Verlaging van de patronale bijdragen van 33% naar 25%. Zal de berg een muis baren?

12/08/2015 | Sociaal | Kristof Salomez
Op 23 juli jl. bereikte de federale regering een akkoord over de veel besproken tax shift. Tijdens de persconferentie die op diezelfde dag ter gelegenheid van het bereikte akkoord werd gegeven kondigde de federale regering aan dat de patronale bijdragen op het loon, zouden worden verminderd van 33% naar 25%.
Dit zou een spectaculaire daling geweest zijn van de loonkost met maar liefst meer dan 6,02 %. Concreet zou dit betekenen dat een bruto maandwedde van 1.750 euro in de plaats van 2.327,5 euro voortaan nog slechts 2.187,5 euro zou kosten aan de werkgever, dat een bruto maandwedde van 3000 euro in de plaats van 3.990 voortaan nog 3.750 euro zou kosten. Een bruto maandwedde van 5.000 euro zou in de plaats van 6.650 euro nog slechts 6.250 euro kosten. Een behoorlijk spectaculaire lastenverlaging met andere woorden, dewelke in combinatie met de eerder doorgevoerde indexsprong van 2% en loonstop, een versterking van de concurrentiepositie van de Belgische bedrijven ten opzichte van hun collega’s in de zogeheten referentiestaten (Duitsland, Frankrijk en Nederland) zou met zich meebrengen die zijn gelijke in de recente Belgische geschiedenis niet kent. In het licht hiervan zou de tax shift dan ook gerust historisch kunnen worden genoemd.

Vanuit een sociaalrechtelijke bril bekeken kon deze historische lastenverlaging maar moeilijk worden geloofd. De budgettaire impact van deze maatregel leek immers niet te zijn ingepast in het bestaande akkoord. Het gaat immers om een vermindering van de patronale bijdragen met 8% op een totaal aan sociale bijdragen op het loon van ongeveer 46%, te weten 33% patronale bijdragen (eigenlijk variëren deze tussen 32,94% en 34,65%) en 13,07% werknemersbijdragen. Dit betekent een vermindering met 8/46ste of 17,39%. Eenvoudig gesteld komt het erop neer dat RSZ vanaf de doorvoering van de lastenverlaging, hetgeen naar verluidt al vanaf 2016 zou zijn, 17,39% minder bijdragen zou ontvangen. Wetende dat de RSZ jaarlijks ongeveer 76 miljard overmaakt aan de diverse sociale parastatalen (openbare instellingen van Sociale Zekerheid) teneinde allerhande sociale prestaties te betalen, zoals pensioenen, ziektekosten, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, brugpensioenen, loopbaanonderbrekingsuitkeringen, werkloosheidsuitkeringen), leek dit te zullen uitdraaien op een budgettair fiasco of op een nooit geziene en wellicht ook ongrondwettelijke besparing in de sociale zekerheidsuitgaven. Omdat niet het volledige door de RSZ beheerde budget afkomstig is van de reguliere RSZ-bijdragen is de impact weliswaar geen 17% van 76 miljard, maar, gelet op het jaarverslag van de RSZ, slechts van iets meer dan 40 miljard. Goed en wel beschouwd zou deze lastenverlaging ongeveer 7 miljard euro aan minder ontvangsten betekenen. Wanneer gesproken wordt van een tax shift van 7 miljard had dit gekund, doch slechts wanneer alle meerinkomsten zouden gebruikt worden ter financiering van de genoemde lastenverlaging, en dat is nu net niet het geval. Wanneer de eerste cijfers bekend raakten zou voor de lastenverlaging van 33% naar 25% in 2016 en 2017 slechts een budget voorzien zijn van 620 miljoen euro, met andere woorden nog geen 10% van hetgeen nodig was om een effectieve verlaging van 33% naar 25% te financieren.

Op het eerste gezicht kon dit twee zaken betekenen, ofwel zou een budgettair tekort ontstaan dat al even historisch zou zijn als de lastenverlaging, ofwel zou al even historisch gesnoeid worden in de pensioenen, terugbetaling van de geneeskundige verstrekkingen etc.

Dat dit de draagwijdte van de regeringsbeslissing zou zijn lag evenwel allesbehalve voor de hand. Veel meer voor de hand lag dat het budget voor de verlaging elders vandaan kwam.

Het meest voor zich sprak het budget voor de reeds bestaande en onder de vorige regering uitgebreide lastenverlagingen, met name de bijdrageverminderingen (structurele bijdragenverminderingen en de inmiddels grotendeels naar de regio’s overgedragen doelgroepverminderingen). De RSZ bericht immers in zijn jaarverslag dat het budget dat in 2014 naar bijdrageverminderingen ging, 6,5 miljard bedroeg.

Het verbaasde derhalve weinig wanneer enkele dagen na het akkoord over de tax shift, in de kranten berichten opdoken dat de lastenverlaging van 33 naar 25% mede zou gefinancierd worden met het budget van de bijdrageverminderingen.

Hiermee is het verhaal van de lastenverlagingen echter nog niet teneinde en het zal wellicht nog wat tijd en onderhandeling vergen, eer dit verhaal werkelijk ten einde is.

De vaststelling dat de lastenverlaging wordt doorgevoerd met gebruikmaking van het budget van de bijdrageverminderingen kan in wezen op twee manieren worden uitgelegd. Ofwel behoudt men (min of meer) de bestaande bijdrageverminderingen (de structurele bijdrageverminderingen in het bijzonder, waar het grootste deel van het budget naartoe gaat) en zal men achteraf moeten toegeven dat de historische lastenverlaging van 33% naar 25% er in werkelijkheid één was van maximum 27% naar 25%, hetgeen ongeveer vergelijkbaar is met hetgeen de vorige regering heeft gerealiseerd.

Ofwel vervangt met de bestaande bijdrageverminderingen door een verlaging van het nominaal tarief naar 25%. Dit zou budgettair misschien minder spectaculair zijn, maar zou niettemin een grote impact hebben, doch m.i. niet ten goede. Zonder in detail te treden omtrent de techniciteit van de structurele bijdrageverminderingen bedragen thans minsten 462 euro per kwartaal met een toevoeging die beperkt is voor hogere lonen en groter is voor lagere lonen. Deze vermindering kan de werkgever in mindering brengen van het bedrag van de RSZ-bijdragen die hij ieder kwartaal dient te betalen. Op deze wijze varieert nu het percentage van de patronale bijdragen in functie van de hoogte van het loon. Rekening houdend met de actuele structurele bijdrageverminderingen betaalt de werkgever op een loon van 1750 euro ongeveer 24% bijdragen. Op een loon van 5000 euro daarentegen betaalt de werkgever rekening, houdend met de bijdrageverminderingen, ongeveer 30% bijdragen. Door middel van het systeem van de structurele bijdrageverminderingen wordt de flat rate van de RSZ bijdragen met andere woorden progressief gemaakt.

Dit afschaffen lijkt mij geen goed idee nu de loonconcurrentie vooral speelt voor de lagere lonen.

Wordt vervolgd.