekent concreet dat de vennootschap de totale aanschaffingswaarde (weliswaar gespreid in de tijd) in mindering kan brengen van de belastbare winsten.

In de zaak die aan het hof in Gent werd voorgelegd, stond vast dat het voordeel van de afschrijvingen slechts een tijdelijk voordeel was. Vroeg of laat is het appartement uiteraard volledig afgeschreven. Bovendien zal de latere overdracht van het onroerend goed ertoe leiden dat de totale meerwaarde (met inbegrip dus van de inmiddels afgeschreven waarde) belastbaar wordt.

Dat is meteen ook een substantieel verschil tegenover onroerende goederen die louter privé worden aangehouden. In dat geval is de meerwaarde in de regel niet belastbaar. Volgens het Hof was het voorts ook bewezen dat de vennootschap in kwestie een duidelijk interessante belegging had gedaan, gelet op de toch wel belangrijke waardestijgingen in de betrokken kustgemeente. Die bijkomende waarde zal dus ook vroeg of laat belast worden.
 

Agressief


Als we met dat alles rekening houden, is het arrest zonder meer logisch en coherent. Er is geen sprake van een agressief gecreëerd fiscaal onevenwicht. Bovendien - en in lijn met de recentste cassatierechtspraak in dit verband - was het duidelijk dat de vennootschap in haar eigen belang had gehandeld. Het feit dat de bedrijfsleider ook een goede zaak deed (in die zin dat hij goedkoop een stekje aan de kust kon gebruiken) is daarbij irrelevant.

Deze zaak is overigens niet te vergelijken met eerdere zaken waarin de fiscus wel het gelijk aan zijn kant kreeg. Denk bijvoorbeeld aan een geval waarin de vennootschap slechts een vruchtgebruik had verkregen op het onroerend goed, om het onroerend goed dan vervolgens te laten gebruiken door de bedrijfsleider, met als kers op de taart dat de bedrijfsleider aan het einde van het vruchtgebruik de volle eigendom verkreeg.
 
De wetgever zou toch stilaan even de tijd moeten nemen om zich te bezinnen, onder meer over de waardering van de voordelen van alle aard bij de gratis terbeschikkingstelling van woningen.

Voor zover zulke verrichtingen in het uitsluitend voordeel van de bedrijfsleider gesteld worden en de vennootschap er dus geen enkel economisch voordeel uit haalt, besluiten de fiscus en de rechtspraak nagenoeg unaniem dat zulke constructies geen aanleiding kunnen geven tot fiscaal aftrekbare beroepskosten.

In ieder geval kan men al helemaal niet uit dit arrest afleiden dat nu allerhande beleggingen fiscaal zonder enige verdere consequentie in aftrek kunnen worden gebracht. Er moet nog altijd worden voldaan aan de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden zoals opgenomen in het artikel 49 van het Wetboek Inkomstenbelastingen.

Dat het arrest logisch en coherent is, betekent natuurlijk niet dat er niets zou kunnen veranderen. De wetgever zou toch stilaan even de tijd moeten nemen om zich te bezinnen, onder meer over de waardering van de voordelen van alle aard bij de gratis terbeschikkingstelling van woningen.
 

Aan de oren trekken


Bovendien zou men zich toch ook eens kunnen beraden over de vraag of het stelsel van de (fiscale) afschrijvingen (en het daaraan gekoppelde tijdelijk onevenwicht) opengesteld moet worden ten aanzien van goederen die niet in het kader van de eigen exploitatie van de vennootschap worden gebruikt.
Een appartement lijkt mij toch iets anders dan bijvoorbeeld een fabrieksgebouw of een kantoor dat opgericht werd met als uitsluitend doel de operationele activiteiten van de vennootschap te ontwikkelen

Een appartement waarin wordt geïnvesteerd en waarvan de waarde omwille van de locatie naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een waardevermeerdering, lijkt mij nu toch inderdaad iets anders dan bijvoorbeeld een fabrieksgebouw of een kantoor dat opgericht werd met als uitsluitend doel de operationele activiteiten van de vennootschap te ontwikkelen.

Er kunnen dus wel een aantal denksporen verder uitgediept worden om de huidige scheeftrekkingen ongedaan te maken. Maar eigenlijk is dat het geval voor bijna heel onze fiscaliteit. Eerder dan ons telkens opnieuw druk te maken over elke zaak die betrekking heeft op het appartement aan de kust zouden we beter eens aan de oren van onze politici trekken om hen te dwingen met een globale hervorming uit te pakken.

De Tijd - 06.12.2019